RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-323566-24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari
(5): bedreiging (art. 285 Sr), waarbij een bedrag tot 1.500,00 wordt genoemd. De rechtbank beoordeelt deze bedreiging als uitermate intens. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het met de dood bedreigen en mishandelen van benadeelde, maar ook met de omstandigheid dat de doodsbedreiging jegens de benadeelde gepaard is gegaan met een poging tot doodslag op de echtgenote van benadeelde, waarbij de rechtbank vol opzet heeft aangenomen. De impact zou nog groter zijn geweest, wanneer benadeelde de bedreigingen direct zou hebben gehoord. Daarvan is hier geen sprake. Hij heeft achteraf gehoord wat zijn echtgenote is overkomen en is ervan op de hoogte gesteld dat verdachte ook hem met de dood heeft bedreigd. Alles overziend acht de rechtbank het gevorderde bedrag ( 1.000,00) billijk. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toe. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 45, 55, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder
- primair en
- ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
- de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- de veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
- de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden; de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid; de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken; de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners; de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering; de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
- Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere soortgelijke instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- de veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
- de veroordeelde laat zich opnemen in een Forensisch Psychiatrische Afdeling, Forensisch Psychiatrische Kliniek of een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het op voorschrift van een psychiater innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling, leefregels van de verblijfsinstelling en plaatsing;
- aansluitend aan zijn klinische behandeling laat de veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Het op voorschrift van een psychiater innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling;
- de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- de veroordeelde zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1965, en [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1967;
- de veroordeelde zal zich niet ophouden, begeven of vervoeren in Dokkum (Friesland). Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Schorst de voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Aan deze schorsing zijn dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor onder
- tot en met
- opgenomen bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling. Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Benadeelde partijen Ten aanzien van feit
- primair en feit
- Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen: het bedrag van 5383,61 (zegge: vierduizend driehonderddrieëntachtig euro en eenenzestig cent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 5383,61 (zegge: vijfduizend driehonderddrieëntachtig euro en eenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 383,61 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 51 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Ten aanzien van feit
- Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen: het bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.