Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:1368
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/35, LEE 25/36, LEE 25/37, LEE 25/38, LEE 25/39, LEE 25/40, LEE 25/41, LEE 25/42, LEE 25/43, LEE 25/44, LEE 25/45, LEE 25/46, LEE 25/47, LEE 25/48, LEE 25/49, LEE 25/50, LEE 25/51, LEE 25/52, LEE 25/53, LEE 25/54, LEE 25/55, LEE 25/56, LEE 25/57, LEE 25/58, LEE 25/59, LEE 25/60, LEE 25/61, LEE 25/62, LEE 25/63, LEE 25/64, LEE 25/65, LEE 25/66, LEE 25/67, LEE 25/68, LEE 25/69, LEE 25/70, LEE 25/71 en LEE 25/72. uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova), en Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut (gemachtigden: mrs. B.C. Rots en B. van der Togt).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van 38 aanvragen van eiser om de vaste vergoeding voor het afhandelen van fysieke schade. Eiser is het niet eens met de afwijzingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beleid van het Instituut over de behandeling van een aanvraag tot schadevergoeding in verband met fysieke schade met toepassing van een vaste vergoeding, zoals dit is neergelegd in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (de Procedure en werkwijze), niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Eiser heeft 38 aanvragen ingediend voor de vaste vergoeding voor het afhandelen van fysieke schade. Het Instituut heeft deze aanvragen afgewezen met de besluiten van 12 augustus 2024 (LEE 25/42 en LEE 25/43), 14 augustus 2024 (LEE 25/37 en LEE 25/39), 16 augustus 2024 (LEE 25/35), 28 augustus 2024 (LEE 25/72), 19 augustus 2024 (LEE 25/38, LEE 25/40 en LEE 25/41) en 4 september 2024 (LEE 25/36, LEE 25/44, LEE 25/45, LEE 25/46, LEE 25/47, LEE 25/48, LEE 25/49, LEE 25/50, LEE 25/51, LEE 25/52, LEE 25/53, LEE 25/54, LEE 25/55, LEE 25/56, LEE 25/57, LEE 25/58, LEE 25/59, LEE 25/60, LEE 25/61, LEE 25/62, LEE 25/63, LEE 25/64, LEE 25/65, LEE 25/66, LEE 25/67, LEE 25/68, LEE 25/69, LEE 25/70 en LEE 25/71).
2.1.
Met de bestreden besluiten van 30 oktober 2024 op de bezwaren van eiser is het Instituut bij de afwijzing van deze aanvragen gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het Instituut heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader toegelicht bij brieven van 19 en 21 augustus 2025.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en B.G. Becker (voormalig gemachtigde). Namens het Instituut zijn verschenen mrs. B.C. Rots en B. van der Togt.
Beoordeling door de rechtbank 3. Met de bestreden besluiten heeft het Instituut 38 aanvragen van eiser om een vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade afgewezen, omdat eiser al drie keer gebruik gemaakt heeft van de vaste vergoeding. Niet in geschil is dat de aanvragen van eiser om deze reden op grond van de Procedure en werkwijze niet voor toewijzing in aanmerking komen. Eiser betoogt dat de door het Instituut toegepaste bepaling uit de Procedure en werkwijze in strijd is met het in artikel 1 van de Grondwet verankerde verbod op discriminatie en het (ongeschreven) gelijkheidsbeginsel (hierna: het gelijkheidsbeginsel).
3.1.
Eiseres heeft ter zitting het beroep met nummer LEE 25/34 ingetrokken. De rechtbank laat dit beroep daarom in deze uitspraak buiten bespreking.
De regeling vaste vergoeding 4. De Procedure en werkwijze bepaalt dat een aanvraag tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling, een vaste vergoeding, of door toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel.
4.1.
Met de vaste vergoeding handelt het Instituut een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade af door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000,- of € 5.000,-. De regeling voor de vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade is neergelegd in artikel 2.8 tot en met 2.10 van de Procedure en werkwijze en vormt een uitzondering op het uitgangspunt dat aanvragen om fysieke schade door het Instituut worden afgehandeld met toepassing van de individuele maatwerk-beoordeling. In de toelichting op de Procedure en werkwijze is overwogen dat met de vaste vergoeding is beoogd relatief kleine schades op een snelle en kostenefficiënte manier af te handelen en daarmee particuliere eigenaren te ontlasten.
4.2.
De voorwaarden waaronder een vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade kan worden aangevraagd en toegekend zijn vastgelegd in artikel 2.8 en 2.8a van de Procedure en werkwijze. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f van de Procedure en werkwijze biedt het Instituut een aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen, indien de aanvrager nog geen drie keer van een vaste vergoeding (…) gebruik heeft gemaakt (…). Artikel 2.8, zesde lid, aanhef en onder b, bepaalt dat het Instituut een aanvraag van een vaste vergoeding afwijst indien de aanvrager (…) inmiddels al drie keer van een vaste vergoeding (…) gebruik heeft gemaakt (…).
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
5.1.
Partijen onderschrijven dat artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze een -indirect- onderscheid maakt tussen enerzijds professionele beleggers, niet zijnde rechtspersonen (hierna verder aan te duiden als: beleggers), en anderzijds particuliere eigenaren. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting op dit artikel blijkt dat met het maximum van drie vaste vergoedingen is beoogd particuliere eigenaren te ontlasten en dat de vaste vergoeding niet is bedoeld om (professionele) beleggers te ontlasten. Daaruit volgt dat met het maximum van drie vergoedingen ook is beoogd een onderscheid tussen particuliere eigenaren en beleggers te maken door particulieren eigenaren, in tegenstelling tot beleggers, te ontlasten voor alle onroerende zaken die zij redelijkerwijs in eigendom hebben (gehad).
5.2.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of het onderscheid discriminerend is, en daarom in strijd komt met artikel 1 van de Grondwet -en het (ongeschreven) gelijkheidsbeginsel-, ten eerste van belang is of beleggers en particuliere eigenaren met het oog op de vaste vergoeding als gelijke gevallen zijn te beschouwen. Zo ja, is ten tweede van belang of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling. Indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt, komt een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen neer op een door artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie.
5.3.
Omdat de toegepaste bepalingen uit de Procedure en werkwijze beleidsregels zijn zoals bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan de rechtbank de toegepaste bepalingen exceptief toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. Niet in geschil is dat de regeling vaste vergoeding is gebaseerd op de bevoegdheid van het Instituut om een procedure en werkwijze vast te stellen met een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt en dat de toegepaste bepalingen daarmee kwalificeren als binnenwettelijk beleid.
Is sprake van een onderscheid in gelijke gevallen?
6.1.
Het Instituut stelt dat het onderscheid tussen particuliere eigenaren en beleggers niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat beleggers en particuliere eigenaren van onroerende zaken met het oog op de vaste vergoeding geen gelijke gevallen zijn. Dit verschil volgt, aldus het Instituut, uit de hoedanigheden van deze eigenaren. Een belegger bezit vaak meerdere panden als zakelijke investering en deze panden worden professioneel beheerd met een zakelijke en meer afstandelijke houding. Een particuliere eigenaar daarentegen bezit doorgaans één woning, die hij zelf bewoont en waarmee hij een emotionele band heeft. Gelet hierop bestaat volgens het Instituut een verschil in schaal, doel, betrokkenheid, emotionele waarde en beheerwijze van onroerende zaken tussen een belegger en een particuliere eigenaar.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat particuliere eigenaren en beleggers met het oog op de vaste vergoeding geen gelijke gevallen zijn. Met de vaste vergoeding is beoogd om relatief kleine schades op een snelle en kostenefficiënte manier af te handelen en om particuliere eigenaren daarmee te ontlasten. Deze doelstelling geldt in mindere mate voor beleggers, omdat het vastgoed voor beleggers een bron van inkomsten is en het beheer daarvan onderdeel uitmaakt van dagelijkse werkzaamheden. Daarnaast is een belegger, anders dan een particuliere eigenaar, in de regel niet woonachtig in de onroerende zaken die hij in eigendom heeft. Het maximum van drie is gekozen omdat een eigenaar kan zijn verhuisd en/of een extra woning kan hebben.
Het Instituut heeft deugdelijk gemotiveerd dat de verlichting die de vaste vergoeding biedt vooral bedoeld is voorparticuliere eigenaren, omdat beleggers daarbij minder belang hebben. Zij verhouden zich op andere wijze tot het vastgoed, bijvoorbeeld doordat zij zijn ingericht voor zakelijk beheer en administratie. Gelet hierop verhouden beleggers zich ten opzichte van particuliere eigenaren op relevante andere wijze tot de onroerende zaken waaraan fysieke schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten kan zijn opgetreden. Voorts is van belang dat beleggers voor de onroerende zaken een aanvraag om vergoeding van fysieke schade kunnen doen waarop door het Instituut met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling wordt beslist.
Het niet meer dan drie keer in aanmerking komen voor de vaste vergoeding staat er om die reden niet in de weg aan een ruimhartige afhandeling van eventuele fysieke schade. Dat de individuele maatwerkbeoordeling voor panden van beleggers die al drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik hebben gemaakt ook meer capaciteit vergt van het Instituut, zoals eiser stelt, doet hier niet aan af.
6.3.
Het betoogt van eiser slaagt niet.
Conclusie en gevolgen 9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het Instituut de aanvragen van eiser terecht heeft afgewezen, omdat eiser al drie keer van een vaste vergoeding als bedoeld in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze gebruik heeft gemaakt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en mr. M.R. Gans en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Procedure en werkwijze Artikel 2.8 1. Het Instituut kan de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000, dan wel van € 5.000 indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.
Zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (de Procedure en werkwijze).
Zie artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze.
Zie artikel 2.1 van de Procedure en werkwijze.
Stcrt. 2022, 18235. Zie ook de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 oktober 2023 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 33 529, nr. 1175).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
Zie artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.