RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/1949 en 24/1931T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigden: mr. R. Blom en mr. M.T.M. Vroklage), Van Zijl Supermarkt B.V., eiseres (gemachtigde: mr. A. Kamphuis), Gezamenlijk te noemen: eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college (gemachtigde: mr. A. Kwint). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Over Vastgoedontwikkeling BV uit Stadskanaal, vergunninghouder (gemachtigde: mr.drs. M.I. Jaarsma). Inleiding
- In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser en eiseres tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een supermarkt en 20 appartementen aan [adres 1] te [woonplaats] . 1.
- Het college heeft deze vergunning met het besluit van 5 maart 2024 verleend. 1.
- Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was G. Metselaar, werkzaam bij de gemeente, aanwezig. Namens vergunninghouder waren [derde 1] en [derde 2] en de gemachtigde aanwezig. Overwegingen
- De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 3.
- De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 11 maart
- Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.
- De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze tussenuitspraak.
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 4.
- Vergunninghouder is eigenaar van het perceel [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Vergunninghouder wil op het perceel nieuwbouw realiseren, waarin op de begane grond een supermarkt gevestigd zal worden en daarboven 20 appartementen. Daartoe heeft vergunninghouder op 11 maart 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan gedaan. 4.
- Op het perceel rustte ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de bestemming ‘Centrum’ op grond van het bestemmingsplan ‘Ter Apel Dorp’ (hierna: het bestemmingsplan Dorp). Op grond van deze bestemming zijn zowel ‘wonen’ als ‘detailhandel’ toegestaan. Voorts gold voor het perceel het ‘Facetbestemmingsplan parkeren Westerwolde’, dat op 2 november 2022 vastgesteld is (hierna: het facetbestemmingsplan). 4.
- De gemeenteraad heeft een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven. 4.
- Eiser is eigenaar van het perceel [adres 2] te [woonplaats] , waar nu de Coöp is gevestigd. Dit perceel ligt aan de andere kant van [straat] , tegenover het perceel. Eiseres exploiteert een Jumbo supermarkt in het centrum van [woonplaats] . Beiden hebben een zienswijze gegeven op de ontwerp-omgevingsvergunning. 4.
- Bij besluit van 5 maart 2024 heeft het college besloten de omgevingsvergunning te verlenen. De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk en voor het afwijken van het bestemmingsplan. De toestemming voor afwijking is verleend voor de toevoeging van 20 appartementen, als toevoeging op het bestaande aantal. Daarnaast werden het bouwvlak en de bouw- en goothoogte overschreden. Tot slot kende het bestemmingsplan Dorp geen mogelijkheid om uitstekende delen, zoals balkons, buiten het bouwvlak aan te brengen. Het college stelt zich op het standpunt dat meegewerkt kan worden aan de afwijking van het bestemmingsplan omdat het bouwplan voorziet in de bouw van 20 middelhuur appartementen in de centrumkern en daarmee voldoet aan de Product-Marktcombinatie-strategie (PMC-strategie). Vanwege de vergrijzing is behoefte aan levensloopgeschikte woningen. Dit initiatief bevindt zich in de centrumkern van [woonplaats] op zeer korte afstand van voorzieningen. Daarmee is de locatie uitermate geschikt voor de doelgroep die met een afnemende mobiliteit te maken kan hebben. Het college verwijst voor de motivering dat er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening voorts naar de ruimtelijke onderbouwing, die vergunninghouder heeft overgelegd. Parkeren
- Eiser en eiseres stellen dat de beoogde ontwikkeling voor het onderdeel parkeren niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat de omgevingsvergunning op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd is. Het bouwplan is in strijd met artikel 4.1, onder a, van het facetbestemmingsplan. Om het bouwplan te realiseren, had het college een omgevingsvergunning voor het afwijken van het facetbestemmingsplan moeten verlenen. Afwijking is slechts mogelijk indien een parkeeronderzoek wordt overgelegd dat aantoont dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. De ruimtelijke onderbouwing en het parkeeronderzoek van Roelofs van 17 januari 2022, tonen dit niet aan. Bovendien is het parkeeronderzoek niet representatief, nu de tellingen in coronatijd hebben plaatsgevonden en niet meer actueel zijn. Eiser stelt daarnaast dat de cijfers in de ruimtelijke onderbouwing niet kloppen, nu in de ruimtelijke onderbouwing van een capaciteit van 118 parkeerplaatsen wordt uitgegaan terwijl uit het parkeeronderzoek van Roelofs blijkt dat er maar 113 plaatsen beschikbaar zijn. Ook gaat het college in de reactienota bij de vvgb ineens uit van de minimumnorm uit de CROW-publicatie 381, zonder te motiveren waarom niet meer van de eerder gehanteerde gemiddelde norm uitgegaan moet worden. Daarnaast heeft het college er geen rekening mee gehouden dat er een uitbreiding van het politiebureau aan het Molenplein is geweest in de zomer van 2024, waardoor een grotere parkeerbehoefte ontstaat. Eiser en eiseres wijzen erop dat, van welke cijfers er ook uitgegaan wordt, de huidige parkeercapaciteit uitgebreid dient te worden. Het college motiveert dat hieraan voldaan wordt door de herinrichting van het Molenplein, maar deze herinrichting is op geen enkele wijze juridisch geborgd en daarmee is niet verzekerd dat deze nieuwe parkeerplaatsen daadwerkelijk zullen zijn gerealiseerd ten tijde van de oplevering van de vergunde nieuwbouw. Eiseres wijst erop dat, zelfs als de herinrichting wel meegenomen wordt, er nog steeds een tekort bestaat van 25 parkeerplaatsen. Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat voor dit tekort de benodigde parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. De ruimtelijke onderbouwing verwijst naar nieuw te realiseren parkeerplaatsen en reeds aanwezige parkeerplaatsen in de omgeving, maar maakt niet duidelijk waar die parkeerplaatsen dan zijn en of deze parkeerplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn. Ook blijkt uit het bestreden besluit niet of voor wat betreft het laden en lossen getoetst is aan artikel 4.2 van het facetbestemmingsplan. Eiseres stelt dat er onvoldoende ruimte is voor vrachtwagens om bij de laad- en losruimte te komen, omdat vrachtwagens op de plaats waar het laden en lossen is voorzien de bocht niet kunnen maken. 5.
- Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het facetbestemmingsplan nog niet in werking was getreden ten tijde van de aanvraag. Volgens het college moet bij het nemen van een besluit in principe het recht toegepast worden zoals dat op dat moment geldt, behalve indien ten tijde van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning, zo volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2619). Het onderdeel parkeren is bovendien beoordeeld, zoals bedoeld volgens de regels van het facetbestemmingsplan, nu getoetst is aan de normen uit de CROW-publicatie 381 van december 2018 (Toekomstbestendig parkeren). Geconstateerd moet worden dat het bouwplan voldoet aan het facetbestemmingsplan, uitgaande van de parkeercijfers zoals de CROW die heeft bedoeld, de bandbreedte van de normstelling die is aangegeven, de intenties die zijn verwoord in de toelichting op het bestemmingsplan en steunend op het parkeeronderzoek van Roelofs, waar de parkeerdruk en -duur is aangegeven. De parkeerbehoefte en de manier waarop daarin wordt voorzien is bovendien zeer uitdrukkelijk aan de orde geweest bij de beoordeling van het verzoek om vergunning, in de zienswijzen en tijdens de discussie (in twee termijnen) in de gemeenteraad. Het college mag er daarom van uitgaan dat de gemeenteraad in kan stemmen met een afwijking van het facetbestemmingsplan.Het college stelt zich voorts op het standpunt dat voldoende onderbouwd is dat in voldoende mate in de parkeerbehoefte zal worden voorzien. Dat in de ruimtelijke onderbouwing op een andere wijze tot die conclusie wordt gekomen dan in de reactienota bij de vvgb betekent niet dat de ruimtelijke onderbouwing aangepast moet worden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt immers ook verwezen naar de reactienota. Tot slot stelt het college zich op het standpunt dat bij de berekening van de parkeerbehoefte van een te hoge norm is uitgegaan door de gemiddelde norm van de CROW-publicatie 381 te hanteren. Het college onderbouwt dit standpunt met een berekening van de parkeerbehoefte van de reeds gevestigde supermarkten aan de hand van de gemiddelde norm voor een supermarkt van 3,95 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlakte (BVO). Volgens het college corresponderen de uitkomsten van die berekeningen niet met de werkelijk waargenomen parkeerbezetting in het parkeeronderzoek van Roelofs. Bij het verweerschrift heeft het college een actueel parkeeronderzoek gevoegd van Roelofs van 15 oktober
- 5.
- De rechtbank is van oordeel dat het facetbestemmingsplan van toepassing was op de aanvraag en dus meegenomen had moeten worden bij het nemen van het besluit. Anders dan in de door het college aangehaald uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 bestond in dit geval geen rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning, omdat het bouwplan in strijd was met het geldende bestemmingsplan Dorp. Eiseres heeft ter zitting voorts gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, waarin de Afdeling bevestigt dat, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de hoofdregel moet worden toegepast dat bij het nemen van het besluit het recht wordt toegepast zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit. Het college had de aanvraag derhalve moeten toetsen aan het facetbestemmingsplan. 5.
- Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van het facetbestemmingsplan kan een omgevingsvergunning, waarbij een te verwachten behoefte aan parkeerplaatsen bestaat, slechts worden verleend indien in voldoende mate op eigen terrein wordt voorzien in ruimte voor parkeren. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van artikel 4.1, aanhef en onder a, van het facetbestemmingsplan, in geval van bijzondere omstandigheden of voor zover op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien. In het laatste geval kan alleen afgeweken worden, indien (onder andere) een parkeeronderzoek wordt overgelegd dat aantoont dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. 5.
- In het bouwplan wordt niet voorzien in parkeerruimte op eigen terrein. Het college had daarom een omgevingsvergunning voor het afwijken van artikel 4.1, aanhef en onder a, van het facetbestemmingsplan, moeten verlenen. Nu dit niet gebeurd is, is het bestreden besluit in strijd met de wet genomen. Het college zal alsnog moeten beslissen of een omgevingsvergunning kan worden verleend. Daarbij is, op grond van artikel 4.4, aanhef en onder c, van het facetbestemmingsplan vereist dat een onderzoek wordt overgelegd waaruit blijkt dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. In dit onderzoek kunnen de door eisers opgeworpen vragen aan de orde komen en kan een deskundige bepalen op welke wijze de criteria – zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 – vorm moeten krijgen in de praktijk. Goede ruimtelijke ordening en afgifte vvgb
- Eiseres stelt dat het college ten onrechte medewerking heeft verleend aan de overschrijding van het bouwvlak met 403 m
- De hele begane grond is bestemd voor de vestiging van de supermarkt. Voor eiseres is het onbegrijpelijk dat meegewerkt wordt aan een uitbreiding van het aantal winkelmeters, terwijl niet in geschil is dat er nu al sprake is van overaanbod en leegstand. Dit blijkt ook uit de gemeentelijke detailhandelsvisie en de distributieplanologisch analyse, waarvan de conclusie juist is dat sanering van het winkelaanbod gewenst is. De benadering in de ruimtelijke onderbouwing gaat volstrekt theoretisch uit van een reductie van het aantal winkelmeters. De ruimtelijke onderbouwing stelt dat, in de huidige situatie, op twee verdiepingen detailhandel mogelijk is, wat neerkomt op 3.000 m2 aan winkelmeters. In het bouwplan wordt uitgegaan van 2.000 m2 aan detailhandel en daarom zou sprake zijn van het terugbrengen van het totaal te realiseren vloeroppervlak ten opzichte van wat het bestemmingsplan mogelijk maakt. Eiseres stelt echter dat in een kern als Ter Apel detailhandel op twee verdiepingen niet realistisch is, helemaal niet als het om een supermarkt gaat. Met de omgevingsvergunning wordt bovendien geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, waardoor detailhandel op twee verdiepingen nog steeds mogelijk is. Het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 1.20 ter beperking van het winkelvloeroppervlak doet hier niet aan af, nu het BVO planologisch niet beperkt is. Eiseres stelt voorts dat de afgifte van de vvgb onzorgvuldig is geweest, omdat de gemeenteraad uitgaat van een verkeerde voorstelling van zaken. Met de contractuele afspraak tussen de gemeente en vergunninghouder wordt namelijk niet voorkomen dat een vijfde supermarktlocatie wordt toegestaan. De contractuele afspraak is niet als voorwaarde aan de vergunning verbonden en is dus niet publiekrechtelijk handhaafbaar. Bovendien kan in het pand waaruit de supermarkt vertrekt, wel degelijk een vijfde supermarkt worden gevestigd. Het besluit tot afgifte van de vvgb is daarom onzorgvuldig, want in strijd met de eigen bedoeling van de gemeenteraad. 6.
- Het college stelt zich op het standpunt dat het een misvatting is dat het bouwplan beoordeeld kan en moet worden op basis van een al dan niet aanwezige behoefte aan een nieuwe supermarktlocatie en de vraag of er al dan niet sprake is van een overaanbod aan detailhandel. Het bestemmingsplan staat vestiging van detailhandel toe. In de huidige situatie is dit op twee verdiepingen toegestaan, wat er ook zij van de mogelijkheid om dit feitelijk te realiseren. De vestiging van de supermarkt met het aantal vierkante meters voor de verkoop is bovendien nu al mogelijk, indien de niet direct aan verkoop gerelateerde onderdelen naar de eerste verdieping verplaatst worden. Daarvoor was geen overschrijding van het bouwvlak vereist. Het college stelt zich ten aanzien van de afgifte van een vvgb op het standpunt dat de gemeenteraad zich nooit uitgesproken heeft tegen de vestiging van een vijfde supermarkt. Dit door eiseres gestelde beleidsuitgangspunt volgt noch uit het bestemmingsplan noch uit enig beleid van de gemeenteraad. Het college benadrukt nogmaals dat, op grond van de op het perceel rustende bestemming ‘Centrum’, een supermarkt toegestaan is. De gemeenteraad heeft nooit aanleiding gezien hierop terug te komen. Ook heeft eiseres niet betoogd dat, als gevolg van de vestiging van een supermarkt aan het Molenplein, dit zal leiden tot relevante leegstand. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Gemeenteraad van State (hierna: de Afdeling) van 13 april 2020, ECLI:NL:RVS:2022:
- 6.
- Vast staat dat het bouwplan op drie punten in strijd is met het bestemmingsplan, namelijk ten aanzien van de realisatie van de 20 appartementen boven het gemaximeerde aantal woningen, de bouw- en goothoogte en de overschrijding van het bouwvlak. Eiseres komt alleen op tegen de overschrijding van het bouwvlak. Eiseres beroep richt zich tegen de overschrijding van het bouwvlak vanwege de toename van het BVO. Daarbij spelen geen direct ruimtelijke motieven een rol, maar maakt de overschrijding van het bouwvlak naar de mening van eiseres een uitbreiding van het aantal winkelmeters mogelijk, terwijl rapporten laten zien dat er reeds overaanbod bestaat. 6.
- De rechtbank is het met het college eens dat het bouwplan niet leidt tot extra meters winkeloppervlak ten opzichte van wat nu reeds bij recht toegestaan is zodat daarin geen grond gelegen is om tot de conclusie te komen dat het college niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank is daarnaast met eiseres van oordeel dat op zich, door het toestaan van de overschrijding van het bouwvlak op deze locatie, de komst van de supermarkt wel vergemakkelijkt wordt. 6.
- Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend, als de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 6.
- De rechtbank overweegt dat de kern van het betoog van eiseres is dat de ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit tekortschiet omdat door dit besluit een uitbreiding van het aantal winkelmeters mogelijk wordt gemaakt en daarmee tot een (verdere) verslechtering van het ondernemersklimaat in Ter Apel zal leiden. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige bouwplan uitgaat van een supermarkt op de begane grond en appartementen op de eerste verdieping. Door de bouw van appartementen op de eerste verdieping kan de ruimte op deze verdieping feitelijk niet meer gebruikt worden ten behoeve van de vestiging van detailhandel. In die zin is er bij het gebruik van de vergunning sprake van een afname van het in potentie aanwezige winkeloppervlak. In het geval de vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan niet gebruikt wordt, kan op het perceel gebouwd worden wat nu al bij recht is toegestaan. Het geldende bestemmingsplan staat op deze locatie detailhandel toe op twee verdiepingen, op een oppervlakte van 3.000 m
- Zoals door het college ter zitting is toegelicht, is ook binnen het geldende bouwvlak de realisatie van de gewenste vierkante meters vloeroppervlak voor de verkoop te realiseren door een aantal van de ondersteunende ruimtes naar de eerste verdieping te verhuizen. De uitbreiding van het bouwvlak is daarom niet bepalend voor de realisatie van de supermarkt. Die uitbreiding draagt wel bij aan de realisatie van het bouwplan in zijn gewenste vorm waarbij ook een groot aantal appartementen mogelijk wordt gemaakt hetgeen volgens het college een zeer gewenste ruimtelijke ontwikkeling is. Eiseres heeft dit niet bestreden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het college, ook gezien de geringe overschrijding van het bouwvlak ten opzichte van de totale oppervlakte, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om medewerking te verlenen aan de overschrijding van het bouwvlak, in afwijking van het bestemmingsplan . 6.
- De rechtbank kan eiseres voorts niet volgen in het betoog dat het besluit tot afgifte van de vvgb door de gemeenteraad onzorgvuldig is geweest. Uit bijlage 1 bij de vvgb, de reactienota naar aanleiding van zienswijzen op de ontwerp-vvgb, blijkt dat expliciet besproken is dat een vijfde supermarkt zich zou kunnen vestigen in het vrijkomende pand van de Coöp. De rechtbank ziet dan ook niet in waaruit de verkeerde voorstelling zou bestaan en is van oordeel dat de gemeenteraad zijn besluit voldoende geïnformeerd heeft kunnen nemen. Aanhaakplicht natuur
- Eiseres stelt dat uit het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat niet uitgesloten is dat, als gevolg van het vergunde project – dat mede voorziet in sloop van de bestaande bebouwing – verbodsbepalingen worden overtreden uit de Wet natuurbescherming (Wnb). In de ruimtelijke onderbouwing staat dat, om dit vast te stellen, nader onderzoek nodig is. Ten tijde van de vergunningverlening was dit nadere onderzoek echter nog niet afgerond. Het college heeft daarom een voorschrift aan de vergunning verbonden dat vergunninghouder een ontheffing aanvraagt wanneer dit nodig is. Het college heeft hiermee geen rekening gehouden met de aanhaakplicht. Op grond van de aanhaakplicht had het college vergunninghouder in de gelegenheid moeten stellen om stukken in te dienen, waaruit blijkt dat een ontheffing niet nodig is, of dat wordt voldaan aan de daarvoor toepasselijke beoordelingsregels. 7.
- Het college stelt zich op het standpunt dat met het opnemen van de voorwaarde van het aanvragen van een eventueel benodigde ontheffing, voordat met sloop wordt begonnen, het enige juiste is gedaan in deze situatie. Het verlenen van de ontheffing behoort tot de competentie van Gedeputeerde Staten. Omdat het mogelijk is om tijdig tijdelijke verblijfplaatsen te realiseren in de directe omgeving van het project en er in het project permanente voorzieningen voor vleermuizen kunnen worden opgenomen, is er in redelijkheid aan te nemen dat ontheffing verkregen wordt. De stelling dat het nog niet uitvoeren van vervolgonderzoek een beletsel zou zijn voor de verlening van de vergunning is daarnaast niet te volgen, omdat nader onderzoek enkel zou hebben uitgewezen dat nader onderzoek vóórdat begonnen werd met de sloopwerkzaamheden zou moeten plaatsvinden. 7.
- Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Niet in alle gevallen behoeft echter op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan individuele belangen. Deze individuele belangen kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van deze belangen. Indien een partij zich beroept op schending van de bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten in verband met de aanwezigheid van een beschermde soort in het plangebied, ontbreekt deze verwevenheid, wanneer het belang van deze partij is gelegen in diens bedrijfseconomische belangen, waaronder diens concurrentiebelang en het belang bij het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten, en de door deze partij ontplooide bedrijfsactiviteiten niet worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied. 7.
- In het onderhavige geval gaat het om de bescherming van vleermuizen. Eiseres heeft niet gesteld, noch is het de rechtbank gebleken, dat de bedrijfsactiviteiten van eiseres beïnvloed worden door de instandhouding van de populatie vleermuizen. De betrokken normen van de Wnb strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eiseres. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Mer-beoordelingsbesluit
- Eiseres stelt dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Wanneer zo’n besluit wel was genomen, had de conclusie moeten zijn dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand niet uit te sluiten zijn. Eiseres wijst in dat kader op hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de natuurontheffing. 8.
- Het college stelt zich op het standpunt dat het wettelijk voorschrift aangaande de m.e.r.-beoordeling geen voorschrift is ter bescherming van de belangen van eiseres. Inhoudelijk stelt het college zich op het standpunt dat weliswaar een formeel m.e.r.-beoordelingsbesluit ontbreekt, maar dat dit niet afdoet aan de conclusie dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Het college heeft onderbouwd dat een eventuele natuurontheffing met een vergunningvoorschrift is geborgd. Uit de overgelegde onderzoeken blijkt ook dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn bij andere onderwerpen. 8.
- De rechtbank constateert dat eiseres zich in het kader van deze beroepsgrond alleen heeft beroepen op de gevolgen voor de vleermuizen. Andere milieugevolgen heeft eiseres niet gesteld. Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb, brengt met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van sectorale wetgeving, zoals de Wnb, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten behoeve van het betoog dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit had moeten worden genomen. Deze grond van eiseres kan daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Conclusie en gevolgen
- Zoals hiervoor is overwogen kunnen de gronden van eiser en eiseres niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden met uitzondering van hetgeen in 5.4 is overwogen ten aanzien van het parkeren. Het besluit is in strijd met artikel 4 van het Facetbestemmingsplan parkeren Westerwolde genomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college beoordelen of een omgevingsvergunning verleend kan worden voor het afwijken van artikel 4.1, aanhef en a, van het facetbestemmingsplan kan worden verleend. Daartoe zal het college een onderzoek moeten (laten) uitvoeren waaruit blijkt dat in de benodigde parkeerplaatsen kan worden voorzien, onder beredeneerde toepassing van de criteria uit de CROW-publicatie
- De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 9.
- Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 9.
- Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877). 9.
- De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruikmaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde Artikel 4.1 Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan parkeerplaatsen wordt de omgevingsvergunning slechts verleend indien; In voldoende mate op eigen terrein wordt voorzien in ruimte voor parkeren; de beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s bij, in, op of onder het gebouw, zoals gesteld onder sub a. wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 381-december 2018, of de meest actuele uitgave), dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels van de gemeente Westerwolde ten aanzien van parkeren bepaald. Artikel 4.3 Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de leden 4.1 en 4.2: indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Artikel 4.4 Afwijken van de regels, als bedoeld in de leden 4.1 en 4.2 is slechts mogelijk, indien; (…) (…) bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3 een parkeeronderzoek wordt overgelegd dat aantoont dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor het parkeeronderzoek worden de richtlijnen van het CROW gehanteerd. ECLI:NL:RVS:2021:
- Artikel 4.3 van het facetbestemmingsplan. Artikel 4.4, aanhef en onder c, van het facetbestemmingplan Uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136 Vgl. de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.