beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer : WR 15/005 Beschikking van 10 april 2015 in de zaak van [verzoeker] , wonende te Helmond, verzoeker, tegen mr. H.M.H. de Koning, in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer: SHE AWB 14/3711, verweerder. Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechter worden genoemd. 1Procesverloop 1.
- De rechtbank heeft kennisgenomen van: het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 11 maart 2015; de brief van verzoeker van 11 maart 2015; de schriftelijke reactie van de rechter van 17 maart 2015; de brief van verzoeker van 22 maart 2015; de schriftelijke reactie van de rechter van 30 maart 2015; het dossier in de hoofdzaak met nummer SHE AWB 14/
- 1.
- De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 2 april
- Verzoeker is niet verschenen. Uit zijn brief van 22 maart 2015 blijkt dat hij wegens conflicterende afspraken niet aanwezig kan zijn. De rechter is evenmin verschenen. Uit de schriftelijke reactie van 17 maart 2015 blijkt dat hij niet berust in de wraking. Gezien het feit dat verzoeker niet zal verschijnen heeft de rechter aanleiding gezien te volstaan met een schriftelijke reactie. 2Het verzoek en het verweer 2.
- Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met nummer SHE AWB 14/
- 2.
- Verzoeker betoogt dat bij hem de schijn is gewekt van partijdigheid. Gezien zijn brieven van 11 respectievelijk 22 maart 2015, in onderlinge samenhang bezien, legt verzoeker het volgende aan de wraking ten grondslag. De rechter heeft zich op 5 februari 2015 in een andere zaak tussen verzoeker en verweerder in de hoofdzaak verstaan met de gemachtigde van verweerder nadat de gemachtigde van verzoeker de zittingszaal reeds had verlaten. In die zaak (met nummer SHE 14/2077) waren [gemachtigde van verzoeker] als gemachtigde van verzoeker en [gemachtigde van verweerder] gemachtigde van verweerder aanwezig. Na afloop van de behandeling, toen het onderzoek was gesloten, duurde het vijf minuten alvorens [gemachtigde van verweerder] de zittingszaal uitkwam. De gemachtigde van verzoeker hoorde of bemerkte dat in de zittingszaal overleg plaatsvond. Hij heeft [gemachtigde van verweerder] gevraagd of er over de zaak is nagepraat. Zij heeft dit ontkend. De rechter had geen onderonsje moeten houden, zeker nu hij veelvuldig optreedt in zaken van verzoeker waarvoor [gemachtigde van verweerder] als gemachtigde van verweerder optreedt. 2.
- De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Na afloop van de zitting op 5 februari 2015 heeft hij gesproken met [gemachtigde van verweerder]. Dit gesprek betrof niet de zaak waarvan de behandeling zojuist was gesloten. De subjectieve vrees van vooringenomenheid van verzoeker wordt niet gerechtvaardigd door objectieve factoren. 3De beoordeling 3.
- Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.
- Gezien de brieven van verzoeker en de schriftelijke reacties daarop van de rechter staat het volgende vast. Direct na afloop van de zitting op 5 februari 2015 in de zaak met nummer SHE 14/2077 heeft de rechter zich verstaan met[gemachtigde van verweerder] die opgetreden had als gemachtigde van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), die ook verweerder is in de onderhavige zaak, terwijl de gemachtigde van verzoeker op dat moment niet meer in de zittingszaal aanwezig was. Dit enkele feit levert op zichzelf onvoldoende grond op voor het bestaan van een (schijn van) vooringenomenheid in de onderhavige zaak met nummer SHE AWB 14/3711, althans een objectief gerechtvaardigde vrees dienaangaande. Om die reden zal het wrakingsverzoek worden afgewezen. 4De beslissing De rechtbank, wijst het verzoek tot wraking van mr. H.M.H. de Koning af. Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Brunt, voorzitter, mr. A.G.A.M. van de Ven en mr. J.H. Wiggers, leden, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.