← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2025:5925

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/979 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen [verzoekers], uit [woonplaats], verzoekers (gemachtigde: A. Kwint-Ocelikova), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tynaarlo (gemachtigden: M. Nuijens, R.I. Waijer en C. Lubbinge). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] uit [woonplaats] en [derde-partij 2], gevestigd te [woonplaats] (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers tegen een last onder dwangsom. Verzoekers zijn het niet eens met de last onder dwangsom die het college aan hen heeft opgelegd, die inhoudt dat zij een grondwal aan de [adres] moeten verwijderen en verwijderd moeten houden. Zij hebben daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de last onder dwangsom wordt geschorst tot zes weken nadat op het beroep daartegen is beslist. 1.
  2. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening af tegen het algemene belang van handhaving en belangen van omwonenden. 1.
  3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Procesverloop
  4. Op 14 april 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat er op het perceel naast de [adres] een wal is opgericht zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. 2.
  5. Op 5 september 2024 heeft het college aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden tegen de grondwal, door het nemen van een last onder dwangsom. 2.
  6. Op 11 oktober 2024 hebben verzoekers een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een houtwal ingediend. Het college heeft deze aanvraag geweigerd. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen deze weigering. Met het besluit van 8 april 2025 heeft college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Tegen dat besluit hebben verzoekers beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer LEE 25/
  7. 2.
  8. Het college heeft met het besluit van 13 maart 2025 aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat zij een grondwal op het perceel aan de [adres] moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, op straffe van een dwangsom van €2.5000 per week of deel van week, met een maximum van €25.
  9. 2.
  10. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 3 juni 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat het primaire besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 2.
  11. Met het wijzigingsbesluit van 26 augustus 2025 heeft het college het besluit van 13 maart 2025 gewijzigd. Het college heeft de motivering van het besluit aangevuld. Ook heeft het college bepaald dat verzoekers binnen 12 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar de grondwal moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per week of deel van die week, met een maximum van € 25.
  12. 2.
  13. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften van de gemeente Tynaarlo (de commissie). De commissie heeft het college op 6 oktober 2025 geadviseerd om het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 13 maart 2025 ongegrond te verklaren, en gelet op het verloop van de procedure en de lopende beroepsprocedure bij de rechtbank in LEE 25/1837, de begunstigingstermijn pas te laten ingaan nadat op het beroep is beslist. 2.
  14. Met het bestreden besluit van 16 maart 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de nieuwe begunstigingstermijn vastgesteld op 15 april
  15. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is geregistreerd onder het zaaknummer LEE 26/
  16. 2.
  17. Naar aanleiding van een verzoek daartoe door de rechtbank heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken nadat uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. 2.
  18. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd. 2.
  19. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college, [derde-partij 1] en de gemachtigde van [derde-partij 2]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader
  20. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Kan de voorzieningenrechter direct uitspraak doen in de bodemzaak?
  21. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:86 van de Awb ‘kortsluiten’, door onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep. Hij kan van die bevoegdheid gebruik maken als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. 4.
  22. Ter zitting is gebleken dat in het beroep tegen de last onder dwangsom met zaaknummer LEE 26/980 door eisers een nader stuk is ingebracht dat door de rechtbank abusievelijk niet is doorgezonden aan derde-partijen. Zorgvuldige behandeling van het beroep vereist dat zij alsnog in de gelegenheid worden gesteld op het nadere stuk te reageren. Om die reden maakt de voorzieningenrechter geen gebruik van zijn bevoegdheid tot kortsluiten. Afweging van de betrokken belangen
  23. Ter zitting is door partijen desgevraagd aangegeven welke belangen zij hebben bij het toewijzen respectievelijk afwijzen van het schorsingsverzoek. 5.
  24. Verzoekers hebben aangegeven dat het weghalen van de wal leidt tot kosten en onomkeerbare effecten. De wal staat er namelijk al vier jaar en is inmiddels begroeid. Als de wal verwijderd moet worden zal de beplanting tenietgaan. Als blijkt dat het aanleggen van de houtwal tóch rechtmatig was zal het weer vier jaar duren voor de beplanting terug is. 5.
  25. Het college heeft aangegeven dat het belang bij handhaving is gelegen in het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met de juridisch toegestane situatie. Ook de belangen van de omwonenden spelen daarbij een rol. Door derde-partijen is aangegeven dat omwonenden lang genoeg tegen de wal aan hebben gekeken. De wal heeft bovendien gevolgen voor de waarde van de naastgelegen woningen die uitkijken op de wal. 5.
  26. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst de opgelegde last onder dwangsom tot 6 weken na de uitspraak op het beroep over de last onder dwangsom met zaaknummer LEE 26/
  27. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van verzoekers om te voorkomen dat de wal mogelijk onverplicht moet worden verwijderd zwaarder weegt dan het algemene belang van handhaving en de belangen van omwonenden, mede gelet op de verwachte duur van de schorsing in relatie tot de looptijd van de procedure sinds
  28. Conclusie en gevolgen
  29. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep. 6.
  30. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgt verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst de last onder dwangsom; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni
  31. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBNNE:2025:
  32. Het stuk heeft ook betrekking op het onderhavige verzoek met zaaknummer LEE 26/979 en het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning met zaaknummer LEE 25/1837.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.