RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Leeuwarden raadkamernummer : 25-029827 cjib-nummer : [nummer] Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 25 februari 2026 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop Veroordeelde heeft beroep ingesteld tegen de op 15 september 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 15 oktober 2015 door het Hof van beroep te Antwerpen, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 208.423,00. Veroordeelde en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet. De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2026 plaatsgevonden. Veroordeelde is verschenen. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. M. Kappeyne van de Coppello. Motivering 1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep. 2. Ter zitting is besproken of het beroep tijdig is ingediend, te weten binnen 7 dagen nadat veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing tot erkenning. De betekening van deze kennisgeving heeft - blijkens de akte van betekening - plaatsgevonden op 12 november 2025. Dit houdt in dat het beroepschrift uiterlijk 19 november 2025 ingediend moest worden bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift afgestempeld voor ontvangst op 20 november 2025. Ter zitting heeft veroordeelde gesteld dat hij via een track-and-trace bericht van Post NL bericht ontvangen heeft dat het pakket is bezorgd op 19 november 2025 om 9.43 op het adres Zaailand 102 in Leeuwarden. Ter zitting is een schermafdruk van dit bericht aan de rechtbank overgelegd. Daarnaast is ter zitting een afschrift van een e-mailbericht overgelegd waaruit naar voren komt dat het beroepschrift op 17 november 2025 digitaal is gezonden naar een e-mailadres van het parket Noord-Nederland. Op grond van deze gegevens komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep tijdig en juist is ingesteld. 3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC. 4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden: de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen; de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen; de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. 5. Veroordeelde heeft zowel schriftelijk voorafgaand aan de zitting als mondeling (mede via zijn eveneens aanwezige dochter [dochter veroordeelde] ) tijdens de zitting gronden van beroep aangevoerd. Kort gezegd stelt veroordeelde dat de Nederlandse erkenning en tenuitvoer-legging niet kan worden gebaseerd op een stuiting van de verjaring in België die voor veroordeelde niet kenbaar is geweest, waarover hij niet is geïnformeerd en waartegen hij geen rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, terwijl die stuiting leidt tot een verlenging van strafrechtelijke blootstelling met tien jaar. Veroordeelde heeft daarnaast aangevoerd dat, ook al is tijdsverloop in de executiefase geen weigeringsgrond, het gaat om de samenhang met het niet ontvangen van enige kennisgeving of aanwijzing dat executie nog aan de orde was na een stuiting die niet kenbaar was. Voorts is gesteld dat het certificaat uitsluitend het eindbedrag vermeldt zonder de wettelijk vereiste specificatie per feit. Veroordeelde doet daarbij een beroep op het bepaalde in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.