← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:340

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/421 uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2026 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. W. Wallinga), en de burgemeester van de gemeente Groningen. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de burgemeester om vanaf 9 september 2025 op grond van artikel 13b van de Opiumwet haar woning te sluiten voor de duur van zes maanden. 1.
  2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Totstandkoming van het besluit en procesverloop
  4. Verzoekster huurt een woning aan [adres] . Deze ruimte wordt hierna als ‘de woning’ aangeduid. 2.
  5. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek is de woning op 16 juli 2025 betreden door de politie. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 22 juli 2025 blijkt dat 28 bolletjes met vermoedelijk cocaïne zijn aangetroffen, een grammenweegschaal met residu, een (echt gelijkend) vuurwapen en een paspoort van een persoon die niet op dat adres staat ingeschreven. Daarnaast is er € 1.972 aan contant geld gevonden in coupures van € 50 en € 5, en in de vorm van munten. In de woning was op dat moment alleen verzoekster aanwezig. 2.
  6. De burgemeester heeft op 30 juli 2025 aan verzoekster meegedeeld dat hij haar woning voor zes maanden wil sluiten. Verzoekster heeft op 5 augustus 2025 haar zienswijze hierover gegeven. 2.3 Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de burgemeester meegedeeld dat hij zal overgaan tot sluiting van de woning gedurende een periode van 6 maanden vanaf 9 september 2025 om 10.00 uur. Dit is het bestreden besluit. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 30 september 2025 pro forma bezwaar gemaakt. De bezwaargronden heeft zij ingezonden op 2 november
  7. Het bezwaar is op 5 februari 2026 op een hoorzitting behandeld. 2.
  8. De verhuurder van verzoeksters woning heeft op 2 december 2025 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Bij e-mail van dezelfde datum heeft verzoekster aangegeven niet in de ontbinding te berusten. De verhuurder heeft hierop verzoekster gedagvaard om te verschijnen op een zitting van de kantonrechter. Verzoekster heeft aangegeven dat deze zitting op 18 februari 2026 zal plaatsvinden. De eis luidt dat verzoekster de woning ontruimt en verlaat met afgifte van de sleutels, binnen tien dagen na opheffing van de burgermeestersluiting dan wel binnen tien dagen na betekening van het vonnis van de kantonrechter dan wel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn. 2.5 Verzoekster heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank op 4 februari 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het besluit van 21 augustus 2025 wordt geschorst totdat op het door verzoekster ingediende bezwaar is beslist. Verder verzoekt zij de voorzieningenrechter te beslissen voordat de kantonrechter op 18 februari 2026 het kort geding over de ontruiming op zitting zal behandelen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  9. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting als het verzoek kennelijk ongegrond is. Het begrip ‘kennelijk’ betekent dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er kennelijk geen sprake is van een spoedeisend belang. Er wordt namelijk alleen een voorlopige voorziening getroffen als een spoedeisend belang dat vereist (ook wel ‘onverwijlde spoed’ genoemd). De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang en heeft daarom geen zitting gehouden.
  10. De voorzieningenrechter constateert dat hem wordt gevraagd een voorlopig oordeel te geven over het bezwaar dat is ingesteld tegen het besluit van 21 augustus 2025 waarin de woning van verzoekster is gesloten. Hij constateert verder dat verzoekster pas bijna zes weken nadat dit besluit is genomen en drie weken nadat de woning is gesloten pro forma bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit en de gronden van het bezwaar bijna vijf weken daarna heeft ingediend en vervolgens vijf maanden na dit besluit een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Dit maakt naar zijn oordeel dat de aanwezigheid van een spoedeisend belang in dit geval niet kan worden aangenomen.
  11. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster met een toewijzing van het verzoek niet kan bereiken wat zij wil, namelijk dat de kantonrechter verzoekster niet zal veroordelen de woning te ontruimen. De kantonrechter zal op basis van een eigen onderzoek op het verzoek beslissen, waarbij alle omstandigheden van het geval zullen worden betrokken. Hij zal dus zelf bepalen welke waarde moet worden toegekend aan het besluit van 21 augustus 2025 en de bezwaren die verzoekster daartegen heeft ingediend. Mocht de voorzieningenrechter van oordeel zijn dat het besluit van 21 augustus 2025 zou moeten worden geschorst totdat op het bezwaar is beslist, dan is dat een omstandigheid die door de kantonrechter bij zijn beoordeling kan worden betrokken, maar dat dit van doorslaggevende betekenis zal zijn bij zijn beslissing over de ontruiming van de woning, kan niet bij voorbaat worden gezegd.
  12. Gelet op het voorgaande heeft verzoekster het spoedeisend belang bij de door haar verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aangetoond. De door verzoekster gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake. Conclusie
  13. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond. Dit betekent dat het besluit niet wordt geschorst en verzoekster dus in ieder geval totdat op het bezwaar is beslist de woning niet mag gebruiken.
  14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 februari
  15. griffier De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.