vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/993234-12 Datum uitspraak: 17 september 2014 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1975], preventief gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 augustus 2013, 8 november 2013, 24 januari 2014, 16, 18 en 22 april 2014, 7 mei 2014, 18 juli 2014, 25, 26 en 27 augustus 2014 en 3 september 2014. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juli 2013. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 november 2013 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of - voorwerp(
- en)en/of vervoermiddel(len) en/of stof(fen) en/of geld(
- en)en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)(telkens) - met een of meer van verdachtes mededader(
- s)en/of met een of meer bedrijven en/of personen in Polen overleg gevoerd en/of afspraken gemaakt over de levering van een of meer hoeveelhe(i)d(
- en)mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën, bestemd voor de productie van synthetische drugs en/of - een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(
- en)mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan en/althans chemicaliën en/of grondstoffen, bestemd voor de productie van synthetische drugs, besteld en/of laten bestellen en/of gekocht en/of laten kopen en/of opgehaald en/of laten ophalen (uit Polen) en/of overgebracht en/of laten overbrengen naar en/of opgeslagen en/of laten opslaan op een of meer plaatsen in Nederland en/aldus voorhanden gehad en/of - een of meer personen in Polen geïnstrueerd en/of laten instrueren en/of betaald en/of laten betalen om de chemicaliën te zuiveren en stickers van de zending af te halen, teneinde de herkomst en bestemming van de chemicaliën te verhullen en/of - het transport van chemicaliën (vanuit Polen naar Nederland) geregeld en/of laten regelen en/of contact (laten) onderhouden met (een) chauffeur(
- s)en/of afspraken gemaakt over het transport en/of het lossen van de lading (chemicaliën) in Nederland en/of - aantekeningen en/of documenten met betrekking tot de aankoop en/of levering van chemicaliën voorhanden gehad en/of - een of meer geldbedrag(
- en)bestemd voor de aankoop van mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan, althans chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs * geregeld en/of laten regelen en/of * weggebracht en/of laten wegbrengen naar [betrokkene] en/of * in ontvangst genomen en/of laten) nemen door [betrokkene] en/of een of meerdere (andere) verdachte(
- n)en/of perso(o)n(
- en)en/of - betaald en/of laten betalen van een of meer medeverdachte(
- n)en/of perso(o)n(
- en)in Nederland en/of Polen voor werkzaamheden ten behoeve van de levering van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs van Polen naar Nederland, bestaande onder meer uit het verrichten van vertaalwerkzaamheden en/of het doen van bestellingen en/of het regelen van transporten. 2. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 11 juni 2013, in de gemeente Middelburg en/althans (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of[medeverdachte 3] en/of[medeverdachte 4] en/of[medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [betrokkene], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het (telkens) verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om (een) feit(
- en)als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs Bronnen -Een dossier van Korps landelijke politiediensten, NR-Unit Noord- en Oost Nederland, van Het onderzoek Bever met onderzoeksnummer 26102475Z en proces-verbaalnummer 30445352, afgesloten d.d. 10 oktober 2013, bestaande uit een algemeen dossier (ordner 1) een doorzoeking/beslag-dossier (ordner 2) en de zakendossiers artikel 10a en 11a Opiumwet met de bijlagen 7 trajectbeschrijvingen (ordner 15 t/m 22) en artikel 2/10 Opiumwet (ordner 23). In aanvulling hierop, behorend bij genoemd dossier, nog een “aanvullend proces-verbaal (ordner 1)” en een “proces-verbaal verzoeken verdediging (ordner 1)” van Korps landelijke politiediensten, NR-Unit Noord- en Oost Nederland, afgesloten d.d. 13 februari 2014 respectievelijk d.d. 10 februari 2014. Dit dossier en de aanvullingen daarop bevatten een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. -Een proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 14 juli 2014, van de rechter-commissaris in deze rechtbank. Het standpunt van de officier van justitie. Op de in het op schrift gesteld requisitoir aangevoerde gronden acht de officier van justitie de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het standpunt van de verdediging. Op de in de pleitnota aangevoerde gronden heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Het oordeel van de rechtbank. Inleiding De rechtbank zal in het kader van de bewijsvraag achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandelen. Allereerst zal zij aan de orde stellen welke verdachten in dit strafdossier kunnen worden geïdentificeerd. Vervolgens zal zij aandacht besteden aan een aantal verschillende ‘trajecten’ die in het strafdossier worden uitgewerkt en die betrekking hebben op het transport van chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs, in het bijzonder op het vervaardigen van amfetamine via de zogenaamde Leuckart-methode. Daarbij zijn de bewijsmiddelen op twee verschillende wijzen uitgewerkt. Indien de bewijsmiddelen samengevat worden gepresenteerd, wordt daarbij tevens verwezen naar een nader aangeduide bijlage. Daarna komt in meer overkoepelende zin aan de orde of er sprake is geweest van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11A van de Opiumwet, hoe dit verband moet worden geduid en wat de rol van de onderscheiden verdachten daarin is geweest. De rechtbank zal aan een en ander conclusies verbinden ten aanzien van de vraag hetgeen aan de verschillende verdachten is tenlastegelegd bewezen kan worden verklaard. Daarna zal de rechtbank responderen op specifiek namens de verdachten aangevoerde verweren. Wie is wie? De rechtbank zal omwille van de begrijpelijkheid en leesbaarheid van de hierna volgende bewijsoverwegingen in de eerste plaats de identiteit van de verschillende verdachten aan de orde stellen en – indien van toepassing – hun respectievelijke bijnamen noemen. Zij stelt het navolgende vast aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen in hun onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien. Het hierna volgende betreft dus conclusies van de rechtbank die reeds nu worden getrokken, maar die ontleend worden aan later te noemen bewijsmiddelen. Op deze manier behoeft de rechtbank niet telkens daar waar een verdachte met zijn bijnaam wordt genoemd te verduidelijken om welke verdachte het gaat. [medeverdachte 1]: Over deze (mede)verdachte is in wezen geen discussie. [medeverdachte 1] heeft in haar eigen verklaringen uiteengezet dat zij betrokken is geweest bij de bestelling en verder vervoer van een aantal partijen chemicaliën. Op basis van de inhoud van haar eigen verklaringen, van tapgesprekken en de verklaringen van getuige [getuige 1] staat haar identiteit vast. [medeverdachte 2]: [medeverdachte 2] heeft in zijn eigen verklaringen erkend dat hij betrokken is geweest bij transporten van chemicaliën. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in haar verklaringen [medeverdachte 2] geïdentificeerd aan de hand van een foto en heeft verdere identificerende kenmerken genoemd, zoals zijn voornaam. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van getuige [getuige 1]. De voornaam van [medeverdachte 2], is tamelijk specifiek, zeker in combinatie met de omstandigheid dat hij een oude bekende is van [medeverdachte 4] en al vanaf 2009 bij [bedrijf 1] bekend is. Ook de omstandigheid dat verdachte een van de bezoekers van [medeverdachte 4] in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) is geweest, versterkt de identificatie van [medeverdachte 2] als de “[alias 1]” in dit strafdossier. [medeverdachte 6]: Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in haar verklaringen [medeverdachte 6] geïdentificeerd aan de hand van een foto en heeft verdere identificerende kenmerken van deze verdachte genoemd, zoals zijn voornaam. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van getuige [getuige 1]. Ook de omstandigheid dat verdachte een van de bezoekers van [medeverdachte 4] in de PI is geweest, versterkt de identificatie van [medeverdachte 6] als de “[alias 2]” en/of “[alias 3]” in dit strafdossier. [medeverdachte 4]: Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in haar verklaringen verdachte geïdentificeerd aan de hand van een foto en heeft verdere identificerende kenmerken van deze verdachte genoemd, zoals zijn voornaam. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van getuige [getuige 1]. Op basis van de inhoud van tapgesprekken en de OVC-gesprekken staat zijn identiteit vast. De omstandigheid dat een aantal medeverdachten deze verdachte hebben bezocht in de PI versterkt de identificatie van [medeverdachte 4] als de “[alias 3]” en/of “[alias 4]” en/of “[alias 5]”. [verdachte]: Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in haar verklaringen verdachte geïdentificeerd aan de hand van een foto en heeft verdere identificerende kenmerken van deze verdachte genoemd, zoals zijn voornaam. In samenhang met de inhoud van de inhoud van tapgesprekken en de OVC-gesprekken staat zijn identiteit vast als “[alias 6]” en/of “[alias 7]” en/of “[alias 8]”. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]: Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in haar verklaringen deze verdachten geïdentificeerd aan de hand van een foto en heeft verdere identificerende kenmerken van deze verdachten genoemd, zoals het feit dat zij vrienden van elkaar zijn, hun voornaam en specifieke kenmerken/informatie met betrekking tot de vaders van zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 5]. Ook de inhoud van het weergegeven SMS-verkeer van [medeverdachte 1] levert voor beide verdachten aanvullende identificerende informatie op, net als de verklaringen van getuige [getuige 1]. Met betrekking tot [medeverdachte 3] geldt nog dat ook hij een van de bezoekers van [medeverdachte 4] in de PI is geweest. Een en ander leidt met betrekking tot [medeverdachte 3] tot zijn identificatie als de “[alias 9]” en/of “[alias 10]” en/of “[alias 11]” in dit strafdossier. Op grond van de weergegeven feiten en omstandigheden staat vast dat verdachte [medeverdachte 5] “[alias 12]” en/of “[alias 13]” en/of “[alias 14]” wordt genoemd. De trajecten Traject Reclamatie Het onderzoeksteam ontving op 20 juni 2012 en 5 juli 2012 een DINPOL proces-verbaal met daarin de informatie dat er een organisatie bezig was met het op grote schaal inkopen in Polen en vervolgens naar Nederland transporteren van chemicaliën die waarschijnlijk bestemd waren voor de productie van synthetische drugs. De informatie hield voorts in dat de firma [bedrijf 1] te Polen via het chemicaliënbedrijf [bedrijf 2] op 10 à 11 juli 2012 een partij van 1000 kg apaan zou ontvangen vanuit China en dat deze partij geleverd zou worden onder de naam Sodiumhexametafosfaat. Naar aanleiding van deze informatie is de Nederlandse politie naar [bedrijf 2] te Polen afgereisd teneinde verder onderzoek te doen naar deze partij. Ter plaatse bij [bedrijf 2] heeft de politie de partij geïnspecteerd, daarbij – middels een indicatieve test – vastgesteld dat het waarschijnlijk niet om apaan ging maar om een zoutachtige stof, vervolgens monsters van de partij genomen en deze opgestuurd naar het NFI voor nader onderzoek. Het onderzoek van het NFI aan de monsters bevestigt de indicatieve test; het NFI concludeert dat de partij geen middelen betreft die vermeld zijn op een van de lijsten van de Opiumwet of op de bijlage van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën maar dat het om natriumsulfaat gaat. Op 4 juni 2013 heeft er zowel bij het bedrijf [bedrijf 1] te Polen als op het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] aan [adres 2] te [plaatsnaam] een doorzoeking plaatsgevonden. Op beide locaties is administratie inbeslaggenomen. In de administratie bij [bedrijf 1] zijn drie facturen aangetroffen met betrekking tot bestellingen van 4 juni 2012 voor een hoeveelheid van tweemaal 150 kg en éénmaal 200 kg sodium hexametaphosphate – totaal dus 500 kg – ten gunste van de ontvanger [bedrijf 3] met als verkoper [bedrijf 1]. In de administratie bij verdachte [medeverdachte 1] zijn drie facturen aangetroffen met betrekking tot bestellingen van 4 juni 2012 voor een hoeveelheid van tweemaal 150 kg en éénmaal 200 kg (alpha)phenyloacetoacetonitrile (de scheikundige juiste benaming van apaan) – totaal dus 500 kg – ten gunste van de ontvanger [bedrijf 3] met als verkoper [bedrijf 1]. Deze facturen bevinden zich in het dossier. Op de rol van de rechtspersoon [bedrijf 3] komt de rechtbank later uitgebreider terug. Zij volstaat ermee hier op te merken dat [bedrijf 3] direct te koppelen is aan verdachte [medeverdachte 4]. De rechtbank stelt vast dat deze facturen, gelet op de data, de nummers, de hoeveelheden, de prijzen, alsmede het feit dat het om dezelfde verkoper en begunstigde gaat, betrekking hebben op dezelfde bestelde partijen chemicaliën. Zij vindt daarvoor steun in de verklaring van [getuige 1], werkneemster van de firma [bedrijf 1]. Zij verklaart op 4 juni 2013 met betrekking tot dit traject immers dat zij op aanraden van [bedrijf 2] de apaan onder de noemer van sodiumhexametafosfaat moest bestellen omdat dit beter was voor de inklaring bij de douane, dat de chemicaliën in principe wel onder hun eigen naam zijn besteld maar dat [bedrijf 1] door [bedrijf 2] is belazerd doordat uiteindelijk een soort van bakpoeder of soda is geleverd. Bij een doorzoeking van dezelfde datum in de woning van [getuige 1] is een computer inbeslaggenomen, waarop e-mailverkeer is aangetroffen, in het bijzonder: - een e-mailbericht van 31 juli 2012 gericht aan verdachte [medeverdachte 1] waarin [getuige 1] verdachte [medeverdachte 1] een tekst aan de hand doet die is bestemd voor ‘[alias 2]’ en voor ‘[alias 9]’; die tekst houdt in beide gevallen onder meer in een verklaring voor de verkeerde aflevering van het product, dat [bedrijf 1] een nieuwe leverancier van apaan heeft gevonden en dat zij alvast 500 kg heeft besteld; - een e-mailbericht van 1 augustus 2012 gericht aan het mailadres “[emailadres 1]”, waaromtrent [getuige 1] verklaart dat dit het mailadres van verdachte [medeverdachte 3] betreft, met dezelfde hierboven weergegeven inhoud, dus ook het feit dat zij “alvast 500 kg heeft besteld”. Uit een en ander trekt de rechtbank het gevolg dat zowel verdachte [medeverdachte 6] als verdachte [medeverdachte 3] afnemer zijn van de bestelde apaan en wel beiden voor een hoeveelheid van 500 kg. De rechtbank vindt in de verklaring van [getuige 1] bevestiging voor die gevolgtrekking, in aanmerking genomen dat zij tegenover de politie heeft verklaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] (verdachte [medeverdachte 3] en verdachte [medeverdachte 6]) in de lente van 2012 ieder 500 kg apaan hebben besteld. In het dossier bevinden zich een aantal tapgesprekken die blijkens hun inhoud kennelijk betrekking hebben op de hierboven beschreven levering van sodiumhexametafosfaat in plaats van apaan. De rechtbank wijst in dit verband op de volgende tapgesprekken: - een gesprek van 20 augustus 2012 te 09:56 uur waarin verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI tracht contact op te nemen met verdachte [medeverdachte 2] en tijdens het overgaan van de telefoon de opmerking plaatst “die is lekker naar dinges toe, volgens mij jongen, lekker naar Polen” - een gesprek van 21 augustus 2012 te 13:50 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 2] zegt “dat hij gisteren die jongen heeft gesproken en dat het helemaal niet goed zat daar en dat ze de dingen hadden gegeven”; [medeverdachte 4] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij alleen maar mee hoeft om te praten en te vertalen. [medeverdachte 4] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij nog “een vol” krijgt en [medeverdachte 2] bevestigt dit. - een gesprek van 21 augustus 2012 te 13:55 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 4] zegt “dat die ene ‘keuken’ (Rb verstaat: apaan) al volledig is betaald die hele grote, want dat is fout gegaan” - een gesprek van 21 augustus 2012 te 14:01 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 1] zegt dat ze een “probleem” moet oplossen en [medeverdachte 4] antwoordt dat hij weet dat zij een groot probleem heeft en dat hij weet wat er gebeurd is. [medeverdachte 1] merkt op dat ze het probleem kan oplossen en dat ze een brief heeft voor die ‘klootzak’. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 1] vrijdag telefoon krijgt van de ‘[alias 3]’ en anders van zijn vriend uit [plaats 1] (Rb verstaat: [medeverdachte 2]). Op de vraag van [medeverdachte 4] of de ‘keuken’ niet kan worden omgeruild, antwoordt [medeverdachte 1] bevestigend. [medeverdachte 4] zegt vervolgens tegen [medeverdachte 1] dat als die ‘[alias 3]’, nadat hij volgende week met hen geweest is, tegen hem zegt dat die ‘keuken’ goed is en die ‘inbouw apparatuur’ omgeruild kan worden, dat zij dan meteen haar geld krijgt. - een gesprek van 23 augustus 2012 te 17:54 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] en verdachte [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 1] zegt dat “ze morgen contact met haar opnemen”, [medeverdachte 1] zegt dat ze geprobeerd heeft om contact op te nemen met de ‘[alias 3]’, maar dat dit niet gelukt is en dat zij op 3 augustus 2012 van de ‘[alias 3]’ naar Polen moest komen omdat hij de ‘keuken’ (Rb verstaat: apaan) wilde bekijken maar dat hij daar niet is gekomen. - een gesprek van 25 augustus 2012 te 10:49 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] en verdachte [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 1] zegt dat niemand nog contact met haar heeft opgenomen, verdachte [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 1] het telefoonnummer van verdachte [medeverdachte 2] geeft met de mededeling dat zij met hem contact moet opnemen om een afspraak te maken teneinde dan met z’n drieën naar Polen te gaan en “alles daar netjes op te lossen”. - een gesprek van 4 september 2012 te 13:58 uur tussen verdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin gesproken wordt over deze bestelde partij en de reclamatie ervan. [medeverdachte 1] vraagt aan [getuige 1] of zij al met ‘die anderen’ erover gesproken heeft, dat “die 500 wel kan komen, maar dat die andere 500 al verbruikt is” en dat die mensen pas daarna erachter zijn gekomen dat het “een verkeerd iets” is. Verderop in het gesprek vraagt [getuige 1] aan [medeverdachte 1] of er iemand is die contact heeft gehad met de ‘[alias 3]’, waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat niemand weet waar hij is. [medeverdachte 1] zegt dat ‘[alias 9]’ heeft gezegd dat het voor hem geen probleem is; als ‘het’ komt, dan geven zij met hetzelfde transport ‘dat andere’ terug, omdat het niet nodig is om heen en weer te rijden; dat is niet slim; het ‘ene’ moet eerst komen en het ‘andere’ gaan ze dan inpakken. Verdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie met betrekking tot haar betrokkenheid in het geheel meerdere verklaringen afgelegd. Voor zover het dit traject betreft heeft zij verklaard dat [medeverdachte 6] het product heeft besteld, dat zij in verband met deze bestelling [bedrijf 1] heeft gebeld en de bestelling van het product heeft geplaatst. Het ging om apaan. Verder houdt haar verklaring o.a. in dat zij van [medeverdachte 6] met hem naar [bedrijf 1] moest gaan en dat hij aldaar voor het product in contanten heeft betaald, dat zij – naar de rechtbank begrijpt: in verband met het ophalen van het product – bij de fabriek is geweest en dat [medeverdachte 6] daar ook zou komen maar niet op kwam dagen. [medeverdachte 6] heeft het product later opgehaald samen met ‘[alias 1]’, waarna ‘[alias 4]’ haar vervolgens boos heeft opgebeld omdat het de bedoeling was dat zij zelf het product zou ophalen en niet [medeverdachte 6] (verdachte [medeverdachte 6]), aldus [medeverdachte 1]. De verklaring van [medeverdachte 1] vindt op onderdelen bevestiging in de getuigenverklaring van [getuige 1] bij de politie. Zij verklaart immers dat de situatie waarin [bedrijf 1] door [bedrijf 2] werd belazerd betrekking had op een bestelling van 500 kilo ‘44’ (Rb verstaat: apaan) door [medeverdachte 6] (verdachte [medeverdachte 6]), waarbij de goederen naar Nederland gingen en dat [medeverdachte 6] ze aan [bedrijf 1] teruggaf, dat hij toen zelf het busje bestuurde, dat [medeverdachte 6] persoonlijk bij [bedrijf 1] kwam, dat hij de chemicaliën contant betaalde en dat deze chemicaliën bestemd waren voor [bedrijf 3]. Conclusie De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot het onderhavige traject vast: - dat verdachte [medeverdachte 4] onder de vlag van [bedrijf 3] opdracht heeft gegeven tot de bestelling van 1000 kg apaan, dat hij aan verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] instructies geeft met betrekking tot het oplossen van het probleem dat een verkeerde stof, dat wil zeggen een andere stof dan apaan, is geleverd, in die zin dat hij de opdracht geeft dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] naar het bedrijf moeten gaan om het daar op te lossen en dat hij [medeverdachte 1] een betaling in het vooruitzicht stelt als alles geregeld is; - dat verdachte [medeverdachte 2] in dit traject is betrokken als de persoon die ter plaatse de partij moest controleren en [medeverdachte 4] op de hoogte houdt van de stand van zaken. Voorts is hij de persoon die ter plaatse van de firma [bedrijf 1] het probleem met de levering van het verkeerde product samen met anderen moet oplossen en dat hij uiteindelijk samen met verdachte [medeverdachte 6] 500 kg heeft opgehaald; - dat verdachte [medeverdachte 6] een van de afnemers is van de partij van 1000 kg apaan, in die zin dat hij 500 kg daarvan heeft afgenomen terwijl het achteraf bleek te gaan om sodiumhexametafosfaat. Hij heeft voor het product ter plekke in contanten betaald en later samen met verdachte [medeverdachte 2] de goede partij opgehaald. In de tussentijd zou hij bij [bedrijf 1] komen om de partij te inspecteren, maar is toen niet op komen dagen. Hij heeft (zie ook traject 18 september 2012) het verkeerde product teruggebracht teneinde te ruilen voor daadwerkelijke apaan. - dat verdachte [medeverdachte 3] de afnemer is van de andere helft van de partij van 1000 kg apaan maar uiteindelijk met 500 kg sodiumhexametafosfaat opgescheept zat. Hij regelt vervolgens dat hij deze verkeerde partij terugstuurt op het moment dat hij daadwerkelijk 500 kg apaan geleverd krijgt. Traject 18 september 2012 Uit de bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in bijlage A, volgt dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] een hoeveelheid van tenminste 500 kilo apaan en 600 liter zoutzuur heeft besteld bij [bedrijf 1]. Deze goederen zijn op 18 september 2012 vervoerd en ontvangen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Op 18 september 2012 wordt het zoutzuur (kennelijk) niet in orde bevonden. De inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1] wordt door andere bewijsmiddelen op alle wezenlijke onderdelen bevestigd, en kan om die reden als bewijsmiddel worden gebruikt. De rechtbank ziet dit transport los staan van eerdere actieve samenwerking tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] enerzijds en de andere (mede)verdachten anderzijds. De rechtbank kan op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat ook deze andere verdachten in strafrechtelijke zin betrokken zijn bij dit transport van drugsprecursoren. De enkele omstandigheid dat gebruik is gemaakt van [bedrijf 3] om de goederen te bestellen is daartoe niet voldoende, omdat niet blijkt dat of en zo ja wie van de andere verdachten heeft ingestemd met dit gebruik. Het lijkt er eerder op dat dit traject is verricht door [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] buiten de reguliere kaders van het toen bestaande criminele samenwerkingsverband, dat hierna nog afzonderlijk ter sprake komt. Traject Zoutzuur [bedrijf 4] In verband met hetgeen wat betreft de trajecten Reclamatie en 18 september 2012 uit de bewijsmiddelen naar voren komt – in het bijzonder de onvolledige levering van de bestelling van 20 augustus 2012 voor een hoeveelheid van 1000 kilo apaan ten behoeve van o.a. verdachte [medeverdachte 3] – kan worden aangenomen dat o.a. [medeverdachte 3] nog een levering van 500 kg Apaan tegoed had van [bedrijf 1]. De levering en verdere aanloop daar naar toe worden hierna besproken in traject 12 januari 2013. Hieruit volgt tevens dat de levering van de apaan op zich heeft laten wachten. In een tapgesprek van 3 oktober 2012 tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] wordt erover gesproken dat om hen rustig te krijgen alvast zout (Rb. verstaat: zoutzuur) naar hen gestuurd wordt en daarna de 44 (Rb. verstaat: apaan). Dit voornemen wordt een paar weken later ook zo uitgevoerd, blijkens het navolgende. In tapgesprekken van 29 oktober 2012 tussen hen beiden geeft [getuige 1] aan dat het twee pallets zoutzuur zullen zijn en dat zij opdracht aan [bedrijf 4] heeft gegeven om het op te halen. Zij heeft de telefoonnummers van [medeverdachte 1] doorgegeven, waaronder dat waar zij nu mee praten ([telefoonnumer 1] rechtbank). Het zoutzuur is getest en heeft (een concentratie van, Rb.) 37%. Zij heeft het adres “[adres 3]” (fon.) doorgegeven. Het vervoer van [bedrijf 4] gaat met een vrachtauto. Bovenstaande tapgesprekken van 29 oktober 2012 worden ondersteund door de resultaten van onderzoek in het bedrijfssysteem van[bedrijf 4]. Hierbij werd een vrachtbrief met daarop de volgende gegevens aangetroffen: Afzender: [bedrijf 1], [adres 4]. Ontvanger: [bedrijf 3] [adres 5]. Inhoud: 2 pallets zoutzuur. Datum ondertekening: 29/10/2012 Ondertekening: [getuige 1], [bedrijf 1]. Vrachtnummer: 601198639 Op grond van de navolgende bewijsmiddelen stelt de rechtbank voorts vast dat het transport van het zoutzuur naar Nederland ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Op 5 november 2012 is getracht het zoutzuur op bovengenoemd adres af te leveren. Dit is niet gebeurd omdat het afleveradres een leegstaand pand was. De chauffeur heeft het zoutzuur vervolgens na overleg met [medeverdachte 1] teruggebracht naar [bedrijf 4]: Op vrijdag 2 november 2012 werd door de politie van [bedrijf 4] de informatie verkregen dat er vanuit de vestiging in Polen een elektronische melding is gekomen dat de vrachtwagen met de lading met vrachtnummer 601198639 is vertrokken. Bij de melding zat een verzoek om de lading 601198639 op maandag 5 november 2012 af te leveren. Tevens werd in de melding de naam [medeverdachte 1] en het telefoonnummer [telefoonnumer 1] genoemd. Op 4 november 2012 is een onderzoek gedaan bij de firma [bedrijf 4], aan twee pallets met daar op 48 en 52 vaatjes. Deze twee pallets staan gereed voor transport in een trailer voorzien van het kenteken [kenteken 1], om op maandag 5 november 2012 te worden afgeleverd op het afleveringsadres [adres 5]. Uit de vaatjes zijn monsters genomen welke ter plaatse door een medewerker van de forensische technische opsporing, zijn getest. Hieruit bleek het te gaan om zoutzuur. Op maandag 5 november 2012 heeft er een observatie plaatsgevonden op het transportbedrijf [bedrijf 4]. Waargenomen is dat een vrachtwagen met oplegger van [bedrijf 4] met kenteken [kenteken 1] naar [adres 5] rijdt. Hij rijdt naar het wok-restaurant gelegen aan de [adres 5] en parkeert op een parkeerterrein, welke achter het wok-restaurant is gelegen. Daarna vertrekt de chauffeur van het parkeerterrein en rijdt richting Oss. De chauffeur, getuige [getuige 2], verklaart dat hij 5 november 2012 een partij zoutzuur van [bedrijf 4] naar de [adres 5], [bedrijf 1], zou brengen. De oplegger was voorzien van het kenteken [kenteken 1]. Na aankomst daar bleek er niemand aanwezig te zijn. Hij had telefonisch contact gezocht met het telefoonnummer wat op de vrachtpapieren stond vermeld, [telefoonnumer 1], en had gesproken met een vrouw die redelijk Nederlands sprak en heeft afgesproken dat hij de lading terug zou brengen naar [bedrijf 4]. Hij is verder gegaan met zijn rit en aan het eind van de dag zijn de vaten bij [bedrijf 4] uit de oplegger gehaald. Hij heeft deze rit goed onthouden omdat hij nog nooit iets bij een leegstaand pand had afgeleverd. Dat naast [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 3] is betrokken bij het transport en de (poging tot) levering volgt uit de navolgende tapgesprekken. Zij ([medeverdachte 3] en [medeverdachte 5], zie ook de 6e verklaring van [medeverdachte 1] die hierna is opgenomen) betalen voor het verdere transport, [medeverdachte 3] moet mee om het zoutzuur bij [bedrijf 4] op te halen en [medeverdachte 1] noemt [medeverdachte 3] haar baas: [medeverdachte 1] wordt op 5 november 2012 om 12.02 gebeld door een medewerker van [bedrijf 4] over het ophalen van de vaten. Ze spreken af dat zij het morgen komt ophalen. Zij moet een bus huren. Vijf minuten later belt ze naar haar moeder en vertelt dat de goederen in Oss zijn aangekomen. [alias 9] (Rb.: [medeverdachte 3]) zei dat het beter is om het zelf op te halen. "Zij" betalen [medeverdachte 1] voor het busje,de chauffeur en voor alles als "het" maar aankomt. Op 6 november 2012 wordt [medeverdachte 1] wederom door een medewerker van [bedrijf 4] gebeld. Hij vraagt zich af hoe laat zij de vaten gaat ophalen. Zij zegt dat ze geen contact met haar baas heeft en dat haar baas het moet ophalen. Vervolgens belt [medeverdachte 1] op 7 november 2012 twee maal met [persoon 1]: [medeverdachte 1]: [alias 9] heeft mij wakker gemaakt. Hij is terecht, de sukkel. Het schijnt dat hij zijn telefoon stuk heeft gemaakt. Hij komt vandaag, omdat de goederen ontvangen moeten worden. Hij zei: oké, hij zal komen. Hij zal hier wachten als ik uit mijn werk kom. Later die dag: [medeverdachte 1]: Hij heeft mij al gebeld. Ik zei: Kijk, de telefoon is weer gevonden. Je was 3 dagen niet te vinden. Een moet nog in ontvangst genomen worden. En hij belde al: Ben je zeker om 1 uur thuis? ... om het op te halen? Ik zei: Ja. Ik zal er zijn. . .. Want hij kan dat niet zonder mij in ontvangst nemen, weet je? ... Ik zei: Ja ik zal er zijn. Daarna belt [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) die dag met een medewerker van [bedrijf 4] ([bedrijf 4]): [bedrijf 4]: Goeiedag [medeverdachte 1]: Ja ik heb afspraak om twee uur toch, dat ik bellen, moet bellen, en hoeft niet. Mijn baas nu rijden naar mij, dus hij moet hier half 1, 1 uur, dan wij komen naar, naar jou. [bedrijf 4]: Half 1, 1 uur [medeverdachte 1]: Ja [bedrijf 4]: Helemaal goed Vervolgens wordt ze gebeld door [persoon 2]. In dit gesprek geeft ze aan dat ze op[medeverdachte 3] aan het wachten is. Ze is uit het werk gekomen en ze wacht op [medeverdachte 3] (NWG) en dan moeten ze de andere auto halen. [medeverdachte 1] zegt dat zij moeten rijden naar die Firma Logistiek, voor die product te halen, de firma [bedrijf 4] (fon). Ze heeft daar om 2 uur een afspraak. [medeverdachte 1]: en hij gaat met mij .. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] contact met verschillende medewerkers van [bedrijf 4]. Ze vraagt of het niet tot maandag bij [bedrijf 4] kan blijven staan. (rb maandag 12 november 2012). Later wordt [medeverdachte 1] terug gebeld door [bedrijf 4]. Zij geven aan dat de lading niet tot maandag kan blijven staan. [medeverdachte 1] geeft aan dat ze het dan maar terug moeten sturen naar [bedrijf 1] op kosten van [bedrijf 1]. De hiervoor geschetste gang van zaken vindt nog eens bevestiging in verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] afgelegd bij de politie. In het bijzonder wijst de rechtbank in dit verband op de navolgende verklaringen: In een verhoor van [medeverdachte 1] van 5 juni 2013 13:40 uur (4e verhoor) is haar het volgende voorgehouden: Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] rond oktober/november 2012 een partij zoutzuur en 44 bij [bedrijf 1] heeft besteld. Deze partij was bestemd voor [medeverdachte 3] en zou worden vervoerd via [bedrijf 4] transport van Polen naar Nederland. Op 5 november 2012 heeft [medeverdachte 1] contact met de chauffeur van [bedrijf 4] die de goederen moest gaan lossen in Schaijk. [medeverdachte 1] zegt in dit gesprek dat zij een andere afspraak wil maken en eventueel de goederen zelf wil gaan ophalen. Op 7 november 2012 spreek [medeverdachte 1] om 13.00 uur af met[medeverdachte 3] om de goederen op te gaan halen bij [bedrijf 4] Transport. Uiteindelijk gaat dit niet door. [medeverdachte 1] heeft nog een aantal malen telefonisch contact met [bedrijf 4] en uiteindelijk worden de goederen door [bedrijf 4] terug gestuurd naar Polen. Er wordt haar dan gevraagd (V): Wat heb jij hierover te verklaren? Zij antwoord (A): Het klopt niet helemaal. [medeverdachte 1] legt vervolgens uit dat het gedeelte over de 44 op een aantal punten niet klopt. V: De rest van het verhaal klopt wel? A: Ja dat klopt. Ik heb nog contact met [getuige 1] gehad om te vragen waarom het op mijn naamnaar [bedrijf 4] is gestuurd. V: Waarom zou het op jou naam naar [bedrijf 4] zijn gestuurd? Op wie zijn naam zou het dan moeten worden verstuurd? A: Dat weet ik niet. Het moest altijd op naam van een firma worden verstuurd. Ik heb gebeld met [alias 9] dat de producten bij [bedrijf 4] staan en dat hij ze op moest gaan halen. Ik heb besloten dit niet te doen. Ik wilde geen risico lopen en daarom gevraagd het terug te sturen. In Polen is het misschien toegestaan maar in Nederland niet. V: Wij weten dat jij de producten op naam van [bedrijf 3] bestelde bij [getuige 1]? A: Dat klopt. In haar verhoor van 13 juni 2013 15.30 uur (6e verhoor) verklaart [medeverdachte 1] als volgt: Dat wat bij [bedrijf 4] kwam en wat later met een busje is gekomen dat was bestemd voor [medeverdachte 5]. Ik moest het ophalen van hem maar dat wilde ik niet. Ik was ook verbaasd dat het op mijn naam besteld was. Ook is getuige [getuige 1] verhoord, onder meer op 4 juni 2013 (1e verhoor). Zij verklaart onder meer: [medeverdachte 1] kocht verschillende producten bij [bedrijf 1]. Het zoutzuur kocht zij de hele tijd door misschien vier keer. [medeverdachte 1] handelde altijd namens [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] of [medeverdachte 6]. Één keer hebben wij de producten via bedrijf [bedrijf 4] geleverd. Het was zoutzuur, maar die kwam bij ons terug en werd niet afgenomen. Wij kregen een adres in Nederland. Conclusie De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot het traject “zoutzuur [bedrijf 4] 5 november 2012” het navolgende vast. [medeverdachte 1] heeft bij deze bestelling bemiddeld met [bedrijf 1] ten behoeve van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Zij heeft in nauwe samenwerking met [getuige 1] het transport en de levering van het zoutzuur door [bedrijf 4] voorbereid. Zij heeft bij aankomst in Schaijk de chauffeur de opdracht gegeven het zoutzuur terug naar [bedrijf 4] Oss te vervoeren en vervolgens voor [medeverdachte 3] onderhandeld met medewerkers van [bedrijf 4] Oss over het ophalen daarvan. Zij heeft een afspraak gemaakt met [medeverdachte 3] om samen het zoutzuur te gaan ophalen. Zij heeft uiteindelijk opdracht gegeven aan [bedrijf 4] Oss het zoutzuur terug te sturen naar [bedrijf 1]. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zijn de afnemers van het zoutzuur. [medeverdachte 3] heeft bovendien zeggenschap over het al dan niet afleveren van het zoutzuur in Schaijk en het vervolgens al dan niet zelf ophalen van het zoutzuur bij [bedrijf 4], en zou de kosten daarvan betalen. Hij heeft een afspraak gemaakt met [medeverdachte 1] om samen het zoutzuur te gaan ophalen. Traject 12 januari 2013 en dumping zoutzuur In verband met hetgeen wat betreft de trajecten Reclamatie en 18 september 2012 uit de bewijsmiddelen naar voren komt – in het bijzonder de onvolledige levering van de bestelling van 20 augustus 2012 voor een hoeveelheid van 1000 kilo apaan ten behoeve van (o.a.) verdachte [medeverdachte 3] – kan worden aangenomen dat (o.a.) [medeverdachte 3] nog een levering van 500 kg Apaan tegoed had van [bedrijf 1]. In het dossier bevindt zich een factuur d.d. 29 oktober 2012 van [bedrijf 1] ten behoeve van [bedrijf 3] als klant voor een hoeveelheid van 500 kg Apaan ter waarde van 140.220,00 zloty, welke factuur is afgegeven door [getuige 1]. Het mag redelijkerwijs worden verondersteld dat deze factuur is opgemaakt ten behoeve van de levering alsnog van 500 kg apaan aan [medeverdachte 3]; te meer als daarbij in aanmerking wordt genomen de inhoud van de getapte telefoongesprekken op dezelfde datum als de even hiervoor genoemde factuur tussen verdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1]. Zo is daar een tapgesprek tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] van 29 oktober 2012 om 13.54 uur waarin wordt gesproken over een bedrag dat voor 500 kilo moet worden betaald, over 44 (Rb verstaat: apaan), over 280 voor ‘[alias 9]’, over dat die 500 kilo nog moet worden besteld en over het feit dat [getuige 1] nog de factuur moet sturen. Voorts is er een tapgesprek tussen deze twee personen van dezelfde datum om 20.09 uur waarin [getuige 1] bevestigend antwoord op een vraag van [medeverdachte 1] of zij een factuur voor een bedrag van 280 opgestuurd heeft en daarbij tevens vermeldt dat het voor 1 kilo was. Uit het feit dat het factuurbedrag van 140.220 zloty voor 500 kilo apaan neerkomt op een bedrag van iets meer dan 280 zloty per kilo apaan, concludeert de politie dat deze gesprekken betrekking hebben op de hiervoor genoemde factuur; een valide conclusie die de rechtbank deelt en tot de hare maakt. De rechtbank komt mede tot deze conclusie bij gebrek aan een andere redengevende verklaring van verdachten hieromtrent. De rechtbank merkt reeds hier op dat zij op grond van het strafdossier zal vaststellen dat op 12 januari 2013 een levering heeft plaatsgevonden van 500 kilo apaan en 2000 liter zoutzuur en dat deze 500 kilo apaan de levering is van de bestelling waarop de hiervoor genoemde factuur betrekking heeft. De rechtbank zal dadelijk daarop terugkomen en ook de bewijsmiddelen benoemen waarop deze vaststelling is gebaseerd, maar zal eerst de aandacht vestigen op de aanloop naar dit transport en de betrokkenheid van onderscheidenlijke verdachten daarbij, zoals naar voren komt uit de hierna weer te geven inhoud van afgeluisterde gesprekken en onderschepte SMS-berichten. De hierna te volgen weergave betreft de inhoud die de rechtbank terzake het meest relevant acht. Voor de overigens tot bewijs te bezigen inhoud van deze gesprekken en SMS-berichten verwijst de rechtbank naar het als bijlage B bij dit vonnis gevoegde overzicht van de bewijsmiddelen. Het gaat in dit verband om de volgende onderschepte communicatie: - een gesprek van (vrijdag) 19 oktober 2012 te 12:44 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] waarin onder meer gesproken wordt over het feit dat [medeverdachte 1] op zondag naar ‘[medeverdachte 4]’ gaat, dat [getuige 1] blij zal zijn als het goed komt met ‘de poen van [medeverdachte 4]’, dat ‘[medeverdachte 4]’ denkt dat de goederen nog steeds op hem liggen te wachten en daarom wil betalen; - een gesprek van 29 oktober 2012 te 13.54 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] waarin [getuige 1] vraagt of zij met dat geld van ‘[medeverdachte 4]’ komt, waarin gesproken wordt over het bedrag dat voor 500 kilo betaald moet worden kennelijk voor 44 (Rb: apaan) en waarbij [getuige 1] opmerkt dat ‘[medeverdachte 4]’ denkt dat die 500 kilo hier in Polen is en waarin [getuige 1] zegt dat die ‘280’ voor ‘[medeverdachte 4]’ wordt; - een gesprek van 29 oktober 2012 te 18:25 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1]waarin gesproken wordt over een factuur waarop een bepaald bedrag vermeld moet staan, waarin [medeverdachte 1] opmerkt dat ‘[medeverdachte 4]’ haar gebeld had met de mededeling dat hij morgen zal bellen over ‘hoe en wat’ en dat zij tegen ‘[medeverdachte 4]’ zal zeggen dat zij het op de bankrekening zal overmaken zodat niemand naar de fabriek hoeft en dat zij het goed vindt dat het vervoer later met kleinere auto’s wordt rondgebracht omdat ‘zij’ het op een of andere parkeerplaats laden en niemand aan anderen wil laten zien waar het magazijn is; - gesprekken van 30 oktober 2012 en 4 november 2012 tussen [medeverdachte 1] en anderen, waarin gezegd wordt dat [medeverdachte 1] op een bepaalde locatie een bedrag van dertig duizend euro moet ophalen, dat zij met een bedrag van éénendertigduizend gaat reizen naar Polen omdat zij “het” moet betalen en dat ‘[alias 9]’ zich aan de afspraken houdt: “als hij zegt dat hij éénendertig brengt, dan doet hij dat ook”; - een gesprek van 5 november 2012 te 13:42 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 3] namens [bedrijf 1] waarin [persoon 3] onder meer mededeelt dat er goederen zijn aangekomen (het zoutzuur van Traject [bedrijf 4] november 2012) maar dat het tweede product (Rb: de 500 kilo apaan) er nog niet is en waarin [medeverdachte 1] mededeelt dat zij ‘[medeverdachte 4]’ donderdag zal zien, dat hij heeft gezegd dat hij aan haar het geld voor een halve ton gaat geven en dat zij ‘[medeverdachte 4]’ ervan zal proberen te overtuigen dat het geld zo spoedig mogelijk betaald moet worden; - SMS-verkeer van 7 november 2012 tussen [getuige 1] en [medeverdachte 1], voor zover inhoudende dat [getuige 1] moet reageren op een mail van ‘[alias 9]’, ze zijn boos, en volgens [getuige 1] is het zout aangekomen en zijn er over de ‘44’ (Rb: apaan) problemen met het geld; - SMS-verkeer van 19 november 2012 tussen [getuige 1] en [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 1] informeert bij [getuige 1] hoe het met de ‘44’ (Rb: apaan) zit en [getuige 1] aangeeft dat er geen nieuws is omdat ze nog op geld zitten te wachten; - een gesprek van 20 november 2012 te 09:07 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] waarin [medeverdachte 1] mededeelt dat ‘[alias 9]’ naast haar zit, dat hij informeert naar de ‘44’ (Rb: apaan) en dat hij opmerkt dat [getuige 1] ervoor gaat betalen als die ‘44’ niet komt, dat hij vraagt wanneer het zal komen en dat hij daarmee niet doelt op het zoutzuur (traject [bedrijf 4]) maar ‘dat andere’, “de 44”; - een SMS-bericht van 26 november 2012 tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], inhoudende dat [medeverdachte 3] ‘M’ (Rb verstaat: [getuige 1] ) de schuld geeft als de ‘44’ (apaan) kwijt is door controle en dat zij dan moet zorgen voor nieuwe en dat [medeverdachte 1] dat aan ‘M’ moet doorgeven; - een gesprek van 6 december 2012 te 10:59 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] informeert naar het tijdstip waarop die ‘44’ (Rb.: apaan) komt, dat ‘[alias 9]’ tegen [medeverdachte 1] had gezegd dat hij zakken (Rb.: zakken om de apaan in te verpakken) naar [getuige 1] zou gaan opsturen omdat hij zich, na mededeling van [medeverdachte 1] dat ‘het’ bij de grens stond, afvroeg “hoe moet zij ‘het’ doen, zij heeft toch geen zakken?”, waarop [getuige 1] opmerkt dat hij al een keer eerder zakken naar haar heeft opgestuurd; - een gesprek van 7 december 2012 te 11:24 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin door [medeverdachte 1] geïnformeerd wordt naar een chauffeur voor het transport en of [getuige 1] haar het nummer van de chauffeur kan geven en waarin zij informeert naar de wijze waarop de invoer van ‘44’ (Rb.: apaan) in het algemeen gaat. [medeverdachte 1] krijgt in dit gesprek van [getuige 1] een tweetal telefoonnummers en de naam van de chauffeur van het transport door, te weten [persoon 4]. [medeverdachte 1] vertelt [getuige 1] over een bericht dat ‘[alias 9]’ op de ‘muur’ aan ‘[medeverdachte 4]’ had achtergelaten nadat ‘[medeverdachte 4]’ had gebeld dat zij – [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] – op bezoek moesten komen met als tekst “[medeverdachte 4], godverdomme, ik ben je hond niet, ik ga geen afspraken met je maken, jij bent de poen schuldig”; - een gesprek van 7 december 2012 te 12:00 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4], waarin [medeverdachte 1] aan [persoon 4] vraagt om even bij [getuige 1] langs te gaan omdat zij een bestelling verwacht en wil dat hij dit voor haar gaat vervoeren. [persoon 4] zegt toe bij [getuige 1] langs te gaan; - een gesprek van 8 december 2012 te 10:54 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] informeert of [getuige 1] inmiddels hun leverancier heeft gebeld over de ‘44’ (Rb.: apaan) waarop [getuige 1] antwoordt dat zij de leverancier gesproken heeft en dat deze maandag met de douane contact op zal nemen; - een gesprek van 10 december 2012 te 11:28 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], met als inhoud dat [getuige 1] de douane heeft gebeld en dat er geen obstakels zijn; - een gesprek van 10 december 2012 te 11:34 uur tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] over dat de spullen weg zijn en dat [medeverdachte 1] gewoon die centjes moet hebben; - een gesprek van 14 december 2012 te 09:58 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [getuige 1] mededeelt dat ‘[medeverdachte 4]’ tegen anderen verteld heeft dat er bij haar op de fabriek 500 kilo van ‘44’ (Rb.: apaan) is en dat ‘zij’ dat moeten ophalen omdat al gestort is, waarin gesproken wordt over prijsstijgingen van ‘44’ in verband met het feit dat dit steeds moeilijker te betrekken is en dat ‘[medeverdachte 4]’ weet van die prijsverhoging, en dat ‘[alias 9]’ heeft gezegd dat als ‘het’ rond kerst komt, hij liever heeft dat ‘het’ na oud en nieuw komt, omdat ze bang voor controle zijn; - een gesprek van 18 december 2012 te 09:37 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] mededeelt dat zij van de ‘[alias 12]’ tegen [getuige 1] moet zeggen dat zij opschieten moet met die ‘44’ (Rb.: apaan), dat zij het in het begin van het jaar nodig hebben en dat zij, behalve dat, willen dat het zout aan het begin van het jaar komt. [getuige 1] vertelt dat zij op de tweede weer open gaan en als het er dan is, dat het dan de derde daar weg kan. De politie krijgt via een Sienaberichten van 4 januari en 9 januari 2013 informatie dat een lading apaan ter inklaring ligt bij de douane en dat deze lading op 9 januari 2013 bij [bedrijf 1] zal worden afgeleverd, waarna de lading naar Nederland zal worden vervoerd. Afgeluisterde communicatie rond die datum bevestigen dat. De rechtbank wijst in dat verband in het bijzonder naar de volgende tapgesprekken: - een gesprek van 8 januari 2013 te 13:33 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] bij [getuige 1] informeert of de ‘44’ (Rb.: apaan) al aangekomen is waarop [getuige 1] antwoordt dat de ‘44’ een dag later op haar bedrijf wordt verwacht. [medeverdachte 1] informeert ook of het ‘zout’ (Rb.: zoutzuur) er staat, waarop [getuige 1] antwoordt dat het gaat om 100 jerrycans van 20 liter, dus 2000 liter. Verder worden er afspraken gemaakt over het transport. [medeverdachte 1] krijgt instructies van [getuige 1] over de machtiging die zij moet opmaken voor de chauffeur van het transport, [persoon 4]. [medeverdachte 1] deelt [getuige 1] mede dat ‘[alias 9]’ ‘hem’ (Rb.: de chauffeur) ‘hier ter plekke’ (Rb.: in Nederland) betaalt; - een gesprek van 8 januari 2013 te 14:56 uur tussen [medeverdachte 1] en een NN-man (Rb: [persoon 4]/[persoon 4]), waarin [medeverdachte 1] zegt dat zij een transport voor de NN-man kan regelen en waarin zij informeert naar de kosten van het transport. De NN-man geeft een prijs door van 500-600 euro waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat zij “vanavond bij de jongens is en dan de prijs doorgeeft” en dat zij terug zal bellen in het geval ‘zij’ (Rb. : de jongens) de prijs te hoog vinden. [medeverdachte 1] antwoordt bevestigend op een vraag van de NN-man of hij ‘het’ op vrijdag moet ophalen. NN-man vraagt naar het adres waar hij het op kan halen; - een gesprek van (woensdag) 9 januari 2013 te 14:12 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4], waarin [persoon 4] informeert tot hoe laat hij op vrijdag kan inladen waarop [medeverdachte 1] antwoordt: tot 17.00 uur. [medeverdachte 1] zegt tegen [persoon 4] dat zij gisteren bij ‘de jongens’ was, dat ‘de ene’ er niet was maar dat het aan hem zal worden doorgegeven, en dat haar gevraagd werd of er iets van de prijs af kan. In het dossier bevinden zich verder nog een aantal tapgesprekken, die wat betreft hun inhoud voornamelijk betrekking hebben op de organisatie rondom het transport van de zending apaan en zoutzuur en de aflevering daarvan. In het bijzonder wijst de rechtbank in dat verband op de volgende onderschepte communicatie: - een gesprek van 10 januari 2013 te 10:55 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin onder andere gesproken wordt over de organisatie rond de aanstaande zending apaan en zoutzuur. Er wordt gesproken over welke goederen aanwezig zijn, die de chauffeur de volgende dag moet ophalen. Er is verwarring ontstaan over wat er nu staat en wat er meegegeven moet worden. Uiteindelijk gaat het om 500 kilo phenyloacetonitrile (Rb.: apaan) en 100 jerrycans à 20 liter (dus 2000 liter) zoutzuur die reeds eerder door ‘[alias 9]’ zijn betaald; - een gesprek van 10 januari 2013 te 14:16 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin gesproken wordt over de te verzenden documenten en een lading zoutzuur die eerder naar [bedrijf 4] werd verstuurd en nu opnieuw moet worden verzonden (Rb: zie traject [bedrijf 4] zoutzuur november 2012). [medeverdachte 1] heeft de gegevens van de afnemer en zal deze mailen. [medeverdachte 1] vraagt of gecontroleerd kan worden of het zuur niet verdampt is en of het percentage klopt en zegt vervolgens dat de baas van [getuige 1] een “klojo” is en dat zij dat aan ‘de jongens’ en aan ‘[medeverdachte 4]’ gaat vertellen; - een gesprek van 10 januari 2013 te 11:37 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 1], waarin [medeverdachte 1] zegt dat morgen een transport van haar vertrekt en dat [getuige 1] alles goed in de gaten moet houden en dat ‘[alias 14]’ vandaag bij haar komt om alles over het transport te bespreken; - een SMS-bericht van 10 januari 2013 van [medeverdachte 1] naar [getuige 1] met als tekst “Visje! Stuur mij via een e-mail het adres van [bedrijf 1], dat op de vrachtbrief moet staan.”; - een gesprek van 10 januari 2013 te 13:22 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 5], waarin [medeverdachte 1] vertelt dat zij een vrachtbrief moet invullen in verband met het transport dat morgen per TIR voor ‘[alias 9]’ aankomt; - SMS-verkeer van 10 januari 2013 tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4] , waarin [medeverdachte 1] bij de chauffeur de gegevens opvraagt die zijn nodig heeft om de machtiging tot afgifte van de goederen te kunnen schrijven en de chauffeur die vervolgens aan haar doorgeeft; - een gesprek van 10 januari 2013 te 14:12 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] vertelt niet in staat te zijn de vereiste documenten te sturen omdat zij geen scanner en printer heeft, dat ‘[alias 9]’ nu op het werk is en dat het pas vanavond gedaan kan worden; - SMS-verkeer van 10 januari 2013 tussen [persoon 4] en [medeverdachte 1], waarin de chauffeur bij [medeverdachte 1] het adres van de lading opvraagt, waarop [medeverdachte 1] dat aan hem doorgeeft: het betreft firma [bedrijf 1]; - gesprekken van 10 januari 2013 te 18:34 uur, 18:44 uur en 19:06 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 5] waarin besproken wordt hoe [persoon 5] [medeverdachte 1] kan helpen om de documenten in te vullen. Er moet een brief van [bedrijf 1] geprint worden waar haar naam op moet komen te staan. Zij zal deze brief mailen naar [persoon 5]. [persoon 5] wordt later door [medeverdachte 1] geïnstrueerd waar op de brief een handtekening moet komen te staan, te weten onder de naam “[bedrijf 3]” waar de stempel van [medeverdachte 1] staat. [persoon 5] moet daar de achternaam van [medeverdachte 1] opschrijven. Het tweede document dat door [persoon 5] moet worden ondertekend is een machtiging voor de chauffeur. [medeverdachte 1] laat in een daaropvolgend gesprek aan [persoon 5] weten dat zij zijn mailtje met handtekeningen heeft ontvangen; - SMS-verkeer van 11 januari 2013 tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4], waarin [medeverdachte 1] laat weten dat ‘zij’ voor morgen hebben geregeld dat de fabriek geopend wordt en dus ’s ochtends gaan uitladen en om die reden van [persoon 4] moet weten hoe laat hij aankomt; - SMS-verkeer van 11 januari 2013 tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] waarin [medeverdachte 3] zegt dat hij thuis is tot 16:00 uur en moet betalen voor het transport in Polen (Rb: zie traject zoutzuur [bedrijf 4] 2012), [medeverdachte 1] zegt dat haar moeder het nu betaalt en waarop [medeverdachte 3] antwoordt “je krijgt het terug”; - een gesprek van 11 januari 2013 te 15:42 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4], waarin [persoon 4] laat weten gearriveerd te zijn bij [bedrijf 1] en waarop [medeverdachte 1] instructies geeft aan hem over waar hij precies moet zijn; - een gesprek van 11 januari 2013 te 15:45 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4] waarin gesproken wordt over wat er nu precies mee moet worden genomen in verband met de ladingcapaciteit van de vrachtauto. Uiteindelijk wordt afgesproken dat de jerrycans met zoutzuur en 500 kilo van de ‘44’ (Rb.: apaan) mee wordt genomen, omdat dit voor [medeverdachte 1] het allerbelangrijkst is. De hydroxide kan de volgende keer wel worden meegenomen; - een gesprek van 11 januari 2013 te 15:52 uur tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin gesproken wordt over het opladen van de goederen. [medeverdachte 1] zegt dat zij het belangrijk vindt dat de ‘44’ (Rb.: apaan) en de zoutzuur nu meegenomen worden en dat de overige goederen later kunnen komen. Over de hydroxide deelt [medeverdachte 1] mede dat ‘[alias 9]’ heeft gezegd dat een koper voor te kunnen vinden, dat hij dat volgende week kan afnemen en dat hij dan [medeverdachte 1] en [getuige 1] zal kunnen betalen; - een gesprek van 11 januari 2013 te 18:56 uur tussen [medeverdachte 1] en [persoon 4], waarin [persoon 4] mededeelt dat hij 100 van die flessen en 20 zakken heeft ingeladen en waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat zij tevreden is. Het strafdossier behelst vervolgens afgeluisterde communicatie en onderschepte sms-berichten die betrekking hebben op de aflevering van het transport en processen-verbaal van observatie van de politie waarin beschreven wordt wat er met betrekking tot de daadwerkelijke aflevering wordt waargenomen. Uit telefoongesprekken en sms-verkeer blijkt dat op vrijdag 12 januari 2013, omstreeks 13:04 uur de chauffeur [persoon 4] op vragen van [medeverdachte 1] over de aankomsttijd doorgeeft dat volgens zijn navigatie hij omstreeks 14:50 uur daar aankomt. [medeverdachte 1] geeft [persoon 4] het adres waar hij moet zijn, de [adres 6] te Oss. Zij ontmoet hem daar. [medeverdachte 1] koppelt de aankomsttijd door via een sms naar de telefoon in gebruik bij verdachte [medeverdachte 3]. De chauffeur geeft later door dat hij over 30 minuten aankomt en dat naar het bedrijf in “Schijk” gaat om te lossen. Hij vraagt in de sms aan [medeverdachte 1] of hij daar van “die chemie” wordt verlost. Omstreeks 14:41 uur heeft [persoon 4] telefonisch contact met [persoon 6]. Aan haar vertelt [persoon 4] dat hij bij het bedrijf moet lossen en dat hij daar wordt opgewacht door een man die [persoon 4] het geld gaat betalen. Omstreeks 15:00 uur arriveerde de chauffeur [persoon 4] rijdend in een vrachtwagen voorzien van het Poolse kenteken [kenteken 2] bij het Chinees restaurant [restaurant], [adres 7]. [persoon 4] geeft aan [medeverdachte 1] door dat hij aangekomen is op de [adres 5] bij het bedrijf [bedrijf 3]. [medeverdachte 1] vraagt hem om op haar en nog iemand die met haar meekomt, bij een Chinees te wachten. [persoon 4] wacht daar op [medeverdachte 1]. Op zaterdag 12 januari 2013 komt een Poolse vrachtwagen voorzien van het kenteken [kenteken 2] op het parkeerterrein aan van Chinees restaurant [restaurant] [adres 5]. Om 15.19 uur wordt gezien dat de Volkswagen Passat, voorzien van kenteken [kenteken 3], het parkeerterrein van [restaurant] oprijdt. De Passat wordt links naast de Poolse vrachtwagen geparkeerd. Te omstreeks 15.20 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] uitstappen en richting de Poolse vrachtwagen lopen. [medeverdachte 3] maakt contact met de bestuurder van de Poolse vrachtwagen. De chauffeur stapt vervolgens uit en [medeverdachte 3] neemt plaats aan de bestuurderszijde van de vrachtwagen. Om 15.21 uur wordt door een observant gezien dat de vrachtwagen met [medeverdachte 3] achter het stuur en [medeverdachte 1] met [persoon 4] in de Volkswagen rijden richting [adres 6]. [medeverdachte 1] en [persoon 4] rijden vervolgens naar de woning van [medeverdachte 1] gelegen aan [adres 2] te [plaatsnaam]. Op zaterdag 12 januari 2013 van 15.33 uur tot 16.49 uur wordt gezien dat [medeverdachte 3] de Poolse vrachtwagen met vermoedelijk de lading chemicaliën naar de [adres 6] te Oss rijdt. Op de [adres 6] te Oss is een bedrijfspand gelegen van “[bedrijf 5]”, waar [medeverdachte 3] de vrachtwagen voor een roldeur van het bedrijfspand parkeert. De vrachtwagen wordt geparkeerd naast een bestelbus Nissan Cabstar, die naar later blijkt, voorzien van het kenteken [kenteken 4]. De bestelbus wordt vervolgens geparkeerd bij een bedrijfspand aan de overzijde van de [adres 6]. [medeverdachte 3] rijdt hierna met de Poolse vrachtwagen terug naar de woning van [medeverdachte 1] aan [adres 2] te [plaatsnaam]. Uit het voorgaande blijkt niet rechtstreeks dat de vervoerde lading van 500 kg apaan en 2000 liter zoutzuur daadwerkelijk door verdachte [medeverdachte 3] is gelost. In het bijzonder blijkt dat niet uit de observaties van politie op 12 januari 2013 bij de loods van [bedrijf 5] aan de [adres 6]. Dit kan wel zonder enige redelijke twijfel worden aangenomen en uiteindelijk ook worden vastgesteld, indien daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Op de ochtend van maandag 14 januari 2013 is op een terrein, gelegen achter perceel [adres 5], een groot aantal daar neergegooide plastic jerrycans aangetroffen met als inhoud een geelkleurige·vloeibare substantie. Het waren plastic vaten, allen volledig gevuld met een hoeveelheid van naar schatting 20 liter vloeistof. Na telling bleek het om 58 vaten ( = 1160 liter) te gaan. 56 van de vaten waren voorzien van een blauw kleurige afsluitdop en 2 vaten waren voorzien van een rode afsluitdop. Een indicatieve test op de inhoud van de vaten wees uit dat de inhoud van de vaten zoutzuur was. Ter plaatse zijn de aangetroffen vaten fotografisch vastgelegd en zijn vijf monsters van de inhoud genomen en voor onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut gestuurd. Het rapport van het NFI betreffende het onderzoek naar deze monsters houdt in dat alle monsters zoutzuur bevatten. Dat het daadwerkelijk gaat om de vaten met zoutzuur die vanaf [bedrijf 1] naar het bedrijf van [bedrijf 5] zijn gebracht met het transport van 12 januari 2013 en door verdachte [medeverdachte 3] zijn gelost, vindt bevestiging in getuigenverklaringen en onderschepte communicatie. Zo bevat het strafdossier de tegenover de politie als getuige afgelegde verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4], beiden werknemers van [bedrijf 1], waarin – na het getoond worden van een foto van een van de aangetroffen jerrycans – zonder voorbehoud wordt verklaard dat zij de jerrycan herkennen als een jerrycan waarin zoutzuur voor de “Nederlanders” werd geleverd. Wat betreft de onderschepte communicatie, waaruit niet alleen van betrokkenheid van verdachte [medeverdachte 3], maar ook die van verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] blijkt, baseert de rechtbank haar oordeel op de volgende onderschepte communicatie: - een tweetal SMS-berichten van 14 januari 2013 te 06:05 en 06.06 uur van verdachte [medeverdachte 3] verstuurd naar verdachte [medeverdachte 1], voor zover inhoudende “alle z is fout en ‘[alias 12]’ en papa zijn echt super boos” en “willen nooit meer iets met fabriek te maken hebben en betalen niet meer”; - een SMS-bericht van 14 januari 2013 te 06:07 uur van verdachte [medeverdachte 1] verstuurd naar verdachte [medeverdachte 3], voor zover inhoudende “Waat is fout”; - een tweetal SMS-berichten van 14 januari 2013 te 06:09 van verdachte [medeverdachte 3] verstuurd naar verdachte [medeverdachte 1], voor zover inhoudende “Is niet goed is allemaal fout en is nu weg en mensen super boos. Ik ga nu naar werk ik kom straks oke x” en “En geef ‘[medeverdachte 4]’ mij nummer”; - een SMS-bericht van 15 januari 2013 te 17:24 uur van verdachte [medeverdachte 1] verstuurd naar verdachte [medeverdachte 3], met als tekst “ik wil met ‘[alias 12]’ (de Rb. verstaat: ‘[alias 12]’, dat is verdachte [medeverdachte 5]) praten”. Uit andere onderschepte SMS-berichten van 14 januari 2013 blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] contact opneemt met [getuige 1] van [bedrijf 1]. Zij zegt daarin dat zij van ‘[alias 9]’ een sms heeft gekregen dat het percentage niet goed is, niet zoals afgesproken, en dat de baas met een eerlijke fabriek wil samenwerken en dat het percentage misschien verloren is gegaan omdat “ze” niet dicht gedraaid waren. Ook vraagt ze [getuige 1] om een ‘papier’ waarop staat dat het percentage klopt zodat zij dat aan ‘hem’ kan laten zien en dat cliënten ‘hem’ niet willen betalen. Ten slotte wijst de rechtbank nog op een tapgesprek van 16 januari 2013 te 13:49 uur tussen verdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1]. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] tegen [getuige 1] dat ‘haar’ jerrycans door de politie worden gezocht en dat 57 jerrycans zijn gedumpt omdat het percentage van het zoutzuur onder de 30% bleek te zijn. [medeverdachte 1] zegt verder tegen [getuige 1] dat ‘[alias 9]’ het verkocht heeft aan iemand anders en dat die gezegd heeft dat het percentage niet goed was en dat ‘[alias 9]’ heeft gezegd dat andere personen ‘het’ weggedaan heeft. Ten slotte vertelt [medeverdachte 1] dat ‘[alias 9]’ tegen haar heeft gezegd dat zij niet de politie moet bellen om het percentage van het zoutzuur op te vragen, omdat ze dan opgepakt zal worden. Conclusie De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot het onderhavige traject vast: - dat verdachte [medeverdachte 4] voornamelijk als betrokkene in beeld komt in verband met de financiële afwikkeling van de partij apaan, waarschijnlijk in verband met een geldschuld in de richting van de vader van verdachte [medeverdachte 3], waarvoor steun kan worden geput uit het tapgesprek tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] op 7 december 2012 om 11:24 uur; [medeverdachte 4] wordt door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden van eventuele problemen die met het transport ontstaan en [medeverdachte 4] moet kennelijk ook op de hoogte worden gebracht van de problemen met het zoutzuur dat uiteindelijk gedumpt werd; - dat verdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] als afnemers van de 500 kilo apaan en 2000 liter zoutzuur moeten worden beschouwd en bovendien zeggenschap hadden over deze partij, in het bijzonder met betrekking tot de datum van aflevering, en ook dat zij degenen zijn die iets te zeggen hebben over de kosten van het transport; - dat de bemoeienis van verdachte [medeverdachte 3] verder reikte dan alleen het bepalen van het tijdstip van levering, omdat hij bij deze levering ook een meer faciliterende rol heeft gehad. Deze heeft bestaan uit het sturen van zakken naar Polen, opdat de apaan daarin verpakt kon worden en het bepalen van de volgorde van levering van de apaan en het zoutzuur. Bovendien heeft hij bij aankomst de chauffeur van het transport betaald en was zijn aanwezigheid bij het opmaken van de documenten door [medeverdachte 1] noodzakelijk. Ook heeft hij de 2000 liter zoutzuur betaald. [medeverdachte 3] is ook degene van wie waargenomen wordt dat hij de vrachtwagen met inhoud (de lading van 500 kilo apaan en 2000 liter zoutzuur) daadwerkelijk in ontvangst neemt van de chauffeur van het transport. En hij heeft de partij zoutzuur aan anderen doorverkocht, waarna bleek dat het percentage van het zoutzuur niet goed was en het zoutzuur daarom gedumpt was; - dat [medeverdachte 1] bij deze bestelling heeft bemiddeld met [bedrijf 1] ten behoeve van verdachte [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], dat zij de bestelling heeft geregeld en in orde gemaakt in nauwe samenwerking met [getuige 1] en het transport van de levering heeft voorbereid. Zij heeft de documenten die benodigd waren voor het transport geregeld, alsmede de chauffeur die het transport moest uitvoeren. Haar rol bestond verder uit het namens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] onderhandelen met de chauffeur over de kosten van het transport. Zij heeft de chauffeur aanwijzingen gegeven over de plaats waar hij met de lading naar toe moest, heeft de chauffeur opgewacht samen met [medeverdachte 3]. Aansluitend heeft zij de chauffeur mee naar haar huis genomen terwijl [medeverdachte 3] in de tussentijd diens vrachtwagen met de lading naar een ander adres bracht. Zij heeft ook de problemen met de kwaliteit van het zoutzuur en de kwestie dat het zoutzuur gedumpt is, teruggekoppeld naar [getuige 1] en samen met haar en [medeverdachte 3] naar oplossingen gezocht. Traject 6 maart 2013 Dit traject ziet op een transport van formamide vanuit [bedrijf 1] in Polen naar Nederland dat door verdachte [medeverdachte 2] zou zijn uitgevoerd op 6 maart 2013. Dat dit transport ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, blijkt uit de hierna weer te geven bewijsmiddelen. Ook zal daaruit van betrokkenheid van andere verdachten dan [medeverdachte 2] blijken. In het dossier bevinden zich in de eerste plaats tapgesprekken die, gelet op hun inhoud en de samenhang met de andere gesprekken en bewijsmiddelen, kennelijk betrekking hebben op dit transport. De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder op de inhoud van de volgende tapgesprekken: - een gesprek van 16 februari 2013 te 09:24 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 3], waarin verdachte [medeverdachte 4] tegen verdachte [medeverdachte 3] zegt dat verdachte [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] contact zal gaan opnemen en dat zij een afspraak moeten maken, [medeverdachte 4] zal dat regelen, [medeverdachte 4] zegt dat verdachte [medeverdachte 2] overal al van weet en hij deelt [medeverdachte 3] mede dat hij over 3 à 4 weken weer buiten is en dat hij dan bij [medeverdachte 3] langs zal komen; - een tapgesprek van 16 februari 2013 te 15:42 tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 2] zegt dat hij moet kijken wanneer hij terug is en dat hij dan gelijk ‘die keuken kan installeren’ (de Rb. begrijpt: zoutzuur) en waarin [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 2] die ‘jongen uit Oss’ (de Rb. begrijpt: verdachte [medeverdachte 3]) moet bellen; - een tapgesprek van 17 februari 2013 te 16:33 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 2] zegt dat hij morgen die jongen uit Oss moet bellen om hem gerust te stellen en waarin hij zegt dat die jongen uit Oss ook van die dingen nodig had, voor die ‘keuken’ ), een stuk of 3; - een tapgesprek van 18 februari 2013 te 11:18 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI naar verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] het mobiele telefoonnummer van verdachte [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] geeft, met daarbij de instructie aan [medeverdachte 2] om aan [medeverdachte 3] een SMS te sturen met als inhoud ‘ik heb van die [alias 5] al gehoord zodra ik terug ben dan heb ik wat voor jou’; - een tapgesprek van 18 februari 2013 te 11:20 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI naar verdachte [medeverdachte 3], waarin [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] mededeelt dat ‘hij’ (de Rb. verstaat: [medeverdachte 2]) zo een berichtje stuurt aan [medeverdachte 3] dat hij langskomt, dat [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 4] op bezoek moet komen om de ‘puntjes op de i te zetten’, dat eind maart alles binnen is en dat [medeverdachte 3] dan uiteindelijk zal hebben wat hij tegoed heeft; - een tapgesprek van 18 februari 2013 te 13:41 uur tussen verdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [medeverdachte 1] aan [getuige 1] vraagt of ‘[alias 1]’ al iets van zich heeft laten horen en of ‘de goederen’ er al zijn, waarop [getuige 1] antwoordt dat hij morgen zal komen en dat ook de goederen morgen pas komen en dat ‘hij’ (de Rb begrijpt: verdachte [medeverdachte 2]) deze goederen zelf zal verdelen. [getuige 1] zegt tevens dat ‘hij’ (Rb.: verdachte [medeverdachte 2]) voor de formamide en voor het zoutzuur komt. Als het zoutzuur geschikt wordt bevonden, zal hij 10 ton willen; - een tapgesprek van 18 februari 2013 te 14:03 tussen verdachte [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarin [getuige 1] vertelt dat ‘hij’ (Rb.: verdachte [medeverdachte 2]) had gezegd dat [bedrijf 1] niets op de etiketten moest zetten, de naam van het bedrijf niet en ook niet wat erin zit, dat hij niet wil dat de jerrycans beschreven zijn, dat ‘[alias 1]’ morgen rond 12:00 uur komt en dat dan ook de formamide zal komen. Tevens wordt er gesproken over ‘[alias 9]’ die een product gaat bestellen en dat hij dat ‘hier’ gaat verdelen en dat [medeverdachte 1] voor hem jerrycans moet bestellen; - een tapgesprek van 21 februari 2013 te 19:19 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] desgevraagd mededeelt ‘de keuken’ (de Rb. verstaat: zoutzuur) te hebben gezien en dat deze super is. [medeverdachte 4] hoeft niet meer te weten; - een tapgesprek van 27 februari 2013 te 11:10 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 3], waarin [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 3] zegt dat hij hem volgende week vrijdag wil ontmoeten en dat hij, [medeverdachte 4], dan een ‘trainingspak’ voor hem, [medeverdachte 3], bij zich heeft. [medeverdachte 3] geeft tijdens dit gesprek aan [medeverdachte 4] een telefoonnummer door dat, zoals uit de overige bewijsmiddelen blijkt, in gebruik is bij verdachte [medeverdachte 1]; - een tapgesprek van 7 maart 2013 te 14:45 uur tussen verdachte [medeverdachte 4] vanuit de PI en verdachte [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 4] zegt dat hij morgen verlof heeft en dat ze elkaar dan even moeten zien en waarin [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] vraagt of alles goed is gegaan waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat alles goed is gegaan. Uit dit laatste tapgesprek kan worden afgeleid dat verdachte [medeverdachte 4] op 8 maart 2013 in verband met verlof buiten de PI mag komen. Vervolgens wordt verdachte [medeverdachte 4] onder observatie genomen op 8 maart en 9 maart 2013. Van deze observaties zijn processen-verbaal opgemaakt. Uit het proces-verbaal van observatie van 8 maart 2013 in samenhang bezien met de tapgesprekken van diezelfde datum blijkt dat verdachte [medeverdachte 4] omstreeks 19:40 uur bij een Shell tankstation aan de Kempenbaan te Tilburg stopt en daar contact maakt met [medeverdachte 2], die op dat moment rijdt in een bestelbus met Pools kenteken. Vervolgens rijdt [medeverdachte 4] achter [medeverdachte 2] aan naar het perceel[adres 8], het GBA-adres van [medeverdachte 2], via het perceel [adres 9]. Later wordt gezien dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] beiden in de auto van [medeverdachte 4] zitten en wederom stoppen bij het Shell tankstation aan de Kempenbaan te Tilburg. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] aldaar contact maken met een NN-man, die aan de hand van een tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] geïdentificeerd kan worden als verdachte [medeverdachte 3]. Uit het proces-verbaal van observatie van 9 maart 2013 blijkt dat er wederom een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], hetgeen bevestiging vindt in tapgesprekken van die datum. Dat te dezen sprake is geweest van een voltooid transport van onder meer formamide door verdachte [medeverdachte 2] vindt ten slotte nog bevestiging in zijn eigen verklaring ten overstaan van de politie. Zo heeft hij bij gelegenheid van zijn derde verhoor onder meer toegegeven dat hij twee keer onrechtmatig spullen heeft opgehaald bij een bedrijf en dat hij betrokken is geweest bij een transport richting Nederland met een op zijn naam gehuurde bus. Hij kreeg dan te horen dat er iets geplaatst was en hij kreeg geld voor het ophalen. Hij heeft twee keer zelf een bus geladen waarmee hij vervolgens ook reed. Hij verklaart dat hij formamide en zoutzuur bij [bedrijf 1] heeft opgehaald. Conclusie De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot het onderhavige traject vast: - dat verdachte [medeverdachte 4] de regie heeft over het transport van formamide en zoutzuur, in die zin dat hij overleg voert met verdachte [medeverdachte 2] over de kwaliteit van de lading en over wanneer hij met het transport in Nederland verwacht te zijn, dat [medeverdachte 4] [medeverdachte 2] instrueert over het leggen van contact met verdachte [medeverdachte 3], dat [medeverdachte 4] een ontmoeting regelt tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en uiteindelijk daar zelf ook bij aanwezig is, kennelijk omdat de lading van het transport voor [medeverdachte 3] bestemd is; - dat [medeverdachte 2] degene is die contact onderhoudt met [bedrijf 1] over de lading van het transport, dat hij bij [bedrijf 1] ter plekke de chemicaliën heeft bekeken en beoordeeld op kwaliteit en dat hij de lading aldaar heeft opgehaald na deze zelf te hebben verdeeld en vervolgens naar Nederland heeft getransporteerd, kennelijk in opdracht van [medeverdachte 4]; - dat verdachte [medeverdachte 1] kennelijk ervan op de hoogte is dat [medeverdachte 2] bij [bedrijf 1] moet zijn om formamide en zoutzuur op te halen en bij [getuige 1] informeert naar de stand van zaken van het transport; - dat [medeverdachte 3] als afnemer van het transport moet worden beschouwd en door [medeverdachte 4] op de hoogte wordt gebracht over het moment waarop hij krijgt ‘wat hij tegoed’ heeft. Traject 29-30 april Dit traject ziet op een transport van 600 liter formamide en 1400 liter zoutzuur van [bedrijf 1] in Polen naar Nederland op 29 en 30 april 2013. Uit de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat het eerste gedeelte van het transport tot in Duitsland is uitgevoerd door verdachte [medeverdachte 2] en vervolgens van Duitsland naar Nederland door een door [medeverdachte 2] aangezochte chauffeur. Op 30 april 2013 werd een stelselmatige observatie gedaan op [medeverdachte 2]. Waargenomen is tijdens de observatie dat om 07.25 uur een Mercedes, type Sprinter, kleur wit voorzien van kenteken [kenteken 5] in Duitsland Rasthof Resser Mark (tankstation) verlaat. Om 08.12 uur rijdt het voertuig op de A40 en gaat bij Venlo de Duits/Nederlandse grens over en vervolgt zijn weg over de A67 in Nederland. Op 30 april 2013 omstreeks 08.20 uur wordt op de A67 in de gemeente Venlo de witte Mercedes Sprinter gestopt. De bestuurder van genoemde bus was [persoon 7]. Achter in de laadruimte van het voertuig stonden 100 jerrycans à 20 liter. De bestuurder zei dat de eigenaar ene [alias 1] (Rb.: [medeverdachte 2]) zou zijn. Hij had rond 07.00 uur op een tankstation langs de Duitse autosnelweg overgenomen van [alias 1]. Hij zou 200 euro voor deze rit krijgen. Zijn eindbestemming was de Dalempromenade in Tilburg. Daar zou hij worden opgehaald door een man, die voor de verdere afhandeling van de jerrycans zou zorgen. [persoon 7] verklaart in aanvulling hierop dat hij op 29 april 2013 door [alias 1] werd opgebeld met de vraag of hij op 30 april 2013 geld wilde verdienen met een autorit. [alias 1] zat in de witte bestelbus die hij moest rijden. Hij is na het wegrijden niet gestopt. De lading zat al in het voertuig. [medeverdachte 2] verklaart in zijn verhoor van 27 juni 2013 12.55 uur dat die bus op zijn naam gehuurd is. Hij heeft begin van de middag bij [bedrijf 1] geladen. Hij is naar zijn schoonfamilie gegaan en vervolgens naar de benzinepomp op de A2 bij Herne in Duitsland gereden. Daar heeft hij de bus aan [persoon 7] gegeven. [medeverdachte 2] heeft ervoor gezorgd dat dat transport die dag plaatsvond. Van belang in dit verband voor de rol van [medeverdachte 2] is ook nog de omstandigheid dat [persoon 7] naar [medeverdachte 2] belt op het moment dat hij wordt gestopt door de Nederlandse politie, en dan aan [medeverdachte 2] om de ladingpapieren vraagt. Ook later die avond is er nog telefonisch contact tussen hen, waarin zij een afspraak maken over hoe laat [medeverdachte 2] naar [persoon 7] gaat. De lading, de aangetroffen jerrycans, betrof 600 liter formamide en 1400 liter zoutzuur, stelt de rechtbank vast op basis van de navolgende bewijsmiddelen: Op 30 april 2013 is door[verbalisant 3], senior LFO (Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen) –expert, aan de A67 een onderzoek ingesteld naar een bestelbus Mercedes Sprinter [kenteken 5] met daarin circa 100 jerrycans a 20 liter. Hij relateert onder meer: De jerrycans met gele vloeistof waren voorzien van een etiket met de tekst “KWAS SOLNY 20L UN 1789 kl.8 PGII” , waarbij Kwas Solny “zoutzuur” betekent in het Nederlands. De jerrycans met heldere reukloze vloeistof waren voorzien van een etiket met het gevaarssymbool “kankerverwekkend/vruchtbeschadigend” en zijn onderzocht met een Rameninfrarood analyse apparaat. Het bleek te gaan om de vloeistof “formamide”. Op het navigatiesysteem stond “Tilburg” en “Dalempromenade”. De dagteller stond op 475,3 kilometer. De jerrycans zijn naar verschillende partijen gerangschikt. Van de partij van 70 jerrycans, dit betrof vermoedelijk zoutzuur, werden 5 monsters genomen (Z1 t/m Z5), van de partij van 30 jerrycans, dit betrof vermoedelijk formamide, werden 4 monsters genomen (F1 t/m F4). De genomen monsters zijn geanalyseerd door het Nederlands Forensisch Instituut, monsters Z1 t/m Z5 bleken zoutzuur en F1 t/m F4 bleken formamide te bevatten. In totaal bleek er dus ongeveer 1400 liter geconcentreerd zoutzuur en 600 liter formamide aanwezig in het voertuig. [medeverdachte 2] verklaart dat hij wist dat er zoutzuur en formamide werden vervoerd. Van belang voor zijn rol en het opzet op het plegen van de voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10A Opiumwet is zijn verklaring bij de politie afgelegd, waarin hij toegeeft dat hij na het onderscheppen van het transport documenten wegwerkt. Hij was bang dat ze hem schade zouden aanbrengen. Voorts verklaart hij dat hij het laatste stuk niet naar Nederland reed omdat hij eerder is aangehouden met chemicaliën en daarvoor heeft vastgezeten. Als hem in het verhoor wordt gevraagd, dat als hij wist wat [medeverdachte 1] voor [bedrijf 3] ophaalde (apaan, Rb.) hij toch had kunnen weten waarvoor de stoffen gebruikt werden die hij zelf vervoerde, antwoordde hij: “Ik vermoedde dat wel. Ik wist dat het waarschijnlijk niet legaal was.” Als hem wordt gevraagd of het zo kan zijn dat hij het niet wilde weten, antwoordt hij: “Dat kan zo zijn.” Uit hierna weer te geven tapgesprekken, OVC gesprekken en de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt vervolgens naar het oordeel van de rechtbank dat naast [medeverdachte 2] ook [medeverdachte 4] betrokken was bij dit transport. Als het transport op 30 april 2013 wordt onderschept door de politie belt [medeverdachte 2] daarover een aantal maal met zijn vriendin in Polen. In de navolgende tapgesprekken wordt besproken wat de gevolgen zijn en daarbij wordt [medeverdachte 4] genoemd als degene met oplossingen. In het eerste gesprek van 10.40 uur zegt [medeverdachte 2] dat het niet goed gaat en dat hij niet kan praten. Als zijn vriendin daar hoorbaar van schrikt stelt [medeverdachte 2] haar gerust met de opmerkingen “[alias 4] ([alias 5], [medeverdachte 4], Rb) geven jullie alles.” en, verderop in het gesprek: “Als [alias 4] komt, dan krijg je alles wat je nodig hebt.” In een gesprek later op de dag, om 16.40 uur, geeft [medeverdachte 2] aan dat hij hoopt dat [alias 4] straks wel weet of alles in orde is. Om 18.10 uur weet [medeverdachte 2] nog niets. Hij wacht op [alias 4]. Als [alias 4] komt, dan weet [medeverdachte 2] wanneer hij naar zijn vriendin kan komen. In het dossier bevinden zich voorts tapgesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (vanuit de PI), die dateren van voor het onderhavige transport. Op 11 april 2013 vraagt [medeverdachte 4] of [medeverdachte 2] al vertrokken is. Nee, volgende week, geeft [medeverdachte 2] aan. Dat komt [medeverdachte 4] mooi uit, die wil dat [medeverdachte 2] nog naar hem komt, ze moeten het nog even hebben over het vertrek van [medeverdachte 2]. Op 17 april 2013 geeft [medeverdachte 2] aan dat hij nog hier is en zondag even langskomt. Op 20 april 2013 tenslotte geeft [medeverdachte 4] aan dat hij [medeverdachte 2] de dag erna nog ziet en dat dat goed uitkomt omdat hij hem nog even moet spreken. Deze gesprekken gaan naar het oordeel van de rechtbank over het vertrek van [medeverdachte 2] naar Polen in verband met het onderhavige transport, half april 2013, zoals [medeverdachte 2] ook zelf heeft verklaard. Vervolgens kan [medeverdachte 4] [medeverdachte 2] vanaf 24 april 2013 niet meer telefonisch bereiken. Daar spreekt hij met verschillende personen over. Telefonisch met [medeverdachte 1] op 29 april 2013en met zijn moeder op 2 en 4 mei 2013. Zijn bezorgdheid daarover uit hij voorts in gesprekken met verdachte [verdachte]. De rechtbank wijst in het bijzonder op de navolgende OVC gesprekken opgenomen in de celruimte van verdachten [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]) en [verdachte] ([verdachte]): -29 april 2013 11.43 uur tot en met 12.59 uur [medeverdachte 4]: en waar is [alias 1]? [verdachte]: die is gewoon daar aan het feesten man, doe niet zo gek, die heb het daar naar zijn zin. Hij is bij zijn schoonvader en moeder, bij zijn schoonvader (…) [medeverdachte 4]: (ntv) ben gewoon ongerust jonge -1 mei 2013 11 :55 - 13:00 uur Vanaf 6.21 minuten zegt [medeverdachte 4]: "Voor de rest jongen afwachten. Geduld hebben ...... [alias 1] krijg ik nog steeds niet te pakken". [verdachte]: "Van de week weer moest hij terug". [medeverdachte 4]: "Ik kreeg eerst dit: Dit nummer is niet in gebruik ... ik dacht ahh ...... heel de tijd in gesprek .. .. en toen ging hij weer over en -ntv- (…) [medeverdachte 4]: "Ik snap niet dat hij mij niks laat weten, dat ken ik niet begrijpen -2 mei 2013 19:30 - 23:59 uur [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]
- rb)is (H) en[verdachte] is ([verdachte]) [medeverdachte 4]: Maar ja ik denk als hij had vastgezeten, had [naam] toch wel komen zeggen van luister es Eh eh [alias 1] zit vast? Tegen jouw vrouw. Dat we dat..(ntv) direct weten? [verdachte]: Ja, tuurlijk als die da weet wel. (…) [medeverdachte 4]: als die zaterdag, zondag hier staat jonge, kit (ntv) slag voor (ntv) echt waar. Die bezorgt me 'n maagzweer, die rotte mongool. Hij ken toch gewoon 'n berichtje sturen? Jonge, bel nie zo veu/ eh.eh eh eh" . alles is goed (ntv) Weet ik toch zat? Hoe hoe vaak heb ik 't wel uitgelegd vorige keer. Ik hoop, ik hoop 't echt ... (ntv) mis gegaan, m'n gevoel zegt ... Uit dezelfde OVC gesprekken leidt de rechtbank ook betrokkenheid van [verdachte] bij het onderhavige transport af. De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende passages in de eerder genoemde gesprekken die betrekking hebben op het niet bereikbaar zijn van [medeverdachte 2]: -29 april 2013 11.43 tot en met 12.59 [verdachte]: (onderbreekt) Je hoeft helemaal niks uit te leggen, we weten alle twee dat ie spullen op moest halen en dat hij naar die [alias 12] toe moest [medeverdachte 4]: ja (…) [verdachte]: volgende keer als je hem ziet moet je met hem afspreken dat ie een telefoon met een nummer bij zijn vrouw laat of een brandschone telefoon waar nog nooit mee gebeld is, waar jij naar toe kunt bellen en dan kun je altijd zijn vrouwtje even bellen met van hoe zit dit of dat he, wanneer is ie weer terug of dit of dat, dan hoor je altijd iets -1 mei 2013 11 :55 - 13:00 uur Vanaf 6.21 minuten zegt [medeverdachte 4]: "Voor de rest jongen afwachten. Geduld hebben ...... [alias 1] krijg ik nog steeds niet te pakken". [verdachte]: "Van de week weer moest hij terug". -2 mei 2013 19:30 - 23:59 uur [medeverdachte 4] is ([medeverdachte 4]) en Gerard is ([verdachte]) [medeverdachte 4]: Maar ja ik denk als hij had vastgezeten, had John toch wel komen zeggen van luister es eh eh [alias 1] zit vast? Tegen jouw vrouw. Dat we dat..(ntv) direct weten? [verdachte]: Ja, tuurlijk als die da weet wel. [getuige 1] tenslotte heeft meer in zijn algemeenheid verklaard over het bestellen van chemicaliën bij [bedrijf 1] door [medeverdachte 2] voor [medeverdachte 4], en zij geeft aan dat [medeverdachte 4] naast met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met nog iemand samenwerkt: Ik werk in firma [bedrijf 1] sinds 6 januari 2009. Het is een productie- en handelsbedrijf op het gebied van verkoop van chemische grondstoffen. De regel was dat ik alle chemicaliën in het bedrijf bestelde. Het vervoer wordt door cliënten zelf gerealiseerd. Wat [bedrijf 3] betreft, behalve [medeverdachte 1] kan ik mij nog personen herinneren, van wie ik alleen de voornamen weet. In het begin zijn er bij ons in [bedrijf 1] buitenlanders gekomen, [medeverdachte 4] en [alias 1]. Ze waren er nog eerder voordat [medeverdachte 1] bij ons kwam, namelijk in 2009. [alias 1] is een werknemer van [bedrijf 3]. [alias 1] heeft bij ons onder meer formamide en zoutzuur besteld. [alias 1] heeft de bestelde chemicaliën afgerekend. Hij betaalde contant. [bedrijf 3] is een bedrijf van [medeverdachte 4]. Dat heeft [alias 1] verteld. Ik weet ook van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 4] een handlanger heeft. Conclusie De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen met betrekking tot het traject “29 en 30 april 2013” het volgende vast. [medeverdachte 2] is degene die de lading zoutzuur en formamide ophaalt bij [bedrijf 1] en naar Duitsland vervoert. Hij draagt de bus met lading over aan een chauffeur die de lading vervolgens naar Nederland vervoert. Hij heeft die chauffeur aangezocht en onderhoudt de contacten met deze chauffeur tijdens en na het transport. [medeverdachte 4] en [verdachte] weten van het transport, wanneer het plaatsvindt en wie de beoogd afnemer is. [medeverdachte 4] voert hierbij de regie. Hij onderhoudt contact met [medeverdachte 2] over wanneer hij naar Polen gaat om de goederen op te halen en tracht tijdens en na het transport contact met hem te houden. Als dat niet lukt maakt hij zich zorgen, waarbij hij met [verdachte] de mogelijkheid bespreekt dat [medeverdachte 2] gedetineerd is geraakt. Traject 9 en 10 mei 2013 Op grond van de bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend te bewijzen dat er in de periode van 9 en 10 mei 2013 daadwerkelijk een transport van formamide dan wel andere chemicaliën bestemd voor de productie van synthetische drugs heeft plaatsgevonden. Conclusie artikel 10a Opiumwet: voorbereidingshandelingen De rechtbank heeft hiervoor bij de bespreking van de verschillende trajecten de bewijsmiddelen opgenomen voor de betrokkenheid en rol van elke verdachte bij die transporten van chemicaliën. Uit die bewijsmiddelen volgt bovendien dat de verdachten in die trajecten zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Voor de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] geldt dat zij ten tijde van de delicten (nagenoeg) de gehele periode gedetineerd waren. Directe uitvoeringshandelingen, zoals daadwerkelijk aanwezig zijn bij aankoop, betaling of vervoer zijn niet door deze verdachten gepleegd. Hun coördinerende en aansturende rol is echter zodanig dat zij ook medepleger zijn bij een aantal trajecten, een en ander zoals per traject door de rechtbank aangegeven. De chemicaliën die werden besteld waren bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals BMK, amfetamine en MDMA. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bewijsmiddelen die hierna worden genoemd bij de bespreking van artikel 11a Opiumwet, in het bijzonder de bewijsmiddelen die zijn opgenomen ter zake de bestemming van de chemicaliën. Dat alle verdachten die thans voor artikel 10a Opiumwet worden vervolgd hier wetenschap van hadden is eveneens bewezen. Ook hier verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen voor artikel 11a Opiumwet, in onderlinge samenhang bezien met die ter zake artikel 10a Opiumwet. Meer in het bijzonder wordt (onder meer) gewezen op hetgeen is opgenomen en overwogen over het versluierd taalgebruik, de OVC-gesprekken en de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Verder is van belang dat [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 2] reeds eerder met justitie in aanraking zijn gekomen en [medeverdachte 4] en [verdachte] aansluitend zijn veroordeeld voor harddrugsdelicten, en er daarom van uit moet worden gegaan dat alleen al daarom zij voorafgaand aan de tenlastegelegde periode inhoudelijk kennis van zaken hebben op het vlak van artikel 10a Opiumwet. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet. 11a Opiumwet: de criminele organisatie Hierna worden de bewijsmiddelen opgesomd die, in aanvulling van de bewijsmiddelen die zijn genoemd bij de onderscheiden trajecten, bewijs opleveren voor het bestaan van de criminele organisatie en de rol, van de verdachten binnen die structuur. Daarbij is omwille van de leesbaarheid en de volledigheid er soms voor gekozen om een bewijsmiddel opnieuw of meer dan eens op te nemen. De vindplaats geeft daarbij uiteraard aan dat het in dat geval gaat om een bewijsmiddel dat eerder is gebruikt bij een bepaald traject of bij een bepaald facet van de criminele organisatie. Aanleiding onderzoek Bever In het proces-verbaal d.d. 7 augustus 2012 met bijlagen wordt uiteengezet op basis van welke informatie uit Polen het onderzoek Bever is gestart. In deze informatie wordt gesproken over grootschalige aankoop van chemicaliën ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Als verdachte wordt genoemd: [medeverdachte 1], geboren op [1978] in Polen. Nadere informatie over deze verdachte leerde de politie dat zij sinds 2 februari 2012 stond ingeschreven te Oss, [adres 2]. In die informatie wordt ook de naam van [medeverdachte 4] genoemd. Van deze persoon was het de politie bekend dat hij voorwerp van strafrechtelijk onderzoek was geweest in een drietal eerdere strafzaken. Nader onderzoek via het Grip vermeldde veel contact tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] in de Penitentiaire inrichting. [medeverdachte 4] werd in de P.I..(o.a.) bezocht door[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. Rol bedrijf [bedrijf 3] bij aankoop chemicaliën In het proces-verbaal d.d. 8 oktober 2013 heeft verbalisant [verbalisant 1] uiteengezet dat er een verband ligt tussen [medeverdachte 4] en een Pools bedrijf genaamd [bedrijf 3]. Op 4 juni 2013 is de administratie van het bedrijf [bedrijf 1] doorzocht. In de administratie zijn stukken gevonden die de levering van chemicaliën bevestigen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3]. Er is in die periode een hoeveelheid van 32.960 liter/kilo chemicaliën geleverd, met een (totaal)prijs van (omgerekend van Zloty naar Euro’
- s)ruim 146.000 euro. Uit onderzoek en vergelijking van de bij [bedrijf 1] en [medeverdachte 1] aangetroffen facturen van deze leveringen blijkt een verschil. Op een aantal facturen van 23 mei 2014 en 4 juni 2013 (zie traject Reclamatie) wordt op de bij [bedrijf 1] de stofaanduiding “sodium hexametaphosphate” aangetroffen, terwijl op de facturen van [medeverdachte 1] de stof phenyloacetoacetonitril (Rb.: vaak aangeduid als apaan) staat vermeld. Het proces-verbaal verwijst aansluitend op de verklaringen van getuigen [getuige 1] en (mede)verdachte [medeverdachte 1]. Ook zijn andere getuigen gehoord. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op dit punt verklaard. In het proces-verbaal op p. 95 heeft de politie een overzicht gemaakt van de bestellingen/leveringen aan [bedrijf 3]. Op p. 98 staat vermeld in Polen bij het bedrijf [bedrijf 1] vrijwillige afgifte is gevorderd van kopieën van alle documentatie vanaf 1 januari 2012 betreffende de leveringen van chemicaliën aan: [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [persoon 8], [medeverdachte 6], [bedrijf 3], [bedrijf 6]. De lijst met documenten wordt genoemd op de pp. 101 – 104. Ook werd een witte kunststof jerrycan met een blauwe dop met een bepaald opschrift afgegeven. De facturen zijn opgenomen in het dossier, zowel in de Poolse taal als vertaald in het Nederlands. Op de facturen is te lezen dat de volgende stoffen zijn geleverd te [plaats 2] (Polen) op de aangegeven data: mierenzuur 2400 kilo, prijs 17.918,64 Zloty op 24 januari 2012 mierenzuur 3600 kilo, prijs 26.877,96 Zloty op 3 februari 2012 mierenzuur 2000 liter en zoutzuur 1000 liter, prijs 22.780,22 Zloty, op 17 februari 2012 mierenzuur 1000 liter en zoutzuur 840 liter, prijs 12.333,36 Zloty, op 29 februari 2012 mierenzuur 280 liter en zwavelzuur 540 liter, prijs 4.841,92 Zloty, op 2 maart 2012 zoutzuur 840 liter, prijs 2.330,38 Zloty, op 2 maart 2012 mierenzuur 720 liter en natriumhydroxide 625 kilo, prijs 10.177,51 Zloty, op 7 maart 2012 natriumhydroxide 1375 kilo, prijs 6.545,81 Zloty, op 9 maart 2012 zoutzuur 1740 liter, prijs 4.827,22 Zloty, op 13 maart 2012 6 jerrycans van 20 liter, prijs 88,56 Zloty, op 13 maart 2012 20 jerrycans van 20 liter, prijs 295,20 Zloty, op 15 maart 2012 zoutzuur 1740 liter, prijs 4.827,22 Zloty, op 15 maart 2012 (o.a.) phenylacetonitryl, 100 kilo, prijs 27.429,00 Zloty, op 16 maart 2012 zoutzuur 1820 liter, prijs 5.205,86 Zloty, op 16 maart 2012 6 x 100 kilo monomethylamine, prijs 43.125,03 Zloty, op 23 mei 2012 200 kilo natriumhexametafosfaat , prijs 52890,00 Zloty, op 23 mei 2012 200 kilo natriumhexametafosfaat , prijs 52890,00 Zloty, op 23 mei 2012 48 stuks zoutzuur en 960 liter mierenzuur, prijs 13.151,75, op 29 mei 2012 200 kilo natriumhexametafosfaat , prijs 51.303,30 Zloty, op 4 juni 2012 150 kilo natriumhexametafosfaat , prijs 38.477,48 Zloty, op 4 juni 2012 150 kilo natriumhexametafosfaat , prijs 38.477,48 Zloty, op 4 juni 2012 500 kilo phenylacetonitryl,, prijs 52890,00 Zloty, op 20 augustus 2012 500 kilo phenylacetonitryl,, prijs 52890,00 Zloty, op 20 augustus 2012 1500 liter technisch zoutzuur , prijs 4.799,77 Zloty, op 14 september 2012 1000 liter zoutzuur en 400 liter formamide, prijs 15.515,76 Zloty, 28 januari 2013 1000 liter formamide, prijs 28.176,78 Zloty, 12 februari 2013 50 jerrycans van 20 liter, prijs 600,24 Zloty, op 12 februari 2013 2 maal 20 jerrycans van 20 liter, prijs 240,10 Zloty, op 20, resp. 25 februari 2013 Op 4 juni 2013 werd onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte 1], gelegen aan [adres 2]te [plaatsnaam]. Tijdens deze doorzoeking werd documenten aangetroffen die nagenoeg overeenkwamen met de hierboven beschreven facturen die afkomstig waren van het bedrijf [bedrijf 1]. Tussen de documenten bestaan verschillen waar het de gekochte chemische stof betreft. Op p. 147 van het proces-verbaal is een overzicht opgenomen van de verschillen. De bij [medeverdachte 1] aangetroffen facturen zijn gedateerd 31 december 2012, maar hebben hetzelfde nummer, noemen hetzelfde bedrag en bevatten alle een verwijzing naar de datum van de bij [bedrijf 1] aangetroffen facturen. Op facturen bij [bedrijf 1] d.d. 23 mei 2012 resp. 6 juni 2012 staat vermeld dat 400 kilogram en 500 kilogram “Sodiummetahexaphosphate” is geleverd. Op de facturen die zijn aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] staat de stof “Phenylacetoacetonitrile” vermeld. Het proces-verbaal bevat weergaven van tapgesprekken. De relevante passages worden hieronder weergegeven. Steeds wordt aangegeven wie het desbetreffende telefoongesprek voert. Indien niet anders aangegeven, wordt volstaan met het weergeven van de achternaam van de desbetreffende verdachte. - gesprek d.d. 21 augustus 2012 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]. In dit gesprek zegt [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 2] mee moet “voor te praten en te vertalen”. Er wordt verder gesproken over ‘keukens’, [medeverdachte 2] mag rekenen op de helft van de winst: “gewoon sam-sam”. [medeverdachte 4]: “De’r was heel veel van die keuken, hè”, en “Die is tien keer zo groot”, wordt gesproken over “merk met de letter “F” en “Vierenveertig duizend”. [medeverdachte 2] antwoordt dat “dat een goede keuken is”. - gesprek d.d. 25 september 2012 tussen [medeverdachte 1] en een onbekende vrouw. In dit gesprek geeft [medeverdachte 1] aan dat ‘[alias 2]’ ‘[medeverdachte 6]’ heet. Ook noemt zij de naam ‘[alias 1]’. Er wordt gesproken over “het meenemen van die 500 kilo” door ‘[alias 2]’. Vroeger kocht een persoon altijd bij ‘[medeverdachte 4]’ en ‘[medeverdachte 6], [alias 3]’. De onbekende vrouw zegt tegen [medeverdachte 1]: “Luister, ‘[alias 2]’ vertelde dat als ‘[medeverdachte 4]’ vrijkomt, hij dan zeker bij ons langs zal komen en ons alles dan uitleggen hoe het in elkaar zit. Hij zei dat nu voor [bedrijf 3] alleen nog ‘[alias 2]’ en ‘[alias 1]’ werken en dat dit de beslissing van ‘[medeverdachte 4]’ is geweest”. Later in het gesprek: “’[alias 2]’ werkt voor ‘[alias 6]’. Hij wordt ‘[alias 6]’ genoemd, ene [naam]”. “In ieder geval, de baas van ‘[medeverdachte 6]’ zit ook in de gevangenis, samen met ‘[medeverdachte 4]’”. “En zijn baas heeft ‘[medeverdachte 4]’ in de gevangenis leren kennen. En zo kwam de samenwerking. Daarom zei ‘[medeverdachte 4]’ dat ik hem moest schrijven als zij iets bestellen, dan weet hij of er iets achter zijn rug gebeurt of niet. - gesprek d.d. 18 februari 2013 (14.03 uur) tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1]. Gesprek gaat onder meer over het kopen van formamide. Verder wordt gesproken over ‘[alias 1]’ in relatie tot BTW die [medeverdachte 1] heeft betaald. Ook ‘[alias 9]’ zal komen om “het product” te bestellen. ‘[alias 9]’ gaat donderdag op bezoek bij ‘[medeverdachte 4]’. ‘[alias 1]’ woont in Tilburg. [getuige 1] zegt dat ‘[alias 1]’ heeft gezegd dat hij bij zijn vriendin in [plaats 2] woont. [getuige 1] zegt dat haar bazin vindt dat zij aan iedereen die met geld komt moet gaan verkopen, omdat zij niet meer weet wie wel en wie niet met [bedrijf 3] werkt. Later in het gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [getuige 1] of een nieuwe bestelling (“het zout”, Rb.) op naam van [bedrijf 3] wordt gedaan. - gesprek d.d. (maandag) 18 februari 2013 (13.41 uur) tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1]. In dit gesprek worden de namen ‘[alias 9]’ en ‘[alias 1]’ genoemd. ‘[alias 1]’ zal zelf de gekochte (giftige) stof gaan verdelen. ‘[alias 1]’ heeft gezegd dat hij volgende maand met ‘[medeverdachte 4]’ zal komen. Hij komt morgen voor de formamide. Woensdag komt hij met iemand of hij het zoutzuur geschikt vindt. Want als het geschikt is, zal hij 10 ton willen. [medeverdachte 1] zal vandaag aan ‘[medeverdachte 4]’ vertellen dat ‘[alias 1]’ niets voor de mensen in het bedrijf achterlaat. ‘[medeverdachte 4]’ deed dat altijd. Zij zal ‘[medeverdachte 4]’ op de muur schrijven. [getuige 1] vertelt dat er stront aan de knikker met ‘44’ is. Het is niet verboden, maar de douane doet er moeilijk over. In de laptop van [getuige 1] is e-mail verkeer gevonden. Deze e-mails zijn gedeeltelijk opgenomen en vertaald in het dossier. Op 2 november 2012 schrijft [medeverdachte 1] aan [getuige 1] dat [persoon 9] heeft medegedeeld aan haar dat hij de goederen nog niet heeft besteld en dat er nog geen concrete verzenddatum bekend is van dat wat jij besteld hebt. [persoon 10], ik weet niet wat ik aan hen moet vertellen als het binnen twee weken niet aangekomen is. Op 7 november 2012 schrijft [getuige 1]: “Hoe gaat het bij het bedrijf. Ik heb een mail van [medeverdachte 1] gekregen dat zij nog geen goederen ontvangen hebben die ik verzonden heb. …. “En hoe staat het met de bestelling van phenylacetonitrile. Het antwoord ontvang ik graag per mail omdat [medeverdachte 1] van mij tekst en uitleg verlangt”. Op 10 december 2012 schrijft [medeverdachte 1] aan [persoon 10]a o.a. problemen rond “44” . Er wordt gesproken over het afnemen van een ton door ‘[alias 2]’, en ‘[alias 2]’ heeft 500 afgenomen. Ook moet er gevraagd worden waarom “jullie zo lang moesten wachten op de teruggave van 44” Er wordt een (Nederlands mobiel, Rb.) telefoonnummer doorgegeven aan [getuige 1]: [telefoonnummer 2]. Tussen 11 en 13 maart 2013 is er mailverkeer tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] ([getuige 1] ). Op 11 maart 2013 schrijft [getuige 1] aan [medeverdachte 1] (o.a.) dat zij aan haar bazin heeft doorgegeven dat jij de volmacht ondertekend door ‘[medeverdachte 4]’ moet hebben om het geld contant te kunnen ontvangen. Zij zegt dat het om geld van [bedrijf 3] gaat en zij gaat het aan niemand afgeven zolang zij geen zekerheid heeft dat ‘[medeverdachte 4]’ er van op de hoogte is. Zij (gelet op de context, de bazin, Rb.) heeft er ook met ‘[alias 1]’ over gesproken. Op 12 maart schrijft [medeverdachte 1] aan [getuige 1]: [persoon 10], wat moet zij. Ik heb toch betaald en daar staat mijn handtekening en niet de handtekening van ‘[medeverdachte 4]’. Zij spreekt ook over “het geld van ‘[alias 9]’, dat zij heeft. Even verder: “Toen ik het geld betaald heb, had zij geen toestemming van ‘[medeverdachte 4]’ of ‘[alias 9]’ nodig”. Op 19 september 2012 is er uitgebreid mailverkeer tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 1]. Het eerste bericht is van 01.23 uur, het laatste van 16.57 uur. In essentie gaat het er om dat [medeverdachte 1] zegt in haar bericht van 16.57 uur dat zij heeft betaald “voor de hele ton” en “dat die man slechts 500 kg heeft betaald”. [medeverdachte 1] is speciaal naar [plaats 2] gereden om de goederen te controleren. Er is al een busje besteld voor maandag en (er
- is)al 1200 euro betaald. … Mijn baas is tevreden over de samenwerking met [getuige 1]. …. Mijn baas wil binnenkort deze 10 ton bestellen. In de reactie van [bedrijf 1] (om 14.53 uur) schrijft [persoon 11] dat er een tweede persoon een bestelling had geplaatst en geld had betaald. [bedrijf 1] heeft toen de hoeveelheid in twee delen gesplitst. In het eerste bericht wordt gesproken over het ophalen van 500 kilogram. Mailverkeer tussen [medeverdachte 1] en [persoon 10] op 3 mei 2012,in aanvulling op een bericht d.d. 28 maart 2012. Het bericht van 28 maart 2012, afkomstig van [medeverdachte 1] : “[persoon 10], als ‘[alias 1]’ nog een keer komt zeg tegen hem dat (…) 44 kost per kg 115 + 23 % = 141,45 euro en de prijs voor deze 100 wat ze al besteld hebben wordt niet gewijzigd. (….) Ik heb een SMS van ‘[medeverdachte 4]’ gekregen en hij zei dat je geen informatie moet verstrekken over wat hij bestelt en niemand behalve ikzelf op zijn bedrijf mag bestellen”. Bestemming chemicaliën In het proces-verbaal van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 30 september 2013 wordt uitleg gegeven over een aantal chemicaliën in relatie tot het mogelijke gebruik van die stoffen bij de synthese van (precursoren) van stoffen die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet. Apaan is een afkorting van de naam van de stof a-fenylacetoacetonitril. Het CAS-nummer is een internationaal gebruikt uniek nummer dat een stof aanduidt. Voor deze stof is dit (CAS-)nummer 4468-48-8. Van deze stof is bekend dat deze met behulp van stoffen als zoutzuur, zwavelzuur of fosforzuur kan worden omgezet in de stof BMK, (BenzylMethylKeton). In tapgesprekken en OVC-gesprekken wordt de stof apaan vaak aangeduid als “44”. De term 44 is met zekerheid afkomstig van het CAS-nummer van apaan. Van de stof zoutzuur wordt in het proces-verbaal aangegeven dat zoutzuur wordt gebruikt bij de synthese van illegale synthetische drugs (amfetamine). Zoutzuur wordt aangetroffen op plaatsen waar men uit apaan de stof BMK maakt. Zoutzuur wordt in tap- en OVC-gesprekken ook aangeduid als “zout” en “ZZ”. Mierenzuur wordt gebruikt bij de illegale productie van synthetische drugs (amfetamine, MDA en MDMA) en een precursor (PMK). Zwavelzuur wordt gebruikt bij de productie van synthetische drugs. Zwavelzuur wordt aangetroffen op plaatsen waar men uit apaan de stof BMK maakt. Zwavelzuur wordt in tap- en OVC-gesprekken ook aangeduid als “zwavel” en “ZW”. Formamide wordt gebruikt bij de productie van synthetische drugs, amfetamine en MDA. In tap- en OVC-gesprekken wordt (ook) gesproken over F en For wanneer formamide wordt bedoeld. Als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is een overzicht opgenomen van de bij [bedrijf 1] door [bedrijf 3] bestelde chemicaliën. Het gaat daarbij om o.a. 1.500 kilo apaan, 15.560 liter zoutzuur, 2.000 liter formamide, ruim 10.000 liter mierenzuur en 540 liter zwavelzuur. Als bijlage 2 bij dit proces-verbaal worden twee stuks laboratorium glaswerk beschreven: een rondbodemkolf van 20 liter en een condensor. Beide stuks glaswerk (kunnen) worden gebruikt bij de illegale synthese van amfetamine. In bijlage 3 bij dit proces-verbaal staat de synthese van amfetamine beschreven, en welke chemicaliën daarbij zijn benodigd. Daarbij noemt het overzicht onder meer benzylmethylketon (BMK), formamide, mierenzuur, zoutzuur en zwavelzuur. In bijlage 5 bij dit proces-verbaal wordt een berekening gemaakt waarin wordt aangeduid welke hoeveelheden synthetische drugs mogelijk geproduceerd kunnen worden met behulp van de hoeveelheden chemicaliën die zijn aangekocht bij [bedrijf 1] via [bedrijf 3]. De 1500 kilo apaan kan omgezet worden in 1050 liter amfetamine-olie of 1260 kilo (droog) amfetaminesulfaat. Overzicht OVC-gesprekken In de loop van het onderzoek zijn met behulp van een technisch hulpmiddel vertrouwelijke gesprekken opgenomen in de cel die werd gebruikt door de verdachten [medeverdachte 4] (verder: [medeverdachte 4]) en [verdachte] (verder: [verdachte] of [verdachte]). De politie citeert een aantal gesprekken die in relatie worden gebracht tot de verdenking. - gesprek op 27 januari 2013 (20.51 uur) . In dit gesprek spreekt [medeverdachte 4]. over MZ, ZZ en F. Verder: [medeverdachte 4]. tegen [verdachte]. : “daar hebben we die [alias 3] voor” [verdachte] spreekt tegen [medeverdachte 4]. over opslag, en “Ja en wanneer je het nodig hebt laat je het brengen (…..) dan laat je het overpakken in die kannen en dan komt ie het brengen.” [medeverdachte 4]:. “Maar hij hoeft het niet meer te gieten, want ‘[alias 1]’ giet het dalijk meteen rechtstreeks in nieuwe kannen. - gesprek op 28 januari 2013 (00.33.33 uur) .[verdachte] en [medeverdachte 4]. spreken over ‘[alias 1]’.[verdachte]. zegt: “maar dan hoop ik alleen dat ie wel gaat luisteren.” [medeverdachte 4]: Wie, ‘[alias 1]’?”. [verdachte]: “Ja.” Even later in dit gesprek: “Ik ga 1/3e aan die ‘[alias 10]’ geven en 2/3e voor ons. “ - gesprek op 3 februari 2013, 11.57 uur: [verdachte]. : Je ken ‘[alias 1]’ ook gelijk ff langs sturen. (…..) [medeverdachte 4]: laat ik hem eerst ff de MZ en de ZZ halen (….) dat is 180 kannekes (…) - gesprek op 14 februari 2013 (12.28 uur) [medeverdachte 4]. [verdachte]: (…) maak ik die 44 klaar voor ons voor [naam]. Moeten we ff tegen dinge zeggen dat ‘[alias 1]’ 25 meeneemt, methanol en dan zwavel. Dus geef ik, kan ik gewoon pure zwavel bijgooien? Maar hoe zit de verhouding dan?” [verdachte].: “de eerste keer ff rustig beginnen, de eerste keer ff uitmeten”. (…) [verdachte]. zegt verder “Die spuit ik er in. Ik zet dat ding gewoon op roeren, dan roer ik hem en met een pipetje spuit ik het er in”. - gesprek op 18 februari 2013 (vanaf 21.29.00 uur) [medeverdachte 4]. [verdachte]. “”Hebben we nou 3 (…) van verkocht (…) twee van die andere (….) Hebben we al 5 vaten op voorraad staan en die 500 kilo hebben we (…) betaald. (….) en 250 (…
- eh)A Olie”. Later in gesprek: “[medeverdachte 4].: (…) dan moet de zeker (..) die [naam] bij betrekken, want da’s een vak apart hoor xtc”. - gesprek op 24 februari 2013 . [medeverdachte 4]. tegen [verdachte]..: “Ik vin wel als er iets gebeurt, dan moeten we voor die jongens zorgen”.[verdachte]. reageert als volgt: “degene die naar binnen gaat voor ons” [verdachte]. tegen [medeverdachte 4]. “Iemand die je niet moet maar die voor je werkt, als ie naar binnen gaat dan moet je der voor zorgen”. Later in het gesprek zegt [medeverdachte 4]. [verdachte]. “Daarom zeg ik tegen jou jij bent straks baas, jij bent niet eindverantwoordelijk. Dat zijn wij samen, samen uit samen (…)” “gij hebt er et meestverstand van van ons drieën”. Ook zegt [medeverdachte 4]. [verdachte]. “(….) hebben we 200 eigen liter a-olie (….) later in gesprek:[verdachte].: Mij gaat het er om, ik wil (…) samen doen”. [medeverdachte 4]: Maar we doen toch samen. (….). (later die dag: gesprek tussen [medeverdachte 4]. en [verdachte] gaat o.a. over “de for”. ‘[alias 1]’ heeft ASDR, iemand met ASDR-papieren geregeld. Er komt weer 200 liter van uhh 2 zout en 500 mierenzuur. Ook wordt gesproken over “Olie voor een rooitje”. Even later in gesprek wordt gesproken over formamide en for. - gesprek op 11 maart 2013 spreken [medeverdachte 4]. en [verdachte]. over 400 zout, 400 for en 300 mierenzuur. [medeverdachte 4]. tegen [verdachte].: “de 500 die we hebben liggen ( …) . “[alias 1]” … “en die doet bol mee, die doet koeler mee”. Over de stof monomethylamine wordt gezegd dat “[alias 10] moest die hebben”. Er wordt verder gesproken over extra geld dat is betaald. De persoon zei tegen [medeverdachte 4]. dat hij (die derde) “is geen [medeverdachte 1] die 200 Zloty’s geeft”. Later in hetzelfde gesprek wordt het navolgende besproken tussen [medeverdachte 4]. en [verdachte].: H: (…) Ik ken van B tot A maken. (..) vraag me niet als er een probleem is (…) of er komt een check of honderd procent (…) want dat weet ik niet. (…..) met dat kristalliseren. [verdachte].: “En als je dan B krijgt, kan je effe snel kijken of B goed is? (…) [medeverdachte 4]: Hoe moet ik dat doen? Kan ik kijken Ruikt hij naar anijs? Oke, goed, en dan?. [verdachte].: “En als ie heel goed is zit er al B in. En dan pak je een glas water dan gooi je een scheutje in het water dan zakt ie naar de bodem dan wordt het een mooi bolletje. Als het nou een mooi strak bolletje wordt, dat water blijft helder…dan heb je zuivere B krijg je een raar bolletje (….) dan heb je vervuilde B da’s gewoon een snel testje (….) [medeverdachte 4]: Da’s weer dat ik dat weet. Dat zijn allemaal dingen die ik nog niet weet. Maar bij jou, waren het echt serieuze draaiers. (….) waren wel vakmannen”. - gesprek op 24 maart (12.04.53 uur) gesprek tussen [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]) en [verdachte] ([verdachte].). In het gesprek wordt gesproken over ‘[alias 1]’, ‘[medeverdachte 6]’ en ‘[medeverdachte 1]’. [verdachte]. zegt “Ik heb alleen de mensen bij elkaar gebracht, snappie, en de rest heb jij geregeld, [medeverdachte 1] heb je een stukkie.(..) [verdachte]. zegt tegen [medeverdachte 4] : “[medeverdachte 1] staat met jou in contact”. Later in gesprek gaat het gesprek gaat het over methanol, aceton, PMK en BMK. Ook wordt gesproken over APAAN. [verdachte]. zegt: “Advocaat uit laten zoeken waar dat precies voor gebruikt wor(dt). En hoe je je hier naar toe kan halen (….) - gesprek op 4 april 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. In dit gesprek wordt gesproken over ‘[alias 1]’ en ‘[medeverdachte 6]’ en dat er veel geld verdiend kan worden door [medeverdachte 4]. en [verdachte]. [verdachte]. bevestigt richting [medeverdachte 4]. dat zij 13.5 “rug per dinge” kunnen verdienen. Er wordt gesproken over aanzienlijke geldbedragen “Honderddertig ruggen en dat is wel pure winst”. [medeverdachte 4]. en [verdachte]. spreken over formamide. [verdachte].: “Snap je. Als je dan een controle krijgt, dan moet je voorbereid zijn. Formamide zelf die gebruik je ook voor (uhh) . [verdachte]. wordt aangevuld door [medeverdachte 4]: “om (…) schoon te maken en onkruid er uit te halen”. Er wordt ook uitgebreid gesproken over de voorwaarden waaronder formamide besteld kan worden: “je moet gewoon effe een officieel bedrijf (…) “en later: “[verdachte].: “wat dat betreft, dan zijn wij altijd ingedekt”. - gesprek op 19 april 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. Er wordt gesproken over 1000 liter formamide, “zout duizend” en “duizend mierenzuur”. Ook spreken zij over het overpakken van de stof(fen) en ASDR-papieren verzorgen. De naam ‘[alias 1]’ wordt genoemd in verband met transport van stoffen. Er is een Rus “dat ie 200 liter moet klaar maken en vierhonderd komt er terug naar ons”. [medeverdachte 4] zegt tegen [verdachte].: “Wij geven alles, hij moet exclusief voor mij werken en krijgt een derde van de spullen. Ik moet 400 A terug hebben van tweepunt vier waar geen methyl bij wordt gegooid”. - gesprek op 5 mei 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]: “Maar ze vragen al 1200-1300 euro voor A-olie” In een aantal gesprekken legt de politie een verband tussen de inhoud van OVC-gesprekken en het gegeven dat een door [medeverdachte 2] aangezochte chauffeur op 30 april 2013 is gecontroleerd en in het bezit bleek te zijn van een hoeveelheid chemicaliën. Het gaat daarbij om zoutzuur en formamide. De rechtbank wijst op de volgende gesprekken: - een gesprek op 29 april 2013 (20.31 uur) tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. H: “En waar is ‘[alias 1]’”. (…) [verdachte].: “We weten allebei dat ie spullen op moest halen”. - een gesprek op 1 mei 2013 tussen [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]) en [verdachte] ([verdachte]): [medeverdachte 4]: Het die spullen al gebracht? [verdachte].: Wie? [medeverdachte 4]: eh ‘[alias 1]’. (..). Later in het gesprek: “[medeverdachte 4]: (…) da we heel voorzichtig moeten zijn , als ik die dinge…. ‘[alias 1]’ zei tegen mij, luister zegt ie [medeverdachte 4], (…) heel zwaar op die grondstoffen, daardoor zijn die grondstoffen ook heel duur. (….) Ik zet meteen een streep onder [plaats 2], ik verkoop dat kankergedoetje en ga een stuk wijer zitten. Voorts zijn er nog de volgende gesprekken:- een gesprek op 27 januari 2013tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. [medeverdachte 4]. : “die man had meteen in de gaten dat wij geen [alias 7] jongens waren”(…) [medeverdachte 4]: tegen [verdachte].: “hij houdt zich bezig met die spulletjes, dan kan ik MZ kwijt, paar duizend, dan is het ZZ en drie F”(…) later in dit gesprek: [verdachte].: “Ja, wanneer je het nodig hebt, dan laat je het brengen. (…) dan laat je het overpakken in die kannen en dan komt ie het brengen. (…) [medeverdachte 4]: “Maar hij hoeft het niet over te gieten, want ‘[alias 1]’ giet het dalijk meteen rechtstreeks in nieuwe kannen. (…) Kijk, je moet gewoon tegen die man zeggen , luister eens, je krijgt 5.000 euro per maand. (…) Maar je krijgt 5 rooien per maand. (…) . Er wordt in dit gesprek in dit verband ook gesproken over “die [alias 12]”. Ook zegt [verdachte]. tegen [medeverdachte 4]: “Weet je wat het is ‘[alias 5]’”. - een gesprek op 28 januari 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. [medeverdachte 4]. zegt “ik ga 1/3 aan [alias 10] geven en 2/3 voor ons. (….) [alias 1] regelt het” . (…) We moeten die [alias 3] ook contracteren”. - een gesprek op 3 februari 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. [verdachte]. tegen [medeverdachte 4]: “Je ken [alias 1] ook gelijk effe langs sturen” Je hebt het al met [naam] er over gehad toch. [medeverdachte 4]. zegt later in dit gesprek: “ik laat hem eerst effe de “MZ” en de “ZZ” halen, en dan moet [naam] effe een plaats regelen”. Later in gesprek wordt gesproken over “For” - een gesprek op 18 februari 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. “Hebben we al 5 vaten op voorraad staan en die 500 kilo hebben we (..) betaald” verder in gesprek: “250 (..) A-olie”. Later in gesprek: “dan moet de zeker (..) die [naam] bij betrekken, want da’s een apart vak hoor, xtc”. - een gesprek op 24 februari 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. H: “Daarom zeg ik ook tegen jou, jij bent straks de baas. Gij bent niet eindverantwoordelijk, dat zijn wij samen, samen uit samen (…), gij hebt er et meest verstand van ons drieën.” Later in gesprek: [medeverdachte 4]: 100 liter (…) hebben we 200 eigen liter A-olie” - een gesprek op 10 maart 2013 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte]. [medeverdachte 4] zegt tegen [verdachte] dat hij tegen een derde persoon heeft gezegd “de for kan ik afgeven aan [medeverdachte 3]”, en (even later) “dat hij er geld heeft bijgedaan (..) transport. [alias 1] heeft ASDR, iemand met ASDR-papieren geregeld. “Nou maandag niet, maar dan volgende, komt er weer 200 liter van (uuh) twee zout en vijfhonderd uuuh mierenzuur. [verdachte] reageert: “Is goed”. (even later: [medeverdachte 4]: “Ze bieden olie voor een rooitje (…) [verdachte]: “de prijs is op zich wel redelijk hoog zeg maar”. Later in het gesprek gaat het over het bewerken/verwerken van formamide en over transporten naar Noorwegen en