← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:611

beslissing RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Assen Wrakingskamer zaaknummer: C/18/25 1353 / KG RK 26/2 Beslissing van 12 januari 2026 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. T.K. Hoogslag, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van 5 januari 2026; de schriftelijke reactie van de rechter van 7 januari

  1. 2Het wrakingsverzoek 2.
  2. Verzoeker is in de (hoofd)zaak met zaaknummer [nummer] gedagvaard door zijn verhuurder Stichting Elkien . Die dagvaarding is door de Stichting Elkien aangebracht en geplaatst op de rolzitting van kantonzaken van 6 januari 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van verzoeker. Verzoeker heeft voordien een verzoek tot wraking ingediend van de rolrechter dan wel dienstdoende kantonrechter, omdat hem een eerlijk proces zou worden ontnomen doordat de (rol)rechter door, naar de wrakingskamer begrijpt, plaatsing van de dagvaardingszaak op de rolzitting van 6 januari 2026, geen rekening heeft gehouden met de reeds geplande behandeling van een verzoekschrift tussen dezelfde partijen over een met de dagvaardingszaak samenhangende kwestie. De behandeling van dat verzoekschrift is bepaald op 26 januari
  3. 2.
  4. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten. 3De beoordeling 3.
  5. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. 3.
  6. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Op het door de Stichting Elkien uitbrengen van een dagvaarding en de daarin vermelde oproeping van verzoeker voor de rolzitting van 6 januari 2026 heeft de rechter geen enkele invloed en een en ander gaat buiten hem en de rechtbank om. Het plaatsen van de aangebrachte dagvaarding op de rolzitting is een processuele beslissing die in overeenstemming is met het landelijke procesreglement en die beslissing kan niet aangetast worden met een wrakingsverzoek. Het plaatsen van de zaak op die rolzitting betekent, anders dan verzoeker kennelijk meent, niet dat er op die dag een mondelinge en inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden. Wèl is er op die zitting voor verzoeker de gelegenheid om of te antwoorden op de (vordering in de) dagvaarding dan wel om uitstel te vragen om op de dagvaarding te reageren. In zoverre doorkruist deze dagvaardingsprocedure dan ook niet de procedure die verzoeker zelf door middel van een verzoekschrift heeft aanhangig gemaakt en waarvan de mondelinge behandeling op 26 januari 2026 is gepland. De verzoeker had op de rolzitting van 6 januari 2026 een uitstel van vier weken kunnen vragen voor het reageren op de (vordering in de) dagvaarding en een dergelijk uitstel wordt in de regel verleend. Van het ontnemen van een eerlijk proces is derhalve geen sprake en de vrees daarvoor aan de zijde van verzoeker was dan ook niet gerechtvaardigd. 3.
  7. Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan en zal daarom achterwege blijven. 4De beslissing De wrakingskamer: - verklaart het verzoek – kennelijk – ongegrond; - bepaalt dat de hoofdzaak (met zaaknummer: [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond; - beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechter en Stichting Elkien . Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. F.P. Dresselhuys, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 12 januari
  8. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.