RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18-186033-23 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 september 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.I. Veenstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 27 mei 2022 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen door een andere feitelijkheid, te weten door [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden door onverhoeds te handelen en/of te betasten op de vagina van die [slachtoffer] , en/of een feitelijk overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] , gezien de familiaire relatie als half broer en zus en het leeftijdsverschil, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - wrijven over het been van [slachtoffer] brengen van zijn hand tussen de benen van [slachtoffer] brengen van zijn hand in de onderbroek van [slachtoffer] aanraken van de borst(
(1)keer toen hij dichtbij zijn kast stond. En toen zei ik: "Doe normaal, stop daarmee." En toen stopte hij daarmee. V1: Hoe ging dat dan? A: Nou, ik lag op mijn rug, nog steeds. En toen ging hij tegen mij aan, met zijn penis. En toen ging hij, soort van, hij hield mij, soort van, vast, en toen ging hij tegen mij aan bonken. V1: En jij lag op je rug. En hij dan? A: Hij lag toen op zijn zij. V1: En waar komt zijn penis dan tegenaan? A: Tegen mijn bovenbeen. V1: En hoe weet je dat? A: Ik voelde dat. V1: En wat voel je precies? A: Ik voelde toen best wel iets hards. V1: Best wel iets hard. En wat deed hij dan precies? A: Hij ging toen tegen mij aan steeds. V1: Steeds heen en weer. Je doet het voor, dus heen en weer. Oké. Dus dan ging die zo, steeds heen en weer. En waar waren zijn handen toen die dat deed? A: Eentje was op mijn zij. V1: Toen zei je: "Stop." En wat deed hij? A: Toen ging hij nog steeds door, en toen zei ik weer "stop". En toen zei ik: "Anders ga ik mama roepen." En toen ging hij stoppen. V1: Oké. En wat heb je je moeder allemaal verteld? A: Dit verhaal eigenlijk allemaal. V1: En hetzelfde, of heb je haar meer verteld, of minder verteld? A: Ik heb haar zelfs minder verteld, omdat ze het niet meer wou aanhoren, omdat het zo erg was voor haar. Ze vond het zo erg dat ze het niet meer wou aanhoren. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 augustus 2022, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : V: Wat heeft [slachtoffer] aan jou verteld? A: Ze heeft mij verteld dat haar broer haar probeerde aan te raken op verkeerde plekken. En dat hij haar probeerde om te kopen met spullen die ze graag wilde hebben zodat ze het niet door zou vertellen aan haar moeder. Uiteindelijk heeft ze het wel aan haar moeder verteld. V: Hoe zei [slachtoffer] het tegen jou? Dat hij haar probeerde aan te raken op verkeerde plekken? A: [slachtoffer] vertelde aan mij dat haar broer haar onderbroek naar beneden probeerde te doen. Hij probeerde daar toen aan te zitten. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 6 maart 2023, opgenomen op pagina 131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant: Verder kwam ik een chat tegen via Discord 27-05-2022 08:14:44 Owner : My brother was drunk and did things I didn't like Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Juridisch kader Zedenzaken zijn vaak bewijstechnisch lastige zaken, omdat deze zaken zich doorgaans laten kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de situatie waarin de ten laste gelegde seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Veelal gaat het bij een ontkennende verdachte om het woord van het slachtoffer tegen dat van verdachte. Dat geldt ook voor onderhavige zaak: de belastende verklaring van [slachtoffer] staat tegenover de grotendeels ontkennende verklaring van verdachte. Op grond van het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en de op die bepaling betrekking hebbende jurisprudentie van de Hoge Raad kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Uit deze jurisprudentie volgt dat de aangifte dus steun moet vinden in een ander bewijsmiddel. Daarbij geldt dat de verklaringen van getuigen over wat zij van het slachtoffer hebben gehoord onvoldoende zijn om als steunbewijs te kunnen gelden, omdat die verklaringen te herleiden zijn tot de verklaring van de aangever, terwijl daarvoor nu juist steunbewijs wordt gezocht. Van belang is dus dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Toepassing van het juridisch kader De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat de verklaring van [slachtoffer] als gedetailleerd en in de kern consistent kan worden beschouwd. Zo heeft [slachtoffer] uitgebreid en bij herhaling verklaard over de wijze waarop zij haar onderbroek heeft vastgehouden om te voorkomen dat verdachte met zijn hand in haar onderbroek kon komen. Daarnaast heeft zij specifiek verklaard over de staat waarin verdachte verkeerde en waaruit zij dat afleidde en dat verdachte haar meermaals zijn liefste zusje heeft genoemd. De verklaringen van [slachtoffer] over de ontuchtige handelingen zijn in de kern genomen consistent. Voor het gegeven dat zij ten overstaan van haar moeder minder heeft verteld dan bij de politie, geeft zij bij de politie een verklaring: haar moeder vond het zo erg dat zij het niet meer kon aanhoren. De rechtbank heeft in het dossier noch in het verhandelde ter zitting concrete en objectieve aanwijzingen gevonden die afdoen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer] en gaat dus uit van de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie als bij de rechtbank het een en ander verklaard dat past in de verklaring van [slachtoffer] . Zo heeft hij verklaard dat hij, lepeltje-lepeltje, bij [slachtoffer] in bed is gaan liggen, haar heup heeft vastgepakt en haar langs haar benen naar beneden heeft gestreeld, net zoals je dat als man en vrouw doet. Hij heeft ook verteld dat hij, de ochtend na dit feit in huilen is uitgebarsten en dat hij bang was dat [slachtoffer] het aan hun moeder zou vertellen, waarna hij haar een iPhone 13 in het vooruitzicht heeft gesteld, opdat zij moeder niets zou vertellen over wat er gebeurd was en hij niet uit huis zou worden gezet door moeder. Deze iPhone heeft verdachte ook daadwerkelijk aan [slachtoffer] gegeven. Uit het dossier blijkt verder dat [slachtoffer] diezelfde ochtend direct via Discord heeft verteld dat haar broer dronken was en dingen heeft gedaan die zij niet leuk vond. Vervolgens heeft ze het enige tijd later aan haar vriendin [getuige 1] verteld, alvorens het aan haar moeder te vertellen. Wat zij aan hen heeft verteld komt in hoofdlijnen overeen met hetgeen zij de politie heeft verteld. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de slotsom dat de belastende verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Deze andere bewijsmiddelen zijn voldoende specifiek en houden voldoende contextueel verband met de aan de verdachte verweten gedragingen. Dat betekent dat aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen van verdachte te beschouwen als het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ook het wrijven tussen de schaamlippen, dit seksueel binnendringen oplevert. Dat verdachte [slachtoffer] met dat opzet seksueel heeft aangeraakt en is binnengedrongen, blijkt daarnaast uit de verklaring dat hij haar heeft gestreeld zoals een man en vrouw dat bij elkaar doen. Dat verdachte zijn opzet hier op gericht was, blijkt uit het feit dat verdachte is doorgegaan, terwijl [slachtoffer] meermaals aan verdachte heeft gevraagd om daarmee te stoppen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat bij verdachte het opzet op het (seksueel) aanraken van [slachtoffer] zou ontbreken, nu hij dacht naast zijn (toenmalige) vriendin te liggen. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt immers dat verdachte haar die nacht meerdere malen mijn liefste zusje heeft genoemd. Daar komt nog bij dat verdachte zelf ook heeft verklaard dat zijn vriendin die nacht na het feestje naar haar eigen huis is gegaan. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde verkrachting. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 27 mei 2022 te Hoogezand, door een andere feitelijkheid, te weten door [slachtoffer] vast te pakken en te houden door onverhoeds te handelen en te betasten op de vagina van die [slachtoffer] , en door een feitelijk overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] , gezien de familiaire relatie als half broer en zus en het leeftijdsverschil, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten wrijven over het been van [slachtoffer] brengen van zijn hand tussen de benen van [slachtoffer] brengen van zijn hand in de onderbroek van [slachtoffer] aanraken van de borst(
- en)van [slachtoffer] aanraken van en wrijven aan de vagina van [slachtoffer] brengen van zijn vinger(
- s)tussen de schaamlippen van [slachtoffer] en zijn vinger(
- s)tussen de schaamlippen van [slachtoffer] te bewegen aftrekken in het bijzijn van en waarneembaar voor [slachtoffer] , en bewegen en duwen van zijn penis tegen het been van [slachtoffer] . Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: primair: verkrachting Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De officier van justitie ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden te vorderen, nu verdachte het feit heeft ontkend en een verband tussen de problemen van verdachte en de verdenkingen, ontbreekt. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij ruimte is voor een klinische opname. Verdachte heeft last van angsten, verslaving, kan niet voor zichzelf zorgen en is meermaals in een crisisopname beland. Daarnaast heeft verdachte geen antecedenten op het gebied van zeden en is de redelijke termijn met meer dan een jaar overschreden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 14 augustus 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van zijn stiefzusje van 12 jaar, terwijl hij destijds zelf 23 jaar was. Deze verkrachting heeft plaatsgevonden in hun gezinswoning bij uitstek de plek waar zijn stiefzusje zich veilig moest kunnen voelen. Met zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Hoe ingrijpend de gevolgen voor haar zijn geweest, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, waarin zij onder meer vertelt dat zij door deze gebeurtenis therapie heeft moeten volgen en dat zij nooit meer het vrolijke meisje van vroeger zal kunnen zijn. De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor verkrachting met beperkte mate van dwang uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank acht dit uitgangspunt, gelet op de omstandigheden van dit geval, in beginsel passend. In strafmatigende zin zal de rechtbank rekening houden met het forse tijdsverloop in deze zaak. Sinds het plegen van het feit zijn ruim drie jaren verstrekken. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft ook gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft in de afgelopen drie jaren geen nieuwe contacten gehad met justitie en is ten aanzien van zedendelicten een first offender. Verder blijkt dat hij kampt met ernstige verslavingsproblematiek ten aanzien van alcohol en dat hij niet meer in staat is zijn leven op een fatsoenlijke wijze vorm te geven. Verdachte heeft op de terechtzitting duidelijk kenbaar gemaakt dat hij hiervoor graag hulp wil en openstaat voor een klinische opname en behandeling. Straf De rechtbank is van oordeel, gelet op de expliciete schreeuw om hulp van verdachte, dat er aanleiding is om bijzondere voorwaarden op te leggen in de vorm van een klinische opname, ambulante behandeling, begeleid/beschermd wonen en middelencontrole. De rechtbank zal daarom een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen, zodat verdachte de mogelijkheid krijgt daadwerkelijk van deze hulp te profiteren. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank legt daarnaast aan verdachte na te melden bijzondere voorwaarden op. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Stelt als bijzondere voorwaarden: de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland aan de [adres] in Groningen. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; de veroordeelde laat zich opnemen in [instelling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt negen maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling; de veroordeelde laat zich behandelen door de forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan een ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd; de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2025. Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.