RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer : 24-000157-09 raadkamernummer : 25-031795 beslissing van de meervoudige strafkamer van 17 februari 2026 op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv): in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . hierna te noemen: de veroordeelde. Procedure De vordering is op 9 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De veroordeelde heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 3 februari 2026 het verzoek op de openbare zitting behandeld. Veroordeelde is niet ter zitting verschenen. Namens het Openbaar Ministerie (OM) is verschenen de officier van justitie mr. E. Duijts. Feiten Het gerechtshof Leeuwarden heeft aan de veroordeelde bij arrest van 18 juli 2011 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van 3.436.386,-. Tegen deze beslissing is cassatie ingesteld, maar dit cassatieberoep is op 2 juli 2013 verworpen. De ontnemingsmaatregel is dan ook op 2 juli 2013 onherroepelijk geworden. Veroordeelde is ook in België vervolgd, alwaar een omvangrijke verbeurdverklaring is uitgesproken. De daar opgelegde verbeurdverklaring is grotendeels niet geïncasseerd. Via een rechtshulpverzoek heeft het OM met de Belgische autoriteiten afgesproken dat het bedrag dat wél is geïncasseerd, ter beschikking wordt gesteld aan het CJIB ten behoeve van de executie van de ontnemingsmaatregel. Dit bedrag zal vervolgens door middel van de procedure genoemd in artikel 6:6:26 Sv ten gunste van de gedupeerden komen. De feitelijke uitbetaling van 224.683,86 door België aan de Nederlandse autoriteiten heeft op 12 juni 2023 plaatsgehad op een CJIB rekening. Tevens heeft de veroordeelde een eenmalige betaling gedaan van 40,
- Uit reactie van het CJIB blijkt dat in totaal een bedrag van 224.723,86 is afgelost. Inhoud vordering De officier van justitie heeft op 4 december 2025 schriftelijk gevorderd dat de bedragen die het CJIB in de ontnemingszaak van veroordeelde heeft ontvangen, en in de toekomst nog zal ontvangen, worden aangemerkt als incasso op de aan veroordeelde opgelegde ontnemingsmaatregel. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht het CJIB op te dragen om deze bedragen, naar rato van de benadeling, uit te betalen aan de belanghebbenden, onder toekenning van een billijke rentevergoeding. De officier van justitie heeft haar requisitoir na voorlezing aan de rechtbank overgelegd. Dit is aan dit proces-verbaal gehecht en maakt daarvan deel uit. Beoordeling Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd op verzoek van het OM het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden of bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de onderbouwing van de ontnemingsmaatregel blijkt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de inleg door de belanghebbenden op twee beleggingsproducten. De veroordeelde heeft in zijn schriftelijke standpunt verklaard in te stemmen met uitbetaling aan de belanghebbenden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom, ingevolge artikel 6:6:26 lid 1 Sv, bepalen dat de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden inzake de ontnemingsmaatregel, die is opgelegd aan de veroordeelde, worden uitgekeerd naar rato van benadeling aan de belanghebbenden. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Bij de uitbetaling dient het CJIB uit te gaan van de erkende lijst van belanghebbenden zoals die zijn vermeld in het overzichtsproces-verbaal, dat in het arrest van het gerechtshof Leeuwarden als bewijsmiddel 2 is opgenomen. Deze lijst is ook als bijlage 6b bij de vordering van de officier van justitie gevoegd en opgenomen in het requisitoir dat aan deze beslissing is gehecht. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht om, in afwijking van deze lijst, enkele concrete wijzigingen door te voeren. Deze zijn gespecificeerd op pagina 4 van het overgelegde requisitoir. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en neemt deze wijzigingen daarom over. Voor wat betreft de nog te incasseren bedragen zal nog worden bepaald dat deze aan belanghebbenden dienen te worden uitgekeerd totdat het volledig ontnomen bedrag is voldaan. De rechtbank bepaalt dat het geïncasseerde bedrag, alsmede eventuele nog te incasseren bedragen, wordt vermeerderd met de door het CJIB feitelijk ontvangen rente, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de geïncasseerde bedragen tot aan de dag der voldoening aan de bovengenoemde belanghebbenden. Beslissing De rechtbank: wijst de vordering van de officier van justitie ex art. 6:6:26 Sv toe; bepaalt dat de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden uit hoofde van de aan veroordeelde opgelegde ontnemingsmaatregel kunnen worden uitgekeerd, naar rato van de benadeling aan de belanghebbenden tot een maximum van in totaal 3.436.386,-; - bepaalt dat de geïncasseerde en de te incasseren bedragen worden vermeerderd met de feitelijke rente vanaf de datum van ontvangst tot aan de dag der algehele voldoening. Deze uitspraak is gegeven door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 februari
- Mr. E.P. van Sloten en mr. H.H. Kielman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.