Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:673
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18.057982.24 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door L. Lübbers.
Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 juni 2023 te Leeuwarden, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig en/of onachtzaam, als schipper van een snelle motorboot (merk [merk boot] , type [type] ) daarmee varende op/over de rivier de Potmarge, komende uit de oostelijke richting en gaande richting de Sixmabrug, terwijl hij, verdachte, op dat moment onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 27, tweede lid onder a van de Scheepvaartwet, 365 microgram, in ieder geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, althans verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan de vaardigheid voor het voeren of sturen van dat schip kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht dat schip naar behoren te kunnen voeren of te kunnen sturen en/of zonder dat aan hem, verdachte het daarvoor vereiste geldige vaarbewijs was afgegeven en/of terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij onvoldoende kennis en/of ervaring had om die boot te sturen en/of terwijl hij, verdachte, voer met een snelheid van boven de 20 kilometer per uur, althans met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 6 kilometer per uur en/of die (veel) te hoog was voor een veilige scheepvaart ter plaatse, in elk geval 20 kilometer per uur en/of hij, verdachte niet tijdig is afgestopt waardoor de boot lager zou komen te liggen en/of er meer tijd was geweest om te acteren op de lage brug en/of bij het naderen van een (lage) brug (de Sixmabrug) een opvarende genaamd [slachtoffer] niet (tijdig) heeft gewaarschuwd en/of de instructie heeft gegeven om lager te gaan zitten of te bukken en/of zich er niet (tijdig) van heeft vergewist dat die [slachtoffer] laag genoeg zat alvorens onder die brug door te varen, waardoor, althans mede waardoor, die [slachtoffer] bij het onder de genoemde brug doorvaren met zijn hoofd tegen (een draagbalk van) die brug, althans de onderzijde van die brug is gekomen, waardoor aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een impressiefractuur aan de achterzijde van de schedel, althans ernstig traumatisch schedelletsel en/of conductief gehoorverlies en/of een bloedprop in de hersenen is ontstaan (zg. traumatische sinustrombose distale sinus transverus en sinus sigmoïdeus links heeft opgelopen/bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts-of beroepsbezigheden en/of verhindering van de gebruikelijke dagelijkse bezigheden van deze [slachtoffer] is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
die brug is gekomen en tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een impressiefractuur aan de achterzijde van de schedel, althans ernstig traumatisch schedelletsel en/of conductief gehoorverlies en/of een bloedprop in de hersenen is ontstaan (zg. traumatische sinustrombose distale sinus transverus en sinus sigmoïdeus links) heeft opgelopen/bekomen.
Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, nalatig en onachtzaam heeft gedragen, waardoor het ongeval is ontstaan en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd en heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte met een grote mate van onvoorzichtigheid heeft gehandeld waardoor het ongeval is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsmiddelen Deze opgave luidt als volgt: de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2026; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen scheepsvaartincident d.d. 28 november 2023, opgenomen op pagina 90 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023141959 d.d. 6 februari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal varen onder invloed artikel 27 lid 2 Scheepsvaartverkeerswet d.d. 27 juni 2023, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant; een schriftelijke stuk, te weten een ticketademanalyse, d.d. 3 juni 2023 ondertekend door verbalisant, opgenomen op pagina 87 van voornoemd dossier, inhoudende de uitvoering en uitslag van de ademanalyse; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 21 december 2023, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ; details brief Universitair Medisch Centrum Groningen, opgemaakt door [arts-assistent] , arts-assistent Neurologie, [neuroloog 1] , Neuroloog i.o., dr. [neuroloog 2] , neuroloog i.o., mede namens [neuroloog 3] , neuroloog d.d. 20 juni 2023, opgenomen op pagina 47 e.v., van voornoemd dossier inhoudende de medische gegevens van [slachtoffer] .
Bewijsoverwegingen De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling van overtreding van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan.
Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen worden afgeleid dat er sprake is van voornoemde schuld.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat niet als algemene regel kan worden afgeleid dat schuld in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte, die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval -waartoe ook de aard van de situatie kan worden gerekend- kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 3 juni 2023 een snelle motorboot heeft bestuurd. Het slachtoffer [slachtoffer] was zijn passagier en deze zat telkens voorin de boot. Verdachte beschikte niet over het vereiste vaarbewijs en hij wist dat hij onvoldoende kennis en ervaring had om de snelle motorboot te besturen. Hij heeft de gehele middag deze boot bestuurd en heeft ondertussen meerdere blikjes bier genuttigd. De gehele middag heeft hij veel te snel gevaren met de boot. Hij voer vaak met de boot in plané (met de punt van de boot omhoog, boven het water uit). Dat is het geval bij deze boot wanneer hij met twee inzittenden sneller vaart dan 20 kilometer per uur.
Verdachte is op een gegeven moment naar Leeuwarden gevaren en in Leeuwarden in de Potmarge is hij onder meer onder de Sixmabrug doorgevaren. Vervolgens is hij bij iemand op bezoek gegaan en heeft ook daar bier genuttigd. Vervolgens zijn hij en [slachtoffer] weer in de boot gestapt. [slachtoffer] zat opnieuw voorin de boot. Verdachte is weer met hoge snelheid gaan varen. Hij voer opnieuw in plané en hij schat dat hij met een snelheid van tussen de 30 en 40 kilometer per uur voer. Hij voer door de Potmarge in Leeuwarden, waar voor zijn boot een maximumsnelheid van 20 kilometer per uur geldt. Bij het naderen van de lage Sixmabrug heeft hij zijn snelheid niet verminderd of afgestopt, waardoor zijn boot lager zou komen te liggen en er meer tijd was om te acteren op de lage brug.
Ook heeft hij [slachtoffer] niet tijdig gewaarschuwd en heeft zich er niet van vergewist dat [slachtoffer] laag genoeg zat alvorens onder de Sixmabrug door te varen. Hierdoor is [slachtoffer] met zijn hoofd tegen een draagbalk van de brug gekomen en heeft hij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De rechtbank overweegt dat de situatie in de Potmarge, een ondiep water, met meerdere bruggen, waar veel watersport plaatsvindt, een situatie is waarbij bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de schipper is vereist. De snelheid van de boot moet hierop worden afgestemd. Verdachte was zelfs bekend met de situatie in de Portmarge en de Sixmabrug, omdat hij eerder die middag daar ook doorheen was gevaren. Desondanks is hij, terwijl hij wist dat hij over onvoldoende kennis en ervaring beschikte om een snelle motorboot te besturen en terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, met een zeer hoge snelheid door dit gebied gevaren. Vervolgens is hij met onverminderd hoge snelheid, in plané, onder de lage brug door gevaren. Het moet voor verdachte voorzienbaar zijn geweest dat hij door zijn hoge snelheid te hoog in het water lag waardoor een ongeval zou kunnen plaatsvinden, waarbij zijn passagier, die voorin en dus hoger zat, in botsing zou komen met de brug. Desondanks heeft verdachte dit risico genomen en heeft zich er onvoldoende van vergewist dat zijn passagier laag genoeg zat om een aanvaring met de brug te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat dit gedrag van verdachte kan worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en daarmee schuld oplevert, zoals bedoeld in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht aldus het primair ten laste gelegde bewezen.
Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 3 juni 2023 te Leeuwarden zeer onvoorzichtig, als schipper van een snelle motorboot van het merk [merk boot] , type [type] , daarmee varende op de rivier de Potmarge, komende uit de oostelijke richting en gaande richting de Sixmabrug, terwijl hij, verdachte, op dat moment onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 27, tweede lid onder a van de Scheepvaartwet, 365 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, dat hij niet in staat moet worden geacht dat schip naar behoren te kunnen voeren of te kunnen sturen en zonder dat aan hem, verdachte het daarvoor vereiste geldige vaarbewijs was afgegeven en terwijl hij, verdachte, wist, dat hij onvoldoende kennis en ervaring had om die boot te sturen en terwijl hij, verdachte, voer met een snelheid van boven de 20 kilometer per uur en hij, verdachte niet tijdig is afgestopt waardoor de boot lager zou komen te liggen en er meer tijd was geweest om te acteren op de lage brug en bij het naderen van een lage brug, de Sixmabrug, een opvarende genaamd [slachtoffer] niet tijdig heeft gewaarschuwd en zich er niet van heeft vergewist dat die [slachtoffer] laag genoeg zat alvorens onder die brug door te varen, waardoor die [slachtoffer] bij het onder de genoemde brug doorvaren met zijn hoofd tegen een draagbalk van die brug is gekomen, waardoor aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een impressiefractuur aan de achterzijde van de schedel en conductief gehoorverlies en een bloedprop in de hersenen is ontstaan (zg. traumatische sinustrombose distale sinus transverus en sinus sigmoïdeus links heeft bekomen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde, waarbij zij uitgaat van schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, en nalatig en onachtzaam wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor het matigen van de taakstraf, dan wel een deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en dat hij van het ongeval heeft geleerd. Het moet als een éénmalige fout worden beschouwd. Een lange taakstraf zou verdachte bemoeilijken bij het opstarten van zijn onderneming.
Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages opgemaakt door Reclassering Nederland op 24 oktober 2024 en 21 oktober 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit Verdachte heeft in juni 2023 in de Pormarge in Leeuwarden een ernstig ongeval op het water veroorzaakt waarbij zijn passagier zwaar gewond is geraakt. Verdachte is zonder het vereiste vaarbewijs en onder invloed van alcohol met een veel te hoge snelheid door de Potmarge gevaren. Hij voer zo snel dat de punt van zijn boot uit het water omhoog kwam. Hij is vervolgens met onverminderde snelheid onder de lage Sixmabrug doorgevaren. Zijn passagier is hierbij met zijn hoofd tegen de draagbalk van de brug gekomen. Dit ongeval is een dramatische gebeurtenis die diep ingrijpt in de levens van alle betrokkenen, maar heeft vooral veel invloed heeft op het leven van zijn passagier. Hij heeft onder meer een schedelbasisfractuur opgelopen, een hersenkneuzing, een hersenbloeding en zijn oorschelp was kapot waardoor hij gehoorschade had. Uit zijn schriftelijke verklaring en de verklaring van zijn vader afgelegd ter zitting blijkt dat hij tot op de dag van vandaag ernstige lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeval ondervindt.
Persoon van verdachte Verdachte heeft meteen bij de politie en later ter zitting weer zijn verantwoordelijkheid voor het ongeval en zijn onverantwoorde gedrag genomen. Hij noemde onder meer zijn vaargedrag van die dag asociaal. Dit inzicht valt in verdachte te waarderen. Aan de andere kant heeft de rechtbank ook kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor verkeersovertredingen met een motorvoertuig en ook heeft hij een strafbeschikking gehad voor te snel rijden met een motorvoertuig. Na het ongeval is aan verdachte nog een strafbeschikking opgelegd voor rijden zonder geldig rijbewijs. In verband met deze strafbeschikking zal de rechtbank rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op zijn strafrechtelijke verleden blijft toch vooral het beeld hangen van een persoon die kennelijk al op meerdere momenten in zijn leven onverschillig lijkt voor de veiligheid van anderen in het verkeer. Dit past ook bij zijn vaargedrag op 3 juni 2023.
De reclassering schrijft dat door de (strafrechtelijke) impact van de zaak en de verantwoordelijkheid die verdachte neemt zij veronderstellen dat verdachte zich meer dan ooit is doordrongen van de risicos. De reclassering ziet dan ook geen risicofactoren en vindt nadere bemoeienis van de reclassering niet nodig.
Op te leggen straf Voor artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht zijn geen zelfstandige landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom voor de bepaling van het uitgangspunt van de op te leggen straf gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor het veroorzaken van verkeersongevallen. Doordat de rechtbank met betrekking tot de mate van schuld komt tot een bewezenverklaring van zeer onvoorzichtig in plaats van aanmerkelijk onvoorzichtig, zoals door de officier van justitie, komt de rechtbank uit bij een hogere categorie en is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden tot acht maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.
Gelet op tijdsverloop van meer dan twee en half jaar is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf niet (meer) passend is. De rechtbank zal dit verdisconteren in de hoogte van de taakstraf. De rechtbank acht een taakstraf van 240 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden en zal deze straf opleggen. Verdachte beschikt niet over een vaarbewijs, daarin ziet de rechtbank aanleiding om geen ontzegging van de bevoegdheid om te varen aan verdachte op te leggen. Het voorwaardelijk deel van de straf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, waarbij ook de strafbare feiten op het water en in het verkeer behoren.
Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal 37.218,16 ter vergoeding van materiële schade en 50.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en advieskosten in de vorm van proceskosten van 786,50.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: eigen risico zorgverzekering van de jaren 2023, 2024 en 2025 1.155,--daggeldvergoedingen ziekenhuis en revalidatiecentrum 1.230,--reiskosten van vader en moeder van de benadeelde 1.901,13 parkeerkosten ziekenhuis 133,-- mantelzorg door moeder 936,-- toekomstige mantelzorg door moeder (stelpost) 500,--campingkosten van de moeder van de benadeelde 361,--verlies aan verdienvermogen 11.002,03 toekomstig verlies aan verdienvermogen (stelpost) 20.000,-- Namens de benadeelde partij is ter zitting uitdrukkelijk bestreden dat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij. Door de benadeelde partij is geen gedraging verricht waarmee hij zijn eigen leven in gevaar heeft gebracht. Indien de rechtbank van oordeel is dat dit wel het geval is dan wordt verzocht een beperkte correctie toe te passen en in het vonnis vast te leggen om welk percentage het gaat.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat de gevorderde materiële schade van 16.718,16 voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. De materiële stelposten voor toekomstige mantelzorg en toekomstig verlies aan verdienvermogen van in totaal 20.500,-- zijn onvoldoende onderbouwd en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat vaststaat dat sprake is van immateriële schade, maar de hoogte van dit bedrag laat ze aan de beoordeling van de rechtbank over.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de toegewezen bedragen, vermeerderd worden met de wettelijke rente, dat de schadevergoedingsmaatregel voor deze bedragen wordt opgelegd en gijzeling wordt toegepast. De advieskosten kunnen als proceskosten worden toegewezen, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de hoogte van het bedrag onvoldoende is onderbouwd, omdat de zaak waarin in de vordering naar wordt verwezen niet is gepubliceerd waardoor de verdediging geen vergelijking kan maken. Dat sprake is van immateriële schade staat wel vast, maar dit moet een lager bedrag zijn dan is gevorderd. Tevens is er sprake van een deel eigen schuld van de benadeelde partij. De benadeelde partij is immers in de boot gestapt bij verdachte, terwijl hij wist dat verdachte alcohol had genuttigd en de gehele dag al te snel voer. Ook hiermee moet bij het op te leggen bedrag aan immateriële schade rekening worden gehouden.
Oordeel van de rechtbank materiële schade De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde materiële schade het volgende.
De benadeelde partij beschikte ten tijde van het ongeval over een vast maandsalaris. De rechtbank zal uitgaan van dit maandsalaris en niet van een gemiddeld salaris, zoals is gevorderd.
De benadeelde partij is in 2023 voor 100% doorbetaald door zijn werkgever en heeft hierdoor in dit jaar geen verlies aan verdienvermogen.
De benadeelde partij is in 2024 tot en met juni 2025 voor 90% doorbetaald door zijn werkgever. Waarbij hij in oktober 2024 en in januari 2025 loonsverhogingen heeft gehad.
Vanaf juli 2025 heeft de benadeelde partij salaris ontvangen voor pogingen tot re-integratie. Hierbij is geen percentage genoemd, maar de ontvangen bedragen zijn wel genoemd.
Op 7 november 2025 is het dienstverband van de benadeelde partij beëindigd en vanaf december 2025 heeft hij geen inkomen uit arbeid meer ontvangen. Hoe het inkomen van de benadeelde partij vervolgens is geregeld is onduidelijk gebleven. De rechtbank zal daarom in de berekening van de hoogte van het verlies aan inkomen alleen rekening houden met de periode van 2024 tot en met november 2025, omdat over deze periode het verlies aan verdienvermogen eenvoudig kan worden vastgesteld. Ten aanzien van het overig gevorderde en de stelpost voor toekomstig verlies aan verdienvermogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze post onduidelijk is en onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank komt aldus tot de volgende berekening:
2024: januari t/m september 10% p/m is 223,42 x 9 mnd 2.010,78 oktober t/m december 10% p/m is 226,92 x 3 mnd 680,76 2.691,54 verlies vakantiegeld 2024 8,5% 228,78 totaal verlies in 2024 2.920,32 2025: januari t/m juni 10% p/m is 234,06 x 6 mnd 1.404,36 juli 2025 t/m september 1.542,67 p/m ontvangen 797,92 x 3 mnd 2.393,79 oktober 1.590,17 ontvangen 750,45 november 1.079,70 ontvangen 1.260,90 5.809,50 Verlies vakantiegeld 2025 8,5% 493,81 Totaal verlies in 2025 6.303,31 Verlies aan verdienvermogen dat eenvoudig kan worden vastgesteld 9.223,63 Resumerend is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van 14.445,76 (te weten 1.155,--, 1.230,--, 1.901,13, 936,-- en 9.223,63) heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte in zoverre onvoldoende door of namens verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 maart 2026. De rechtbank heeft voor de datum van het vonnis gekozen, omdat de materiële schade in de periode na het ongeval geleidelijk is ontstaan.
Zoals hiervoor reeds is overwogen zal de rechtbank het gevorderde bedrag van 133,-- voor parkeerkosten afwijzen.
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij de overig gevorderde materiële schade heeft geleden of nog zal lijden, ad. 22.772,40 (te weten 2.272,40, 500,-- en 20.000,--) beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom voor de overig gevorderde materiële schade niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. immateriële schade De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen door het bewezenverklaarde en kan daardoor op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op immateriële schade De rechtbank zal naar billijkheid de hoogte van deze schade vaststellen en heeft hierbij acht geslagen op hetgeen in de vordering is aangevoerd en op de Rotterdamse schaal en aansluiting gezocht bij de categorie voor toekenning van smartengeld bij de categorie middelzwaar hersenletsel, waarbij het concentratievermogen en het geheugen zijn aangetast en er een verminderd vermogen is om arbeid te verrichten (III), waarvoor als bandbreedte een vergoeding van 29.000,-- tot 62.000,-- is gegeven. In dit geval acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van 50.000,-- billijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de nog jonge leeftijd van de benadeelde partij. Hij was ten tijde van het ongeval 23 jaar oud en heeft daarom nog een hele toekomst voor zich waarbij hij moet leven met waarschijnlijk blijvende beperkingen. De psychische gevolgen die het ernstige letsel en de beperkingen hebben gehad en de weerslag hiervan op het sociale leven van de benadeelde partij.
De rechtbank zal de immateriële schade tot een bedrag van 50.000,-- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023, de dag dat het ongeval heeft plaatsgevonden. eigen schuld Namens verdachte is aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een deel eigen schuld van de benadeelde bij de toekenning van de schade. De rechtbank is van oordeel dat door de verdediging onvoldoende onderbouwd is dat sprake is van eigen schuld en op welke wijze en in welke mate daarvan sprake zou zijn geweest. De rechtbank zal hier daarom geen rekening mee houden. schadevergoedingsmaatregel Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. kosten De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op 786,50, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 308 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot: een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 80 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.
Benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen: het bedrag van 64.445,76 (zegge: vierenzestig duizend vierhonderd vijfenveertig euro en zesenzeventig eurocent); de wettelijke rente over het materiële deel van dit bedrag, te weten 14.445,76, vanaf 5 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening; de wettelijke rente over het immateriële deel van dit bedrag, te weten 50.000,--, vanaf 3 juni 2023 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 786,50.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor een bedrag van 133,-- af.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige, te weten voor 22.772,40, niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 64.445,76 (zegge: vierenzestig duizend vierhonderd vijfenveertig euro en zesenzeventig eurocent), waarvan 14.445,76 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening en 50.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 14.445,76 aan materiële schade en 50.000,-- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 259 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. A. de Jong , rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.