Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:1126
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/156 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres, en de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2024 een aanslag in de rioolheffing opgelegd voor het perceel [adres 1] ten bedrage van € 190 (de aanslag rioolheffing).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben nadere stukken overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten 2. Eiseres is eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel). Het perceel maakt deel uit van het recreatieterrein [recreatieterrein] (het recreatieterrein).
2.1.
Eiseres is opgericht om onder meer de collectieve belangen te behartigen van haar leden. De leden van eiseres zijn eigenaren van percelen op het recreatieterrein.
2.2.
Op het recreatieterrein ligt een rioleringsstelsel. Dit rioleringsstelsel is aangelegd door eiseres en betaald door haar leden. Het rioleringsstelsel op het recreatieterrein wordt door eiseres onderhouden.
2.3.
Het perceel is aangesloten op het rioleringsstelsel van het recreatieterrein. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via het rioleringsstelsel van het recreatieterrein, dat op zijn beurt is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
2.4.
Tussen eiseres en de gemeente Hoogezand-Sappemeer (later opgegaan in de gemeente Midden-Groningen, 2.6.) is een overeenkomst gesloten teneinde de percelen van het recreatieterrein als één geheel te belasten voor de rioolrechten (de overeenkomst). De overeenkomst ging per 1 januari 1994 in. In de overeenkomst staat – voor zover hier van belang – het volgende: “1. De gemeente is bereid de WKS [de rechtbank begrijpt: eiseres] aan te merken als belastingschuldigde voor de te heffen rioolrechten. Aanslagen rioolrecht worden opgelegd over het gezamenlijke eigendom, gelegen aan [adres 2] .Deze aanslagen worden opgelegd aan de belastingplichtige t.w. de gezamenlijke eigenaren en gebruikers van bovengenoemd eigendom.
Over het gezamenlijke eigendom worden jaarlijks wegens een directe aansluiting op het gemeentelijke riool één aanslag wegens eigendom etc. (zgn. aansluitrecht ) opgelegd en één aanslag wegens gebruik (zgn. afvoerrecht) opgelegd, respectievelijk overeenkomstig de leden 1. en 2b. van artikel 5 van desbetreffende gemeentelijke verordening. (…) 5. Deze overeenkomst kan door ieder van de partijen worden beëindigd met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het lopende heffingsjaar. Beëindiging heeft tot gevolg dat wegens een indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering voornoemde woonruimten als zodanig afzonderlijk in de heffing worden betrokken.”
2.5.
Tot en met 2021 is uitvoering gegeven aan de overeenkomst. De eigenaren van percelen op het recreatieterrein werden hierdoor niet betrokken in de rioolheffing voor hun eigenarendeel.
2.6.
Per 1 januari 2018 zijn de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde opgegaan in de gemeente Midden-Groningen.
2.7.
Op 18 november 2021 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een brief gestuurd over de rioolheffing. Hierin is het volgende opgenomen: “Tot op heden krijgen eigenaren van percelen op ' [recreatieterrein] ' geen aanslag voor de rioolheffing.
Uit onderzoek is gebleken dat de percelen op ' [recreatieterrein] ' direct dan wel indirect zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering en volgens de verordening in de rioolheffing moeten worden betrokken. In de verordening staat namelijk dat aan iedere eigenaar van een perceel, dat direct dan wel indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, een aanslag rioolheffing dient te worden opgelegd.
In de verordening rioolheffing 2021 zijn daarvoor de navolgende tarieven opgenomen:
In 1994 is een private overeenkomst overeengekomen tussen [eiseres] en het college B&W van de (voormalige) gemeente Hoogezand-Sappemeer, waarin is vastgelegd dat voor het gezamenlijke eigendom jaarlijks een aanslag rioolheffing aan de WKS wordt opgelegd. In de overeenkomst is in artikel 5 vastgelegd dat deze jaarlijks kan worden beëindigd. Omdat deze overeenkomst in strijd is met de onderhavige Verordening vervalt deze, met ingang van de inwerkingtreding van de Verordening rioolheffing 2022, van rechtswege. Overigens is de rioolheffing per 2022 niet van toepassing op het gezamenlijke eigendom, maar op het individuele eigendom.
De aanslag rioolheffing staat op de gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen 2022 die wij eind februari 2022 versturen. Op de aanslag staan ook de WOZ-beschikking en onroerendezaakbelastingen (OZB).”
2.8.
Vanaf het belastingjaar 2022 worden eigenaren van een perceel op het recreatieterrein aangeslagen voor hun eigenarendeel in de rioolheffing. Omdat eiseres eigenaar is van een perceel op het recreatieterrein (2.), is ook aan haar een aanslag rioolheffing (1.1.) opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag rioolheffing terecht heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Reikwijdte van het beroep 5. Eiseres heeft in haar beroep aangegeven dat zij het ook niet eens is met de aanslagen rioolheffing voor de jaren 2022 en 2023. Eiseres heeft tegen de aanslagen rioolheffing voor de jaren 2022 en 2023 geen bezwaar en beroep ingediend. De aanslagen over die jaren staan daarom onherroepelijk vast. Het is daarom niet mogelijk om via deze procedure alsnog voor die eerdere jaren in beroep te komen. De rechtbank zal in dit beroep alleen over de aanslag rioolheffing voor het jaar 2024 oordelen.
Is de aanslag rioolheffing terecht opgelegd?
Standpunten partijen 7. Eiseres heeft in haar beroep aangegeven dat het onduidelijk is hoe de rioolheffing, meer specifiek de indirecte rioolheffing, werkt. De heffingsambtenaar stelt dat hij conform de geldende wet- en regelgeving de aanslag rioolheffing heeft opgelegd.
Wettelijk kader 8. In artikel 228a, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet is het volgende bepaald: “1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
8.1.
De gemeenteraad van de Gemeente Midden-Groningen heeft in de openbare raadsvergadering van 21 december 2023 de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing van de gemeente Midden-Groningen 2024 (Verordening) vastgesteld. In de Verordening is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan, niet zijnde ongebouwd; b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; d. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater; c. het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en (…) 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Beoordeling door de rechtbank 9. De rechtbank overweegt dat artikel 228a van de Gemeentewet geen voorschriften bevat over de belastingplicht, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven, de tarieven en wat overigens voor de heffing van de rioolheffing van belang is. De gemeenteraad is dus vrij om aan deze elementen van de rioolheffing in de belastingverordening de invulling te geven die hij wenst, rekening houdend met het feit dat het bedrag van de gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Dit is slechts anders indien deze invulling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever in formele zin bij de toekenning van de bevoegdheid om rioolheffing te heffen, niet op het oog kan hebben gehad.
Had de overeenkomst opgezegd mogen worden?
Standpunten partijen 11. Eiseres stelt dat de overeenkomst niet eenzijdig door de gemeente mocht worden opgezegd. Volgens eiseres is die mogelijkheid verjaard. De overeenkomst is volgens eiseres nog steeds geldig en de heffingsambtenaar mocht daarom voor het jaar 2024 geen aanslag rioolheffing opleggen.
Beoordeling door de rechtbank 13. De rechtbank stelt voorop dat het de gemeente vrij stond om met eiseres in 1994 een overeenkomst te sluiten ter zake van de destijds geldende rioolrechten (later opgevolgd door de rioolheffing). Over de vraag hoe de heffingsambtenaar gebruik maakt van zijn bevoegdheid om aanslagen rioolrechten (later rioolheffing) op te leggen, kan de heffingsambtenaar namelijk afspraken maken. In dit geval zijn deze afspraken neergelegd in de overeenkomst. Bij de overeenkomst betrokken partijen en derden die geraakt worden door de overeenkomst (in dit geval de perceeleigenaren op het recreatieterrein), kunnen aan deze overeenkomst rechten ontlenen. Namelijk dat zij niet worden aangeslagen voor het rioolrecht (later de rioolheffing) zolang de overeenkomst geldt. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar dus niet in zijn standpunt dat de overeenkomst de belastingplicht en de maatstaf van heffing niet kan wijzigen. Ondanks dat het geschil over een privaatrechtelijke overeenkomst gaat, is de fiscale rechter in dit geval bevoegd deze te toetsen nu de overeenkomst mogelijk leidt tot belastingheffing.
Conclusie en gevolgen 18. Nu de heffingsambtenaar rechtsgeldig de overeenkomst eenzijdig heeft opgezegd (zie 17.) en aan het belastbare feit is voldaan (zie 10.), is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de aanslag rioolheffing heeft opgelegd.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 2 april 2026.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 8:1 in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1:2, eerste lid van de Awb.
Artikel 219, lid 2 van de Gemeentewet.
Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7771.
HR 21 april 2006, C04/300HR (Abacus/Staat), ECLI:NL:HR:2006:AU4548.
HR (civiele kamer) 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.3.
Op grond van artikel 6:248 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.
HR (civiele kamer) 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.3.
HR (civiele kamer) 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, r.o. 4.4.2.
Artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek.
Rechtbank Noord-Nederland (civiele kamer) 2 januari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2.