RECHTBANK OOST-BRABANT Afdeling Strafrecht, Mulderzaken locatie Kanton 's-Hertogenbosch Zaaknummer : 3803997 MU VERZ 15-100 CJIB-nummer : [CJIB-nummer] CVOM-nummer : CG8035 Beslissing d.d. 1 april 2015 inzake [Betrokkene] , wonende te [woonplaats] , [adres betrokkene] , hierna te noemen: betrokkene . De procedure Op de in het openbaar gehouden zitting van 18 maart 2015 is mr. T. van de Woestijne, kantonrechter, bijgestaan door mw. S.A. Nuyens als griffier, overgegaan tot de mondelinge behandeling van het beroep dat door de betrokkene is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie met bovengenoemd CJIB-nummer. Het beroepschrift is gericht tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 19 december 2013 ter zake van de gedraging parkeren voor een in- en/of uitrit, gepleegd op 21 september 2013 om 11.47 uur te ’s-Hertogenbosch, Edisonstraat in de gemeente ‘s-Hertogenbosch met een personenauto voorzien van het [kenteken] . Namens de officier van justitie is de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verschenen. Betrokkene is ter zitting verschenen in persoon. Betrokkene heeft beroep ingesteld en daartoe aangevoerd hetgeen is vermeld in het beroepschrift, dat zich bij de stukken van het geding bevindt. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verzoekt de kantonrechter, gelet op het relaas van de verbalisant, het beroep ongegrond te verklaren. Betrokkene is tijdig in beroep gegaan. Voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten is zekerheid gesteld. Betrokkene is ontvankelijk in zijn beroep. De overweging De kantonrechter stelt voorop dat aan de verwijzing door betrokkene naar al hetgeen door hem in een andere procedure is aangevoerd wordt voorbijgegaan, nu betrokkene heeft verzuimd het aldaar aangevoerde in deze procedure te overleggen en het aldaar aangevoerde ook anderszins geen deel uitmaakt van de gedingstukken in deze zaak. Door betrokkene is verder aangevoerd dat de officier van justitie het administratief beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Hierbij voert betrokkene aan dat hij, anders dan in de beslissing op het administratief beroep is vermeld, zijn verweer wel nader had onderbouwd. De kantonrechter constateert dat betrokkene in zijn administratief beroepschrift weliswaar verwijst naar diverse bijlagen doch dat deze zich, met uitzondering van een kopie van de beschikking, niet bij het administratief beroepschrift bevinden. De kantonrechter acht de beslissing van de officier van justitie daarom in zoverre niet onjuist. Voorts is door betrokkene, zakelijk weergegeven, gesteld dat het weggedeelte waar hij stond geparkeerd geen deel uit maakt van de openbare weg, zodat de Wegenverkeerswet en het RVV 1990 ter plaatse niet van toepassing zijn en de opsporingsambtenaar derhalve niet bevoegd was om de bestreden sanctie op te leggen. De officier van justitie heeft de juistheid van deze stelling gemotiveerd bestreden. In geding is daarmee de vraag of de plaats waar het desbetreffende voertuig zich bevond als een voor het openbare verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en derhalve of de bepalingen bij en krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn. De uitleg van het begrip weg is van belang voor de vraag of de bepalingen van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) op het weggedeelte waarop het desbetreffende voertuig stond geparkeerd van toepassing zijn. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan “alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een weg als in dit artikelonderdeel bedoeld is relevant de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in zaken als deze, voorheen de Hoge Raad der Nederlanden en vervolgens het Gerechtshof Leeuwarden, thans het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In zijn arrest van 23 juni 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BE8895, heeft het Gerechtshof Leeuwarden overwogen dat beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemeen verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 8 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0686, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Het Gerechtshof acht in die zaak een relevante omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden “verboden toegang” en “eigen weg” het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen, onder verwijzing naar het, ook door betrokkene aangehaalde, arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.