Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2026:813
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.031837.23 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. G.W.M. de Leest, advocaat te Tilburg, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 30 november 2003 te Winschoten en/of [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, betasten en/of aftrekken van de penis van die [slachtoffer] , en/of meermalen, althans eenmaal, op schoot trekken van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, een erectie had, en/of meermalen, althans eenmaal, zich aftrekken en/of betasten en/of tonen van zijn penis in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [slachtoffer] , en/of meermalen, althans eenmaal, laten betasten van zijn, verdachtes, penis en/of zich laten aftrekken door die [slachtoffer] , en/of zichzelf aftrekken en/of klaarkomen, waarna/waarbij zijn sperma op het gezicht van die [slachtoffer] is gekomen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie vanwege vervolgingsverjaring niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de raadsman dient te worden afgewezen. De verdediging werd in een e-mailbericht gevraagd onderzoekswensen (uiterlijk 27 juni 2023) kenbaar te maken en daarin is eveneens vermeld dat de concepttenlastelegging gereed was. Daarmee is duidelijk gemaakt dat het openbaar ministerie verdachte wilde vervolgen en voor welk strafbaar feit. Dat is eveneens gebleken uit alle ingediende onderzoekshandelingen en mededelingen. Het voorgaande is aan te merken als een daad van vervolging, waardoor de verjaring is gestuit.
Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is het recht tot strafvordering verjaard en zij overweegt daartoe als volgt.
Het ten laste gelegde (ex artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht (oud)) betreft een misdrijf waarop ten tijde van de pleegperiode een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren was gesteld. De verjaringstermijn voor de vervolging voor dit feit bedraagt daarmee twaalf jaren, conform het destijds geldende artikel 70, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Deze termijn is aangevangen op de dag na die waarop de persoon die aangifte deed achttien jaren is geworden, rechtens het bepaalde in artikel 71, eerste lid, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (oud), te weten op 7 november 2011.
Gelet op het voorgaande is het recht tot strafvordering komen te verjaren op 7 november 2023, tenzij een daad van vervolging de verjaring heeft gestuit (in de zin van artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). De Hoge Raad heeft bepaald dat een daad van vervolging een daad betreft welke erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen.
In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie de verjaring niet door een daad van vervolging gestuit. Uit jurisprudentie volgt dat het (door of) namens de officier van justitie sturen van een brief aan de raadsman met de mededeling dat de concepttenlastelegging gereed was (evenals het bijvoegen daarvan) niet als een daad van vervolging heeft te gelden. Evenmin geldt dat ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de raadsman tot het verrichten van onderzoekshandelingen (ex artikel 182 van het Wetboek van Strafrecht). De (overige) in deze zaak toegevoegde (e-mail)correspondentie hieromtrent maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, aangezien ook daarin niet is gebleken van een daad van vervolging.
Concluderend verklaart de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde feit.
Uitspraak De rechtbank Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.