RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.072156.24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december
(22)te [geboorteplaats] Beginnend bestuurder Ja VORDERING Schorsing periode vanaf 17-03-2023 t/m 20-09-2023 Ingeleverd bij Cbr Divisie Vordering Feitelijke inleverdatum schorsing 29-03-2023 Bewijsoverwegingen Feit 1 primair Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 20 augustus 2023 reed verdachte als bestuurder van een personenauto over [adres] te Groningen. Hij kwam uit de richting van de N370 en naderde de kruising met [adres] . Verdachte sloeg op deze kruising linksaf waarbij hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden. Daardoor heeft verdachte [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ), die op [adres] richting [adres] fietste, aangereden. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] leidt de rechtbank af dat verdachte die dag om omstreeks 5.00 uur dronken was. Uit het WhatsAppgesprek tussen verdachte en zijn vader blijkt verder dat verdachte zichzelf omstreeks 12:03 uur nog steeds “een beetje dronken” vindt en er blijkbaar niet zeker van is of hij zich voor wat betreft het alcoholgehalte in zijn lichaam al veilig bij de politie kan melden. Tot slot blijkt uit de verklaring van verdachte bij de politie dat hij tijdens het uitgaan had gedronken en zich aangeschoten voelde. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet hierop worden geconstateerd dat verdachte ten tijde van het ongeval, omstreeks 9.25 uur, onder invloed verkeerde van meer dan de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte een beginnend bestuurder is, waarvoor scherpere normen voor alcoholgebruik in het verkeer gelden. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebruik van alcohol het inschattings- en reactievermogen vermindert. Nu het ongeval heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag, zonder dat sprake was van zichtbeperkende (weers)omstandigheden1 is de rechtbank van oordeel dat het alcoholgebruik van verdachte heeft bijgedragen aan het feit dat hij [slachtoffer] over het hoofd heeft gezien, de bocht naar links teveel heeft afgesneden en [slachtoffer] heeft aangereden. Verdachte was er daarbij tevens van op de hoogte dat zijn rijbewijs was geschorst en dat hij in het geheel niet als bestuurder van de personenauto had mogen optreden. Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval zoals hiervoor overwogen beschouwt de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Derhalve is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
- De handelwijze van verdachte heeft geleid tot een ongeval waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht feit 1 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen. Bijgevolg acht de rechtbank de feiten 3 (het rijden onder invloed van alcohol) en 4 (het rijden terwijl het rijbewijs is geschorst) ook wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte direct na de aanrijding de plaats van het ongeval heeft verlaten. Met een zwaar beschadigde voorruit en de fiets van [slachtoffer] onder zijn auto is verdachte doorgereden naar [adres] . Daar heeft hij de auto geparkeerd, de voorste kentekenplaat van de auto verwijderd en zich vervolgens uit de voeten gemaakt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte op het moment van de aanrijding had moeten weten dat hij een medeweggebruiker had aangereden. De verklaring van verdachte dat hij na de aanrijding eerst dacht dat hij een vogel had geraakt schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. De klap van de aanrijding, waardoor er voor verdachte direct zichtbare schade aan zijn auto was ontstaan (immers een zwaar beschadigde voorruit) vond plaats midden op de rijbaan, een plaats waar zich andere weggebruikers kunnen bevinden. Als verdachte voorafgaand aan de klap niemand heeft gezien, dan had hij in ieder geval na de klap redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij iemand had geraakt en had hij moeten stoppen om zich ervan te verzekeren dat dit niet het geval was. Dat heeft verdachte niet gedaan. Bovendien had verdachte na de klap een fiets onder zijn auto die hij over de straat meesleepte. Dat maakte dusdanig veel lawaai dat dat in de woning van getuige [getuige 2] te horen was. Verdachte hoorde dit geluid blijkens zijn verklaring ook. Reden temeer waarom verdachte had moeten stoppen om te bezien wat er was gebeurd. Doordat verdachte dat niet heeft gedaan heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval. Maar ook in tweede instantie, toen verdachte in [adres] de fiets onder zijn auto zag liggen en, zoals hij zelf heeft verklaard, begreep dat hij dan iemand moest hebben aangereden, is verdachte niet tot inkeer gekomen en teruggegaan naar de plaats van het ongeval om uit te zoeken welke gevolgen de aanrijding voor een mogelijk slachtoffer hadden gehad. In plaats daarvan heeft verdachte zich kennelijk enkel om zichzelf bekommerd en heeft hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. De rechtbank acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1, primair hij op 20 augustus 2023 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] en [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, als beginnend bestuurder, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs was geschorst, te rijden onder invloed van een hoeveelheid alcohol, waarvan hij wist dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen, en op het kruispunt [adres] / [adres] niet zo veel mogelijk rechts te houden, als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met een fietser, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) ribfracturen, wond in de hals, wond op het hoofd, en bloeding in de hersenen, werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;
- hij op 20 augustus 2023 te Groningen, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval op [adres] en [adres] , de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht, en terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, die [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
- hij op 20 augustus 2023 te Groningen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
- hij op 20 augustus 2023 te Groningen, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, [adres] , [adres] en [adres] , een motorrijtuig (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: 1, primair, 3 en 4: de eendaadse samenloop van: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994; en overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994; en overtreding van artikel 9, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
- overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en c van de Wegenverkeerswet
- Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot: een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van 3 jaren; een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan meerdere ernstige verkeersdelicten terwijl hij in het geheel geen auto mocht besturen omdat zijn rijbewijs was geschorst en terwijl hij stevig onder invloed van alcohol verkeerde. Door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft verdachte een aan zijn schuld te wijten ongeval veroorzaakt waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Verdachte heeft zich na het ongeval in het geheel niet om het slachtoffer bekommerd. Sterker nog, hij heeft de plaats van het ongeval verlaten en het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Hiermee heeft verdachte zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op een verkeersdeelnemer die een ongeluk veroorzaakt, namelijk het helpen van iemand die door het handelen van verdachte letsel heeft en hulp nodig heeft. Ook daarna heeft verdachte er op zeer berekende wijze alles aan gedaan om zijn verantwoordelijkheid voor het ongeval te ontlopen. Hij heeft bij de politie in de eerste drie verhoren volgehouden dat de betreffende auto ten tijde van het ongeval was gestolen. Hij heeft ook bewust gewacht met zich te melden bij de politie, totdat de alcohol weer uit zijn lichaam was verdwenen. Blijkens de verklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgelezen heeft het ongeval een enorme negatieve impact op het slachtoffer gehad, zowel in fysieke als mentale zin. Ook voor het gezin van het slachtoffer zijn de gevolgen groot. Omdat de vrouw van het slachtoffer door chronische ziektes het huishouden niet zelfstandig kan doen en het slachtoffer nu ook zijn fysieke beperkingen heeft, moet hun dochter nu regelmatig langskomen om mantelzorg te verlenen. Gezien de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid. In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank verder gelet op het feit dat verdachte vorig jaar nog een strafbeschikking heeft gekregen voor het rijden zonder rijbewijs en dat hij in 2022 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. Verdachte was aldus een gewaarschuwd mens en heeft er toch wederom voor gekozen om te rijden terwijl zijn rijbewijs was geschorst en hij had gedronken, met alle ernstige gevolgen voor het slachtoffer van dien. Verdachte is voorts zonder bericht van verhindering niet ter terechtzitting verschenen en heeft zich in zoverre niet bereid getoond om ter terechtzitting zijn verantwoordelijkheid voor zijn strafbare gedrag te nemen. De rechtbank heeft ook gelet op het rapport van Reclassering Nederland van 1 oktober
- De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld tot hoog, mede gelet op eerdere veroordelingen en omdat verdachte naar de mening van de reclassering hoofdzakelijk rekening houdt met zijn eigen belangen en weinig tot geen berouw toont ten aanzien van de gepleegde delicten. Tevens zou verdachte in februari dit jaar wederom zijn aangehouden voor het rijden zonder rijbewijs waarbij hij mogelijk onder invloed was, zo heeft de politie aan de reclassering meegedeeld. De reclassering adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden die samengevat het volgende inhouden: meldplicht bij reclassering; gedragsinterventie cognitieve vaardigheden; ambulante behandeling; meewerken aan middelencontrole. De rechtbank ziet reden de reclassering te volgen in het advies en zal aan verdachte conform de eis van de officier van justitie opleggen, een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, zoals in het dictum nader uitgewerkt. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. De rechtbank ziet reden om de ontzegging op te leggen voor een langere termijn dan de officier van justitie heeft gevorderd, te weten voor de duur van 3 jaar. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 9 en 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet
- Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden: dat de veroordeelde zich na het ingaan van de proeftijd binnen vijf werkdagen zal melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover in andere voorwaarden niet al benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor veroordeelde zich in zal zetten deze te behalen; dat de veroordeelde actief deelneemt aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; dat de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en, indien geïndiceerd, een behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is gericht op zijn delictgedrag, en het niet/nauwelijks ervaren van berouw. De behandeling start na aanmelding vanuit de toezichthouder. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en/of drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles betreffen. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Ten aanzien van feit 1 voorts: ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 3 jaren. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december
- Zie het proces-verbaal FO Verkeer (forensisch onderzoek plaats delict) d.d. 3 oktober 2023, pagina 34.