vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Handelsrecht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/275721 / HA ZA 14-177 Vonnis van 17 december 2014 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], [eiser] , advocaat mr. B. Breederveld te Alkmaar, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] [gedaagde] advocaat mr. M. Bootsma te Haarlem. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 16 juli 2014 het proces-verbaal van comparitie van 2 december 2014 de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1 Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd te [woonplaats]. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse en de Israëlische nationaliteit. 2.2 De man heeft op 2 januari 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. 2.3 Tijdens deze procedure heeft de vrouw op 19 maart 2012 een verzoek ingediend bij deze rechtbank tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij beschikking van [datum] heeft deze rechtbank onder meer bepaald dat de man met ingang van [datum] voorlopig € 1.800,-- per maand aan de vrouw moet betalen ten behoeve van haar levensonderhoud (productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie). 2.4 Bij beschikking van deze rechtbank van 23 augustus 2013 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap gelast overeenkomstig hetgeen in die beschikking is overwogen onder 2.4 tot en met 2.4.27 (productie 1 bij dagvaarding). Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. 2.5 De echtscheidingsbeschikking is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.6 Bij herstelbeschikking van 24 januari 2014 heeft de rechtbank het dictum van voormelde beschikking verbeterd in die zin dat (naar de rechtbank verstaat:) voor 2.4.27 moet worden gelezen 2.4.28 (productie 1 bij dagvaarding). 3Het geschil in conventie 3.1. De man vordert na vermindering van eis ter comparitie samengevat - veroordeling van de vrouw tot betaling van € 100.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaaarding, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 3.2. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. In voorwaardelijke reconventie 3.3. De vrouw vordert samengevat - (onder de voorwaarde dat de vordering van de man in conventie wordt toegewezen) veroordeling van de man tot betaling van € 25.290,-- in verband met de zoekgeraakte juwelen en de vrouw toe te staan om zowel haar eigen vordering van € 35.370,48 op de man ter zake van achterstallige alimentatie als de vordering van de moeder van de vrouw op de gemeenschap van € 163.950,-- te mogen verrekenen met een eventuele vordering van de man op de vrouw, met veroordeling van de man in de proceskosten. 3.4. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1 De man heeft het volgende aan zijn vordering in conventie ten grondslag gelegd. Uit de onherroepelijke beschikkingen van de rechtbank van 23 augustus 2013 en 24 januari 2014 blijkt dat de man een vordering heeft op de gemeenschap van € 346.515,--. Nu inmiddels duidelijk is dat de gemeenschap ontoereikend is om deze schuld van de gemeenschap (en de andere schulden van de gemeenschap) te voldoen, heeft de man een rechtstreekse vordering jegens de vrouw voor de helft van zijn vordering op de gemeenschap (€ 173.257,50), aldus de man. 4.2 In de echtscheidingsbeschikking van 23 augustus 2013 (rov. 2.4.8) is overwogen dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht. In de onderhavige procedure hebben partijen niet anders bepleit. De rechtbank zal in het navolgende dan ook uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Het beroep van de vrouw op de kracht van gewijsde van de echtscheidingsbeschikking 4.3 De rechtbank verwerpt het verweer van de vrouw dat de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in deze vordering omdat de eerdere beschikkingen van de rechtbank kracht van gewijsde hebben gekregen. Uit rechtsoverweging 2.4.3 van de beschikking van 23 augustus 2013 blijkt dat de man ter zitting zijn verzoek heeft gewijzigd in die zin dat hij de rechtbank destijds heeft verzocht om de wijze van verdeling te gelasten in plaats van de verdeling zelf vast te stellen, waarbij de man ook de vordering heeft ingetrokken om de vrouw tot betaling te veroordelen. Uit artikel 236 Rv (dat ook toepasselijk is op beschikkingen waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil) volgt dat de kracht van gewijsde ziet op inhoudelijke beslissingen die zijn vervat in die betreffende beschikking. Nu de man zijn vordering ter zitting heeft ingetrokken, heeft de rechtbank in de beschikking dus geen inhoudelijke beslissing genomen ten aanzien van zijn vordering. De kracht van gewijsde van die beschikking staat dan ook niet aan de beoordeling van deze vordering in dit geding in de weg. De opeisbaarheid van de vordering van de man 4.4 De rechtbank overweegt als volgt naar aanleiding van het verweer van de vrouw dat de vordering van de man (nog) niet-opeisbaar is (conclusie van antwoord in conventie, nr. 21). In het algemeen geldt dat een tot een reprise gerechtigde echtgenoot een vordering heeft op de gemeenschap en niet rechtstreeks op de andere echtgenoot (HR 19 oktober 2012, NJ 2012, 607, LJN BX5576, rov. 3.3). Echter, indien de tot een reprise gerechtigde echtgenoot die vordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet of slechts gedeeltelijk kan verhalen op de gemeenschap, kan die echtgenoot de helft van hetgeen niet op de gemeenschap kan worden verhaald, verhalen op het privévermogen van de andere (voormalige) echtgenoot (HR 13 januari 2006, NJ 2006, 60, LJN AU2399, rov. 3.4.9). De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of, en zo ja in hoeverre, van een dergelijke situatie sprake is. Daarbij is van belang op welke wijze door partijen uitvoering is gegeven aan de eerdere echtscheidingsbeschikking waarin de wijze van verdeling is gelast. De rechtbank leidt uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter comparitie is besproken het volgende af. De verkoop van de echtelijke woning en de waarde van het effectendepot 4.5 De man heeft bij akte van 20 mei 2014 als productie 4 een aantal bescheiden in het geding gebracht waaruit blijkt dat de echtelijke woning is verkocht en op 1 april 2014 is geleverd, waarbij een opbrengst van € 317.500,-- is gerealiseerd. Aldus behoort de woning niet meer tot de activa van de gemeenschap. Uit de nota van afrekening van de notaris blijkt dat de opbrengst volledig is aangewend voor ten laste van de gemeenschap komende schulden: voordeelkrediet ING Lenen € 33.307,52 vordering [naam] € 49.902,55 restant hypothecaire schuld € 188.047,28 aflossing hypothecaire schuld [naam] € 39.967,00. Uit de nota van afrekening blijkt verder dat de totale hypotheekschuld bij ING Bank € 356.965,34 bedroeg, waarbij na voornoemd bedrag dat met de opbrengst van de woning is afgelost (€ 188.047,28), nog een schuld aan ING Bank resteerde van € 169.067,58. Bij de door de man overgelegde bescheiden bevindt zich ook een brief van ING Bank van 25 maart 2014 aan hem. Aan het slot van deze brief staat: “Het tekort dat zal resten op hypotheeknummer (…) en dat door ons onder voorbehoud van alle rechten wordt begroot op ca. € 170.000,- zal worden gefinancierd uit een partiële verkoop van het ten behoeve van de hypothecaire geldlening aan de bank verpande effectendepot, waarna de verpanding door voldoening van de vordering zal komen te vervallen en de heer[naam] weer vrijelijk over dit depot zal kunnen beschikken.” De rechtbank leidt uit deze brief af dat laatstbedoelde restantschuld van € 169.067,58 is voldaan uit de opbrengst van het effectendepot (2.4.13) en dat de man daarna nog over een restwaarde uit dit depot kon beschikken. Namens de vrouw is erop gewezen dat de man niet heeft aangetoond welk bedrag uit dit depot is overgebleven (conclusie van antwoord in conventie, nr. 20). Op de door man overgelegde boedelbeschrijving (productie 2 bij akte overlegging producties van de man) is het effectendepot niet vermeld bij de activa. Ter zitting is de man voorgehouden dat in het bij de dagvaarding overgelegde beslagrekest (zoals bij deze rechtbank ingediend op 4 februari 2014) namens de man is gesteld dat de effectenportefeuille een waarde had van ongeveer € 235.000,--. (Daarbij is verwezen naar productie 3. Deze productie bevindt zich overigens niet bij de processtukken van de onderhavige procedure). Dit zou erop duiden dat nadat van het depot € 169.067,58 is aangewend voor aflossing van de hypothecaire schuld, een restwaarde van het depot (het verschil tot € 235.000,--) van € 65.932,42 moet zijn overgebleven. Tijdens de zitting heeft de man (na tijdens de schorsing ook hierover te hebben gebeld met zijn accountant) verklaard dat het depot een restwaarde kende van € 35.000,--. De man heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing neemt de rechtbank dan ook tot uitgangspunt dat tot de activa van de gemeenschap tevens behoort een effectendepot ter waarde van € 65.932,42. De schuld aan [naam] 4.6 Zoals hiervoor overwogen blijkt uit de nota van afrekening dat met de opbrengst van de woning de hypothecaire schuld aan [naam] (€ 50.000,--; zie beschikking 23 augustus 2013, rov. 2.4.26) € 39.967,-- is afgelost, zodat een restschuld overblijft van € 10.033,--. Weliswaar heeft de man tijdens de comparitie (na telefonisch overleg met zijn accountant tijdens de schorsing) verklaard dat de restschuld aan [naam] nog € 25.000,-- bedraagt, maar vanwege het ontbreken van iedere onderbouwing van deze stelling gaat de rechtbank daaraan voorbij. Vordering op/schuld aan aannemer 4.7 In de echtscheidingsbeschikking staat onder 2.4.22 een “vordering op aannemer/ schuld aan aannemer” vermeld betreffende een bij de rechtbank aanhangige procedure. Tijdens de zitting is door de man toegelicht dat de aannemer zijn vordering op de gemeenschap (wegens onbetaald gebleven facturen) heeft gecedeerd aan zijn echtgenote (mevrouw [naam]) en dat deze beslag heeft laten leggen op de echtelijke woning. Om de levering van de echtelijke woning door te kunnen laten gaan is uit de verkoopopbrengst van de woning € 49.902,55 voldaan aan deze schuldeiser. De man is momenteel namens de gemeenschap nog in twee rechtszaken verwikkeld: een procedure tegen mevrouw [naam] tot terugbetaling van € 49.902,55 (voor de betaalde facturen) en een procedure tegen de aannemer waarin de man circa € 30.000 vordert (voor schadevergoeding). Hieruit volgt dat zolang in deze rechtszaken geen onherroepelijke uitspraak is gedaan, dan wel deze anderszins zijn beëindigd, tot de gemeenschap tevens behoort een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde facturen en uit schadevergoeding, waarvan de uiteindelijke in de gemeenschap vallende opbrengst nog onzeker is. Inboedel [woonplaats] 4.8 In de echtscheidingsbeschikking, onder 2.4.14, staat dat: “partijen (…) ter zitting [zijn] overeengekomen dat de man zal zich inspannen zoveel mogelijk van de inboedel in de woning in [woonplaats] te verkopen met de woning en dat de opbrengst hiervan ten goede komt aan de huwelijksgoederengemeenschap. Partijen zijn voorts overeengekomen dat hetgeen aan inboedel resteert na de verkoop van de woning in [woonplaats] aan de man zal worden toebedeeld en dat de inboedel van de woning in [woonplaats] zal worden toebedeeld, zonder verdere verrekening.” (2.4.14). 4.9 Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze beschikking. Volgens de vrouw kon de man niet volstaan met het te koop aanbieden van de inboedelgoederen aan de koper van de woning (zoals de man heeft gedaan), maar diende hij tevens te pogen de inboedel te verkopen via marktplaats.nl of veilingen en dergelijke. De rechtbank overweegt dat nu in de beschikking staat dat het gaat om “zoveel mogelijk van de inboedel (…) te verkopen met de woning” en dat “hetgeen aan inboedel resteert na de verkoop van de woning” (onderstreping toegevoegd door rechtbank) aan de man toekomt, een redelijke uitleg van die beschikking meebrengt dat de man ermee kon volstaan om de inboedelgoederen te koop aan te bieden aan de koper van de woning. De man heeft ter zitting onbetwist verklaard dat de man behalve voor enkele roerende zaken, geen belangstelling had voor de overige inboedel. Inherent aan de aldus tussen partijen gemaakte afspraak is dat de inboedel geheel of gedeeltelijk niet naar de smaak van de koper van de woning is en dat een deel daarvan onverkocht blijft, zodat dit deel conform de gemaakte afspraak zonder nadere verrekening aan de man wordt toegedeeld. Hier staat tegenover dat de inboedel te [woonplaats] zonder nadere verrekening aan de vrouw toekomt. De omstandigheid dat de inboedel te [woonplaats] meer waard is dan die te [woonplaats], vormt geen reden om de op zichzelf duidelijke bewoordingen van de beschikking anders uit te leggen. De vrouw mag geacht worden bekend te zijn geweest met het waardeverschil bij het maken van deze afspraak ter zitting. De vrouw heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de destijds ter zitting gemaakte afspraak door beide partijen anders moest worden begrepen. De Rabo-bankrekening, American Express-rekening en de kapitaalverzekering 4.10 De man heeft met bescheiden onderbouwd dat de op zijn naam gestelde bankrekeningen bij Rabobank en American Express op de peildatum (2 januari 2012) saldi vertoonden van respectievelijk € 386,23 en € 540,23. Tijdens de comparitie zijn deze bedragen namens de vrouw erkend. Verder is bij die gelegenheid namens de vrouw erkend dat zij de beschikking heeft over de nettowaarde van de kapitaalverzekering na belasting (€ 7.892,52). De bankrekeningen van de vrouw in Israël 4.11 In de echtscheidingsbeschikking, onder 2.4.20, staat dat het debet-, dan wel creditsaldo van de beide bankrekeningen van de vrouw per peildatum (2 januari 2012) tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. De vrouw heeft tijdens de comparitie aangegeven te beschikken over een valutarekening (met enkele euro’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.