Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:2247
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/3366 en LEE 25/3367 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren /kantoor Amsterdam, de inspecteur (gemachtigde: mr. [naam 1] ) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 augustus 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2023 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 341.124.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de voorlopige aanslag IB/PVV heeft de inspecteur eiser € 6.178 belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2023 een voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over het maximum bijdrage-inkomen van € 66.956.
1.4.
Gelijktijdig met de vaststelling van de voorlopige aanslag Zvw heeft de inspecteur eiser € 134 belastingrente in rekening gebracht.
1.5.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.6.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft eiser op 23 februari 2025 per brief meegedeeld waar en wanneer de zitting zou plaatsvinden. De rechtbank heeft deze brief aangetekend verstuurd naar het adres van eiser. Uit informatie uit het track & trace-systeem van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 27 februari 2025 aan eiser is uitgereikt en dat is getekend voor ontvangst. Eiser is dus op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom doorgang laten vinden.
Feiten 2. De inspecteur heeft, conform de door eiser ingediende aangifte, de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw 2023 opgelegd met dagtekening 15 november 2024.
2.1.
Op 11 januari 2025 heeft de inspecteur de (definitieve) aanslagen IB/PVV en Zvw 2023 opgelegd aan eiser.
2.2.
Eiser heeft op 20 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte belastingrente op de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zwv 2023.
2.3.
De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend. Vervolgens heeft de inspecteur het bezwaar inhoudelijk beoordeeld als verzoeken om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslagen. De inspecteur heeft die verzoeken afgewezen.
2.4.
Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij op 15 april 2026 uitspraak op bezwaar heeft gedaan op het (doorgestuurde) bezwaar gericht tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslagen.
Beoordeling door de rechtbank Vooraf 3. Eiser heeft beroep ingediend bij de rechtbank tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur (zie 2.3). Eiser geeft in zijn beroepschrift niet aan of hij het oneens is met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar of dat hij beroep indient tegen de afwijzende beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering. De rechtbank heeft eiser daarom een brief gestuurd waarin om verduidelijking van het beroep wordt gevraagd. Eiser heeft na meerdere keren te zijn herinnerd niet gereageerd. De rechtbank heeft het bezwaar van eiser tegen de afgewezen verzoeken om ambtshalve vermindering op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar de Belastingdienst. Hierop heeft de inspecteur inmiddels beslist (zie 2.4). Vervolgens heeft de rechtbank aan eiser laten weten dat bij de behandeling van zijn beroep uitsluitend de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar wordt beoordeeld.
De beoordeling 4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt wel het griffierecht terug (zie rechtsoverweging 6). Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die in aanmerking komen voor vergoeding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 26 mei 2026.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Sinds 1 januari 2024 bepaalt artikel 9.5, vijfde lid, tweede volzin van de Wet IB dat een verzoek om herziening kan worden ingediend tot zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. Het gaat hier dan om de definitieve aanslagen die in rechtsoverweging 2.1 zijn genoemd.