← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2025:5653

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/5392 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter concludeert dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang bestaat. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
  4. Verzoeker heeft bij het college een uitkering ingevolge de Participatiewet aangevraagd. Met een besluit van 18 juni 2024 is deze aanvraag afgewezen. Met een besluit van 5 november 2024 is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 juni 2024 ongegrond verklaard.
  5. Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 augustus 2025 is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 5 november 2024 gegrond verklaard, is het besluit van 5 november 2024 vernietigd en is bepaald dat aan verzoeker een voorschot wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande vanaf 30 juli 2025 tot 6 weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
  6. Verzoeker heeft op 19 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker geeft aan dat het college nog niet opnieuw op het bezwaar heeft beslist en verzoekt de voorzieningenrechter om het college te instrueren om verzoeker medisch te laten keuren.
  7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten, zonder het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet gebleken van de noodzaak om bij wijze van voorlopige voorziening het college op te dragen verzoeker medisch te laten keuren. De voorzieningenrechter is ook van een financiële noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen niet gebleken. Conclusie en gevolgen
  8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 december
  9. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.