RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Strafrecht Locatie Leeuwarden Parketnummer: 18-750019-19 Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de zaak tegen: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in [instelling] , hierna te noemen: betrokkene. Procesverloop De officier van justitie heeft d.d. 24 juli 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde betrokkene de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 65.000 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-750019-19 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De behandeling heeft tegelijk met de hoofdzaak plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 juli
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het bedrag zoals vermeld in de schriftelijke vordering ontneming gehandhaafd en vordert toewijzing van deze vordering. Zij heeft ter zitting toegelicht dat het totale berekende wederrechtelijke voordeel 263.670,56 bedraagt en dat het aandeel van betrokkene is geschat op 65.000, omdat in dit onderzoek meerdere personen als verdachte zijn aangemerkt. Zij acht deze schatting reëel gelet op het witwasvermoeden ter hoogte van ongeveer 45.000 euro. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft in de hoofdzaak vrijspraak bepleit en stelt zich op het standpunt dat de vordering ontneming moet worden afgewezen. Beoordeling De rechtbank heeft betrokkene bij vonnis van 7 augustus 2025 in de zaak met parketnummer 18-750019- 19 vrijgesproken ter zake van de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde verdenking van hennepteelt te Jannum in de periode 1 augustus 2018 tot en met 9 april 2019 en de onder feit 3 ten laste gelegde verdenking van witwassen. Op basis van deze verdenkingen is het wederrechtelijke voordeel berekend. Gelet op deze vrijspraak is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat betrokkene wedderechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen. Beslissing De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af. Deze uitspraak is gegeven door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 augustus
- mr. A. Dijkstra is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.