vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Handelsrecht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/217821 / HA ZA 10-2063 Vonnis van 27 mei 2015 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd te 's-Gravenhage, eiser, advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem, tegen 1 [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem (voorheen respectievelijk mr. P.L.J.M. van Dun en mr. H. Zeilmaker), 2. MR. P.L.J.M. VAN DUN advocaat te Tilburg, in hoedanigheid van derde als bedoeld in artikel 20 Onteigeningswet ten behoeve van de op 25 oktober 2007 overleden [naam overledene], gedaagde q.q., advocaat mr. P.L.J.M. van Dun te Tilburg, en tegen 1 [tussengekomen partij 1], wonende te [woonplaats], 2. [tussengekomen partij 2], wonende te [woonplaats], 3. [tussengekomen partij 3], wonende te [woonplaats], 4. [tussengekomen partij 4], wonende te [woonplaats], 5. [tussengekomen partij 5], wonende te [woonplaats], tussengekomen partijen, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem (voorheen respectievelijk mr. P.L.J.M. van Dun en mr. H. Zeilmaker). Partijen zullen hierna de Staat, [gedaagde], mr. Van Dun q.q., [tussengekomen partijen] (de tussengekomen partijen 1 t/m 5) en [gedaagde en tussengekomen partijen] ([gedaagde] en [tussengekomen partijen] gezamenlijk) genoemd worden. 1De procedure 1.1. Bij vonnis van 3 juli 2013 is -kort gezegd-, nadat bij vonnis van 20 oktober 2010 de vervroegde onteigening was uitgesproken, de ter zake daarvan door de Staat aan [gedaagde en tussengekomen partijen] verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld en is de Staat veroordeeld tot betaling van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat. 1.2. Tegen het vonnis van 3 juli 2013 is door [gedaagde en tussengekomen partijen] cassatie ingesteld. Bij arrest van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076) heeft de Hoge Raad het vonnis van 3 juli 2013 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar deze rechtbank (terug-)verwezen. 1.3. Naar aanleiding van dat arrest heeft de rechtbank partijen bij brief van 24 november 2014 gevraagd of zij, gelet op de inhoud van het arrest, een nadere mondelinge behandeling van de zaak wensen. [gedaagde en tussengekomen partijen] heeft daarop positief geantwoord, waarna de nadere mondelinge behandeling is bepaald op 14 april 2015. 1.4. Vervolgens is bij brief van 19 februari 2015 met bijlagen van mr. Zeilmaker namens [gedaagde en tussengekomen partijen] aan de rechtbank (en in kopie aan mr. Ten Kate en mr. I.P.A. van Heijst, voorzitter van de door de rechtbank benoemde deskundigencommissie) een vijftal producties toegezonden. Bij brief van 10 maart 2015 (in afschrift verzonden aan mr. Zeilmaker en mr. Van Heijst) heeft mr. Ten Kate aan de rechtbank medegedeeld dat de Staat van mening is dat de procedure na verwijzing geen ruimte biedt voor het inbrengen van nieuwe stukken. Bij brief van 11 maart 2015 van mr. Zeilmaker aan de rechtbank (in afschrift verzonden aan mr. Ten Kate en mr. Van Heijst) is daarop namens [gedaagde en tussengekomen partijen] gereageerd. 1.5. Bij brief van 24 maart 2015 heeft de rechtbank partijen (en deskundigen) bericht dat zij, voordat zij een beslissing neemt ten aanzien van het al dan niet toelaten van het inbrengen van de op voorhand zijdens [gedaagde en tussengekomen partijen] (bij brief van 19 februari 2015) toegezonden producties, op 14 april 2015 partijen wenst te horen. 1.6. Op 14 april 2015 zijn partijen daaromtrent gehoord. Zowel [gedaagde en tussengekomen partijen] als de Staat hebben ter gelegenheid daarvan pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. 1.7. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.1. Alvorens een datum voor een nadere mondeling behandeling over de hoogte van de schadeloosstelling te bepalen dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het toelaatbaar is dat na de (terug-)verwijzing van de zaak door de Hoge Raad nieuwe (dat wil zeggen nog niet eerder ingebrachte) stukken worden ingebracht. Ter zitting van 14 april 2015 heeft de Staat het standpunt bepleit, dat er geen ruimte is om nieuwe stukken tot het geding toe te laten. [gedaagde en tussengekomen partijen] heeft het standpunt bepleit, dat die ruimte er wel is. 2.2. De rechtbank is -anders dan [gedaagde en tussengekomen partijen]- van oordeel, dat het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 niet met zich brengt dat het pleidooi dat is vooraf gegaan aan het vernietigde vonnis als niet gehouden moet worden beschouwd. Zoals uit rechtsoverweging 3.4.4 van het arrest blijkt, kunnen partijen als tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van één of meer rechters noodzakelijk blijkt om een nadere mondelinge behandeling verzoeken. Die nadere mondelinge behandeling strekt ertoe, aldus de Hoge Raad, te waarborgen dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak. Uit de formulering “nadere mondelinge behandeling” en de omstandigheid dat partijen ook af kunnen zien van het indienen van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling volgt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat het destijds gehouden pleidooi als niet gehouden moet worden beschouwd. In zoverre worden de grenzen van de rechtsstrijd thans in beginsel bepaald door hetgeen destijds bij het pleidooi naar voren is gebracht. De rechtbank merkt nog op, dat voor een nadere mondelinge behandeling in deze zaak temeer reden is, omdat inmiddels nog slechts één rechter beschikbaar is uit de combinatie die destijds het pleidooi heeft aangehoord. 2.3. De nieuwe stukken die [gedaagde en tussengekomen partijen] in het geding wenst te brengen strekken er -verkort en zakelijk weergegeven- toe een nadere onderbouwing te geven van haar reeds vóór cassatie ingenomen stellingen dat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.