uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/035201-01 Uitspraakdatum: 13 november 2013 Beslissing verlenging terbeschikkingstelling Beslissing in de zaak van: [terbeschikkinggestelde], geboren te [geboorteplaats] op [1969], verblijvende te[kliniek]. Het onderzoek van de zaak. Bij vonnis van de rechtbank van 27 december 2001 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst bij beslissing van deze rechtbank van 27 juli 2012 met één jaar verlengd. De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 12 juni 2013 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar. Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 09 augustus 2013 en 30 oktober 2013. Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouwe gehoord. In het dossier bevinden zich onder andere: het advies van[kliniek] d.d. 22 mei 2013, ondertekend door dr. J. Lucieer (psychiater), drs. W.M. van der Vlist (hoofd risicomanagement& behandeling, klinisch psycholoog) en drs. M.A. Polak (hoofd van de inrichting); het externe advies opgemaakt d.d. 24 april 2013 door drs. R. de Vries, GZ- psycholoog; het externe advies opgemaakt d.d. 19 mei 2013 door I. Maksimovic, psychiater; de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen; het persoonsdossier van de terbeschikkinggestelde. De beoordeling. De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld: "(…)De heer [terbeschikkinggestelde] is een thans 43 jarige man welke is gediagnosticeerd met ernstige afhankelijkheid van verschillende middelen, waaronder benzodiazepinen. Daarnaast is er sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Tevens zijn er aanwijzingen voor kenmerken van psychopathie. Binnen de kliniek bestaat nog immer de mening dat het behandeltraject van de heer [terbeschikkinggestelde] vorderingen kent en dat er tevens geen grote stappen genomen kunnen worden in het resocialisatietraject. Zoals bijvoorbeeld ook is gebleken bij de bespreking in het kader van de overgang naar de Blink, blijkt de heer [terbeschikkinggestelde] het nog moeilijk te vinden om zich met de structuur van een werkomgeving te verhouden. De heer [terbeschikkinggestelde] heeft de neiging zijn eigen kunnen te overschatten en zijn risico's te onderschatten. De heer [terbeschikkinggestelde] laat keer op keer zien gebaat te zijn bij een externe vorm van (verplichte) structuur, controle en toezicht, waarbij hij als het ware door de omgeving wordt ondersteund om te kunnen functioneren. Het behandelteam is van mening dat een verdere invulling van het huidige onbegeleide verlofkader met verplicht toezicht en controle een voorwaarde is voor de heer [terbeschikkinggestelde] om zich verder te kunnen ontwikkelen binnen het resocialisatietraject. Dit verlofkader stelt de heer [terbeschikkinggestelde] in staat om vooralsnog vanuit de beschermde omgeving van de kliniek zijn vaardigheden verder te vergroten en te laten zien dat hij gedurende een langere periode stabiel kan blijven functioneren. Uitbreiding van vrijheden verloopt in een rustig tempo, herhaaldelijk is gebleken dat wanneer het tempo van de resocialisatie omhoog gaat, dat er dan tevens een toename in risicovol gedrag is ontstaan. De heer [terbeschikkinggestelde] heeft laten zien in de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt op het gebied van impulscontrole en toegenomen stabiliteit in gedrag. Van het ernstige incident in de Van der Hoevenkliniek is hij geworden tot iemand die wat meer realistisch zicht heeft op zijn eigen structurele beperkingen en mogelijkheden. Daarbij is ook duidelijk dat de heer [terbeschikkinggestelde] langdurig aangewezen zal blijven op vormen van extern risico management. (…)Gezien de gestelde persoonlijkheidspathologie is er nog veel begeleiding nodig bij het verdere resocialisatietraject. Dit traject richt zich op het kunnen volhouden van werken buiten de kliniek, het sociale netwerk verder verstevigen en een verblijf van de kliniek. De komende tijd dient meer helder te worden of een verblijf binnen de Blink überhaupt nog mogelijk zal blijken te zijn. Hier direct aan gekoppeld is natuurlijk de inzet van de heer [terbeschikkinggestelde] zelf. De beperkte copingvaardigheden en mogelijkheden van de heer [terbeschikkinggestelde] maken dat het resocialisatietraject op een voorzichtige en rustige wijze plaats dient te vinden en dat er veel aandacht is voor risico's en het managen daarvan. De heer [terbeschikkinggestelde] is iemand die weinig zicht heeft op zijn eigen beleving, wel probeert meer te delen met zijn omgeving, maar feitelijk te zwak gestructureerd is om zaken zelfstandig aan te kunnen. Gunstig is dat de heer [terbeschikkinggestelde] zich beter laat begeleiden en dat de eerder aangebrachte structuur en afspraken in de kliniek, waarbinnen hij zijn eigen autonomie kan ervaren, nog immer een goede combinatie is gebleken. Zucht naar middelen is frequent onderwerp van gesprek en controle, net zoals het bespreken van medicatie en medicatietrouw gespreksonderwerpen zijn. (…)Gelet op bovenstaande adviseert de kliniek de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor een termijn van één jaar. Het komende jaar acht de kliniek noodzakelijk om het resocialisatietraject naar een verblijf buiten de kliniek verder vorm te geven en te onderzoeken in hoeverre de heer [terbeschikkinggestelde] hieraan kan en wil deelnemen. Het is op dit moment moeilijk te overzien hoe het resocialisatietraject er op langere termijn uitziet en daarom acht de kliniek een toets moment over één jaar van belang.(…)" In voornoemd extern advies opgemaakt d.d. 24 april 2013 door drs. R. de Vries , GZ-psycholoog, is onder meer het navolgende gesteld: "(…)Onderzochte is formeel lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als cannabisafhankelijkheid onder toezicht staand en afhankelijkheid van sedativum, hypnoticum of anxiolyticum. Daarnaast is onderzochte lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als een borderline persoonlijkheidsstoornis (hoofddiagnose) en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. (…) De diagnostische conclusies van de kliniek worden in grote lijnen onderschreven. Verschil in de vaststelling zit meer gradueel in de waardering van de antisociale persoonlijkheidskenmerken, welke waardering bij de kliniek leidt tot de vaststelling van antisociale trekken bij een borderline persoonlijkheidsstoornis, terwijl ondergetekende opteert voor zowel een borderline- als een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tevens neemt ondergetekende cannabisafhankelijkheid in de classificatie op waar de kliniek dit niet doet, omdat deze afhankelijkheid een bij onderzochte bekend fenomeen is, hij verlangen naar dit middel niet ontkent en jarenlang incidenteel gebruik aantoont dat onderzochte van dit middel nog steeds geen afstand kan c.q. wenst te doen; ook al staat hij onder toezicht en is het gebruik hem niet toegestaan.(...) Het risico op van onderzochte uitgaand geweld tegen personen of daadwerkelijke (fysieke) dreiging daarmee is binnen de huidige condities, waaronder de bestaande onbegeleid verlofstatus met 6 overnachtingen, maar ook binnen een daarna te voorziene transmurale verlofstatus binnen het kader van de TBS-maatregel, tot een aanvaardbaar laag niveau teruggebracht. (…) Mocht op dit moment de maatregel geheel wegvallen, dan wordt het recidiverisico op de langere termijn geschat op matig. Onderzochte lijkt zich in te willen zetten voor het opbouwen van een meer gestructureerde levensstijl dan voor de oplegging het geval was en is in zijn gedrag rustiger en stabieler geworden. Hoe lang hij dat vol zal houden is voornamelijk afhankelijk van de geleidelijkheid (niet per se: traag) van de opbouw van vrijheden en mogelijkheden, zodat inbedding in bestendigende structuren kan plaatsvinden, voordat de maatregel geheel wegvalt. (…)Het gaat daarbij om geleidelijke overgang van de huidig strikt klinische- en hoogbeveiligde omgeving, wellicht via de tussenstap van een FP A of een voorziening van de GGzE, naar een meer ongedwongen kader, maar nog wel onder voorwaarden, in de regio van herkomst.(…)(…) De risicoprognose van de kliniek wordt in grote lijn gedeeld. Het verschil zit in het doordrongen zijn van de gewenstheid in de resocialisatie spoedig tot een volgende stap te komen; juist mede om een gedragskundig ongewenste plotseling beëindiging te voorkomen.(…) De mate van beveiliging die onderzochte behoeft is betrekkelijk laag. Toezicht dient nog wel geruime tijd te blijven bestaan en aanvankelijk nog vrij intensief te zijn. De zorg dient voornamelijk gericht te worden op handhaving van de bereikte psychische status quo en vormgeving van de resocialisatie in de omgeving van herkomst. Zolang onderzochte zich aan de door ondergetekende voorgestelde voorwaarden houdt, wordt de kans op recidive van een ernstig geweldsdelict op laag geschat. (…)Van behandeling in strikte zin is geen sprake meer. De wijze waarop de kliniek de bestaande risico's hanteert komt weliswaar over als verantwoord, maar tevens stagneert hierdoor de resocialisatie dusdanig, dat daarmee effectief (in de zin van doorplaatsing naar de resocialisatieafdeling buiten de kliniek) nog steeds geen begin is gemaakt. Die stap lijkt aan dermate strikte voorwaarden gebonden, dat onderzochte deze niet zal kunnen waarmaken. In de ogen van ondergetekende is een dermate strikt reageren op enig cannabis- of alcoholgebruik niet dienstig meer voor de voortgang van het traject; ook niet gezien naar de lange termijn. De verslavingsproblematiek van onderzochte heeft nooit zozeer bij deze middelen gelegen en gebruik ervan kent geen directe relatie tot het gepleegde geweld. Versnelling van het resocialisatietraject is aangewezen. Wellicht moet daartoe een andere route dan via de eigen resocialisatieafdeling worden gevolgd, middels uitplaatsing naar een voorziening in de regio van herkomst. De reclassering uit die regio zou reeds bij de voorbereiding daarvan betrokken kunnen worden met het oog op een omzetting naar een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging over een jaar. (…)Op grond van voorgaande moge geadviseerd worden de maatregel terbeschikkingstelling van onderzochte te verlengen met een
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.