Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:1416
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/1321 en LEE 25/1322 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 april 2026 in de zaken tussen [eiseres], uit [woonplaats] , eiseres en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Den Haag, de inspecteur.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 maart 2025.
Zaaknummer LEE 25/1321 1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft gelijktijdig een verzuimboete opgelegd van € 385 (de verzuimboete) en € 193 aan belastingrente in rekening gebracht (belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2022 verminderd. De belastingrentebeschikking heeft hij dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboete heeft de inspecteur gehandhaafd.
Zaaknummer LEE 25/1322 1.4.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2022 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd.
1.5.
De inspecteur heeft gelijktijdig € 34 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.6.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de aanslag ZVW gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag ZVW en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente verminderd naar nihil.
Beide zaaknummers 1.7.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.9.
De inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om anoniem te procederen. De rechtbank heeft bij bericht van 27 januari 2026 medegedeeld het verzoek tot anoniem procederen toe te kennen.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens de inspecteur twee medewerkers van de Belastingdienst. Voorafgaand aan de zitting hebben deze twee personen zich geïdentificeerd bij de rechter.
1.11.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.
Feiten 2. Eiseres heeft in 2022 de volgende inkomsten genoten, waarop de volgende bedragen aan loonheffing zijn ingehouden:
Inhoudingsplichtige Brutoloon Loonheffing Gemeente Lelystad € 5.449 € 2.010 Gemeente Lelystad € 217 € 80 UWV € 4.100 € 978 [naam] (inkomsten uit persoonsgebonden budget) € 16.800 € 1.032 Totaal € 26.566 € 4.100 Deze bedragen worden bevestigd door de door eiseres overgelegde jaaropgaven van het UWV en [naam] en de door eiseres overgelegde loonstaat van de Gemeente Lelystad.
2.1.
Eiseres is per 1 november 2022 in bezit van de handelsnaam “ [bedrijf] ”.
2.2.
Eiseres is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV en ZVW te doen voor het jaar 2022. Eiseres heeft geen aangifte ingediend.
2.3.
De inspecteur heeft ambtshalve de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.566. Dit bedrag bestaat uit het inkomen van inhoudingsplichtigen (2.) en geschatte inkomsten uit hoofde van resultaat uit overige werkzaamheden van € 6.000 uit “ [bedrijf] ” (2.1.).
2.4.
Tegelijkertijd heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag ZVW 2022 vastgesteld. De aanslag is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 6.000, gebaseerd op de geschatte inkomsten uit hoofde van resultaat uit overige werkzaamheden.
2.5.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2022 en ZVW 2022.
2.6.
Bij uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022 heeft de inspecteur de geschatte inkomsten uit hoofde van resultaat uit overige werkzaamheden verminderd tot nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarom verlaagd naar € 26.566 (2.). De verschuldigde IB/PVV hierover is € 4.968. De verschuldigde IB/PVV verminderd met de ingehouden loonheffing van in totaal € 4.100 (2.) komt uit op een saldo aan te betalen IB/PVV van € 868.
2.7.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de met de aanslag IB/PVV samenhangende belastingrentebeschikking verlaagd naar € 90 en de verzuimboete van € 385 in stand gelaten.
2.8.
Omdat het resultaat uit overige werkzaamheden is verminderd naar nihil in de uitspraak op bezwaar, heeft de inspecteur de aanslag ZVW en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente verminderd naar nihil.
Beoordeling door de rechtbank Zaaknummer LEE 25/1322 Vooraf 3. De inkomensafhankelijke bijdrage ZVW is door de inspecteur in de bezwaarfase verminderd tot nihil. Daarmee is de aanslag ZVW ook verminderd tot nihil (2.7.) en heeft eiseres geen belang meer bij het beroep met betrekking tot de ZVW. Eiseres kan namelijk niet in een betere positie komen omdat ze al geen ZVW meer hoeft te betalen. De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer LEE 25/1322 daarom niet-ontvankelijk.
Zaaknummer LEE 25/1321 (IB/PVV) 4. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022, de belastingrentebeschikking en de verzuimboete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de bewijslast terecht heeft omgekeerd en verzwaard. Als dit het geval is beoordeelt de rechtbank of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een redelijke schatting heeft gemaakt en of eiseres heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is de aanslag IB/PVV 2022 tot een te hoog bedrag vastgesteld?
6.1.
De inspecteur heeft, bij gebrek aan een ingediende aangifte, de aanslag IB/PVV 2022 ambtshalve, schattenderwijs vastgesteld. Ook als sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, ontslaat dat de inspecteur niet van zijn verplichting om aan de aanslag een redelijke schatting ten grondslag te leggen. Die schatting mag niet onredelijk en dus niet willekeurig zijn: de inspecteur moet zijn schatting baseren op aanknopingspunten in de werkelijkheid. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur. Wanneer de inspecteur erin slaagt te onderbouwen dat sprake is van een redelijke schatting, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.
6.2.
De rechtbank is, gelet op de gegeven toelichting en de onderbouwing van de inspecteur, van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2022 berust op een redelijke schatting. Sterker nog: eigenlijk is er helemaal geen sprake meer van een schatting. In de bezwaarfase heeft de inspecteur het geschatte inkomen uit werk en woning verlaagd voor zover deze zag op het resultaat uit overige werkzaamheden (zie 2.6). De inspecteur heeft het inkomen uit loondienst gebaseerd op hem ter beschikking staande gegevens (2.). Naar het oordeel van de rechtbank is deze ‘schatting’ van het inkomen redelijk.
6.3.
Vervolgens is de vraag of eiseres heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Het had op de weg van eiseres gelegen om de gegevens van verweerder te betwisten en te stellen wat volgens haar het belastbare inkomen over het jaar 2022 is geweest, en om deze stelling met nadere stukken (berekeningen, administratie) te onderbouwen. Eiseres heeft in haar beroepschrift enkel gesteld dat een bedrag van € 217 niet uitbetaald zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiseres overgelegde bankafschriften blijkt dat zij dit bedrag wel degelijk heeft ontvangen. Eiseres heeft in 2022 namelijk van de Gemeente Lelystad op haar bankrekening € 3.577,89 ontvangen. Dit is (bijna) gelijk aan het bedrag van € 3.576 dat eiseres volgens de jaaropgaven in totaal in 2022 netto zou ontvangen. Eiseres heeft niet voldaan aan de (verzwaarde) bewijslast dat de aanslag IB/PVV 2022 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal daarom het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2022 ongegrond verklaren.
6.4.
Omdat het beroep ongegrond is, blijft de aanslag IB/PVV 2022 in stand. De rechtbank overweegt dat ook het te betalen bedrag dat uit de aanslag volgt, juist is berekend (zie 2.6.). De inspecteur heeft bij de berekening van dit bedrag het bedrag aan loonheffing in aftrek gebracht dat overeenkomt met de door eiseres zelf overgelegde jaaropgaven en loonstaat (2.). Dat de inspecteur niet precies kan achterhalen hoe het onderscheid tussen het bijzondere tarief en het normale tarief voor de ingehouden loonheffingen bij eiseres in 2022 is opgebouwd (door toepassing van dubbele loonheffingskorting), maakt dat niet anders. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat de inhoudingsplichtige berekenen hoeveel loonheffing zij inhouden. Voor de achtergrond van deze berekening en de vraag waarom dit zoveel afwijkt van de uiteindelijk verschuldigde IB/PVV, zal eiseres dus navraag moeten doen bij haar inhoudingsplichtigen en niet bij de inspecteur. De rechtbank beslist alleen over de aanslag IB/PVV en bekijkt of díe klopt (en dat is zo).
Is de verzuimboete 2022 terecht en naar het juiste bedrag opgelegd?
Belastingrente 11. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Invordering van de aanslagen 12. Eiseres heeft in haar processtukken klachten naar voren gebracht over de door de ontvanger van de Belastingdienst (die gaat over de invordering van belastingschulden) toegepaste verrekening van belastingschulden en beroept zich op verjaring van belastingschulden. Hierbij stelt eiseres onder meer dat inzicht in hoe de aanslagen worden verrekend, ontbreekt. Volgens eiseres zouden de aanslagen ten onrechte zijn verrekend met inmiddels verjaarde belastingschulden uit aanslagen over 2015, 2016 en 2017.
Conclusie en gevolgen 16. Het beroep met zaaknummer LEE 25/1322 is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer LEE 25/1321 is ongegrond. Voor zover eiseres ook gronden heeft aangevoerd tegen de door de ontvanger toegepaste verrekening van belastingschulden en verjaring van belastingschulden, verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 14 april 2026.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8 van de van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Artikel 27e, lid 1 van de AWR.
Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, rechtsoverweging 2.4.
Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.
Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184. € 5.449 (loon) + € 217 (loon) - € 2.010 (loonheffing) - € 80 (loonheffing).
Zie eerste kolom in tabel genoemd onder 2.
Zie artikel 67a van de AWR.
Op grond van artikel 67a van de AWR in samenhang gelezen met paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, tekst 2022.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 86-88.
Rechtbank Noord-Nederland, 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4422 (ongepubliceerd) en Rechtbank Noord-Nederland, 12 oktober 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4874 (ongepubliceerd).
Zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a van de AWR.