RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-012798 cjib-nummer : 8072542300000461 Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 17 december 2025 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop Op 14 mei 2025 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum Noord het beroepschrift van veroordeelde ontvangen en doorgezonden naar de rechtbank. Het beroep is ingesteld tegen de op 13 maart 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 4 januari 2018 door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 58.500,00. Veroordeelde en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde heeft tevoren schriftelijk laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling en hij heeft zijn standpunt nog schriftelijk aangevuld. Veroordeelde is niet verschenen. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. A.J. Kemkers. Motivering 1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep. 2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld. 3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. 4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. 5. Veroordeelde heeft gesteld dat: tenuitvoerlegging disproportioneel is en zal leiden tot ernstige financiële ontwrichting; hij geen binding met België heeft en er geen praktisch belang of noodzaak is om de beslissing via Nederlandse autoriteiten ten uitvoer te leggen; het confiscatiebevel een vervolgstraf is na de strafrechtelijke afdoening waardoor het essentieel is dat de Nederlandse staat een proportionaliteitstoets toepast waarbij het EVRM vereist dat wordt gekeken naar draagkracht en individuele omstandigheden; er sprake is van schending van artikel 11 van de Verordening 2018/1805 (onevenredige tenuitvoerlegging) en overtreding van de verplichtingen uit de artikelen 4:5, 4:93 en 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 6. Veroordeelde heeft de rechtbank daarnaast verzocht te beslissen dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.