← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2014:3687

RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer : C/01/279903 / JE RK 14/912MZ06 Uitspraak : 20 juni 2014 Inzake : opheffing ondertoezichtstelling Beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant, gegeven met betrekking tot de onder toezicht gestelde minderjarige: [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], overleden op [overlijden], kind van: [ouders], overleden, rechtens wonende op een voor de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de vader en de moeder. Het gezag berustte bij de moeder. De procedure Op 11 juni 2014 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van: BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT, Wal 20 5611 GG Eindhoven hierna mede te noemen de stichting, strekkende tot opheffing van de ondertoezichtstelling van bovengenoemde minderjarige met ingang van 6 juni 2014, om redenen als in de stukken omschreven. De feiten Uit de stukken blijkt dat de ondertoezichtstelling met betrekking tot voornoemde minderjarige met ingang van 5 december 2013 voor de duur van een jaar verlengd is. Uit de stukken blijkt dat moeder en de minderjarige [voornaam minderjarige] zijn overleden ten gevolge van [reden overlijden] De beoordeling De stichting verzoekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling ten aanzien van voornoemde minderjarige op te heffen om de navolgende reden. [voornaam minderjarige] woonde bij zijn moeder. De ondertoezichtstelling heeft naast het centraal stellen van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] ook in het teken gestaan van contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader. Het betreffende plan daarvoor, opgesteld door moeder onder begeleiding door [begeleidende instantie] was in concept klaar. Het tragische overlijden van [voornaam minderjarige] en zijn moeder op [datum overlijden] heeft er echter voor gezorgd dat dit positieve perspectief voor de relatie met [voornaam minderjarige] en zijn vader zich niet verder heeft kunnen ontwikkelen. Op grond van de stukken overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter kan – indien aan de daartoe vereiste gronden is voldaan – een minderjarige onder toezicht stellen. Krachtens artikel 1:256 Burgerlijk Wetboek bepaalt de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar. De duur van de ondertoezichtstelling kan krachtens voornoemde bepaling telkens voor de duur van één jaar worden verlengd. Een ondertoezichtstelling eindigt van rechtswege op het moment dat de minderjarige de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. Tussentijds kan de kinderrechter, op verzoek van de stichting, de ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de ondertoezichtstelling opheffen als hij van oordeel is dat de minderjarige niet meer in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter stelt vast dat de onder toezicht gestelde minderjarige [voornaam minderjarige] op [datum overlijden] is overleden. De kinderrechter overweegt dat door het overlijden van [voornaam minderjarige] aan de belangrijkste voorwaarde voor een ondertoezichtstelling, namelijk het in leven zijn van een minderjarige, niet meer is voldaan. Dit heeft dan ook tot gevolg dat de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] van rechtswege is geëindigd op het moment van zijn overlijden, derhalve op[datum overlijden]. De grondslag voor het verzoek van de stichting om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen ontbreekt derhalve, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. Op grond van vorenstaande beslist de kinderrechter als volgt. De beslissing De kinderrechter: wijst het verzoek af. Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. P.P.M. van Reijsen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier. conc: ce Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.