Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2025:3861
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/3177 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (gemachtigde: [naam] ).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de aanleg van een speeltuin bij de Jacobijnenkerk in Leeuwarden. Deze aanleg is door het college aangekondigd in een brief, gedateerd 4 april 2025. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft op 20 april 2025 een brief gestuurd aan het college, waarin hij aankondigt dat hij bezwaar zal maken als het college niet in overleg gaat met de omwonenden. Volgens hem gaat het om een ingreep met grote ruimtelijke impact in het beschermd stadsgezicht die op verschillende punten vergunningplichtig is.
1.1.
Op 29 augustus 2025 is gestart met de aanleg van de speeltuin. Verzoeker heeft daarom op 1 september 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van 4 april 2025. Hij heeft op 4 september 2025 de rechtbank gevraagd om voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker wil dat de rechtbank de werkzaamheden aan de speeltuin stillegt.
1.2.
Het college heeft op 16 september 2025 telefonisch aan de rechtbank meegedeeld dat het meent dat de aanleg van de speeltuin niet vergunningplichtig is. Er is daarom geen besluit genomen. Het college heeft dit op 22 september 2025, op verzoek van de rechtbank, per e-mail bevestigd.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als er sprake is van een besluit, waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. Dit heet het connexiteitsvereiste. Ook moet er sprake zijn van een spoedeisend belang.
Is er sprake van een besluit?
Kan toch bezwaar gemaakt worden?
4.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de aanleg van de speeltuin geen vergunning nodig is. De aanleg is vergunningvrij, aldus het college. De brief van 4 april 2025 is een aankondiging van zogenoemd ‘feitelijk handelen’.
4.1.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is een te vroeg ingediend bezwaarschrift in de zin van artikel 6:10 van de Awb. Dit artikel is bedoeld om praktisch om te gaan met een bezwaarschrift tegen een besluit dat weliswaar nog niet genomen is, maar wat binnenkort wel genomen wordt. In zo’n geval zou het niet logisch zijn om een bezwaar eerst niet-ontvankelijk te verklaren en na het nemen van het besluit een bezwaarde opnieuw de mogelijkheid te geven bezwaar in te dienen. Het artikel schept geen op zichzelf staande bevoegdheid om bezwaar te maken. Bezwaar kan immers alleen gemaakt worden tegen een besluit.
4.2.
Dit betekent dat het bezwaarschrift van eiser tegen de brief van 4 september 2025 geen redelijke kans van slagen heeft. Om die reden is het verzoek ongegrond.
Hoe nu verder?
Conclusie en gevolgen 8. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 1:3 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 1:5 1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Artikel 6:10 1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen, of b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
Dit volgt uit artikel 1:5 van de Awb.