← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2025:3959

beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Wrakingskamer zaaknummers C/18/245000/ KG RK 25-167 en C/18/244916/ KG RK 25-164 Beslissing van 12 juni 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekster] Wonende te [adres] hierna te noemen: de verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. S.A. Wortmann rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: twee schriftelijke wrakingsverzoeken van 2 juni 2025, ingediend naar aanleiding van de beslissing van 13 mei 2025 en het verloop van de behandeling ter zitting op 2 juni 2025; de schriftelijke reactie van de rechter van 3 juni 2025; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 2 juni

  1. 2Het wrakingsverzoek 2.
  2. De verzoeken strekken tot wraking van de rechter die belast is met de behandeling van de procedure tussen de verzoekster en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis in de zaken met nummer C/18/239701 en C/18/
  3. 2.2 De verzoekster heeft blijkens de schriftelijke verzoeken – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar verzoeken ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de beslissing van de rechter van 13 mei 2025 heeft de verzoekster aangevoerd dat de beslissing onvoldoende (juridisch) onderbouwd is en derhalve niet voldoet aan de motiveringsplicht. In de beslissing is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de verzoekster, haar standpunten zijn onjuist weergegeven en er is onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de door haar aangevoerde verweren. Ten aanzien van het verloop van de zitting op 2 juni 2025 heeft de verzoekster aangevoerd dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om haar bezwaren met betrekking tot het verloop van de procedure en de inhoud van de voornoemde beslissingen naar voren te brengen. Er werd tevens door de rechter geen begrip getoond of uitleg gegeven. Daarnaast is de rechter een (oud-)studiegenoot van de voormalig advocaat van de verzoekster. Uit voorgaande blijkt dat de rechter tijdens de procedure en in haar beslissing geen blijk heeft gegeven van een onpartijdige en onafhankelijke houding. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wrakingen te berusten en heeft op de verzoeken gereageerd. Hierbij heeft de rechter – onder meer en samengevat – laten weten dat er op 13 mei 2025 een einduitspraak is gedaan in de zaak met zaaknummer C/18/239701 FARK 24-
  4. In de zaak die op 2 juni 2025 is behandeld, is op 3 juni 2025 een einduitspraak gedaan. 3De beoordeling 3.1 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden. 3.
  5. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat de inhoud van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door verzoekster als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of summier geachte motivering, dan wel om het ontbreken van een motivering. Daarnaast behoort het tot de taak van de rechter om de zitting te leiden, onder meer door het nemen van procesbeslissingen zoals het bepalen van de (volgorde van) de te behandelen onderwerpen en het beoordelen van de aan de orde zijnde vragen. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (proces)beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld vanwege de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. 3.
  6. De wrakingskamer is van oordeel dat van een dergelijke uitzondering geen sprake is. De verzoekster acht de rechter vooringenomen omdat zij een onjuiste beslissing zou hebben genomen. Het is niet aan de wrakingskamer om te oordelen over de juistheid van de (proces)beslissing of de motivering daarvan. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die, in geval van het instellen van een rechtsmiddel, met de verdere behandeling van de zaak is belast. Verzoekster heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de wrakingskamer kan afleiden dat sprake is van vooringenomenheid van de rechter, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Voor zover verzoekster heeft betoogd dat de rechter is beïnvloed door het feit dat zij een (oud-)studiegenoot is van de voormalige advocaat van verzoekster, overweegt de wrakingskamer dat dit enkele gegeven op zichzelf onvoldoende is om (de schijn van) partijdigheid aan te nemen. 3.
  7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de verzoeken tot wraking afwijzen. 3.
  8. Er is geen aanleiding voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 38 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wrakingskamer komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling, nu de aangevoerde omstandigheden geen objectieve grond vormen voor twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter. 4De beslissing De rechtbank 4.1 wijst de verzoeken tot wraking af; 4.2 bepaalt dat, voor zover er nog sprake is van een lopende procedure, de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van de verzoeken tot wraking bevond; 4.3 beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan: - de verzoekster; - de rechter; - de betrokken partijen. Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, en mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A. Gaastra en in openbaar uitgesproken op 12 juni
  9. - de griffier - de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. HR 25 september 2018, ECLI:HR:2018:1413.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.