RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 14/4010 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. drs. A.M. Engelen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder (gemachtigde: W.E.C. Veltkamp en mr. A.H.E.M. van Dooren). Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser huishoudelijke verzorging toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 23 februari 2014 tot en met 22 februari 2019. Op 14 juli 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1 Vanwege bewegingsbeperkingen, een beperkte inspanningstolerantie, allergieën en psychosociale problematiek had eiser een indicatie voor huishoudelijke hulp tot 23 februari 2014 voor 5 uren per week. De indicatie betrof licht en zwaar huishoudelijk werk, de was en de dagelijkse organisatie van het huishouden. De indicatie liep tot 22 februari 2014. 1.2 Op 25 oktober 2013 heeft verweerder aan eiser bericht dat de hulp bij het huishouden verandert in 2014. In de nieuwe werkwijze bepaalt de gemeente nog steeds of betrokkene hulp nodig heeft maar bekijkt de zorgaanbieder samen met betrokkene wat voor soort hulp het beste is. 1.3 Eiser heeft op 11 februari 2014 om verlenging van zijn indicatie gevraagd. 1.4 Een medewerker van verweerder, [persoon 1], heeft vervolgens op 9 februari 2014 een Wmo Intakeverslag opgesteld en op 14 februari 2014 een rapportage Wmo hulp bij het huishouden. In die rapportage wordt aangegeven dat er geen reden is om een nieuw medisch onderzoek in te stellen en dat wordt aangenomen dat bij eiser de bekende beperkingen nog steeds aanwezig zijn. 1.5 Bij het primaire besluit van 13 februari 2014 heeft verweerder aan eiser huishoudelijke verzorging toegekend voor de periode van 23 februari 2014 tot en met 22 februari 2019 voor de activiteiten licht en zwaar huishoudelijk werk, de was doen en strijken en de dagelijkse organisatie van het huishouden. De huishoudelijke verzorging wordt verstrekt in de vorm van Zorg in natura (Zin) hetgeen betekent dat eiser gebruik dient te maken van een van de zorgdienstverleners die met de gemeente een overeenkomst hebben gesloten. Het primaire besluit vermeldt verder dat eiser heeft aangegeven om zorg van Tzorg te willen ontvangen en dat verweerder Tzorg opdracht zal geven die zorg te leveren. Ook wordt aangegeven dat Tzorg een HV-zorgovereenkomst met eiser zal sluiten over de concrete invulling, omvang en uitvoering van de huishoudelijke verzorging waarbij het uitgangspunt is een adequate invulling van de compensatieplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub a, van de Wmo. In het primaire besluit is voorts nog vermeld dat de zorgdienstverlener het initiatief zal nemen om met eiser een HV-zorgovereenkomst te sluiten en dat eiser tot dat moment de hulp zal ontvangen zoals hij gewend was op grond van de vorige indicatie. 1.6 Op 8 juli 2014 is de heer [persoon 2] van Tzorg bij eiser thuis geweest. Er is tijdens dit huisbezoek een ‘Ondersteuningsplan’ opgesteld dat door eiser is ondertekend. In het Ondersteuningsplan is aangegeven dat ‘schoon en leefbaar huis ondersteuning’ wordt geleverd door de professionele hulp en dat die daarvoor de activiteiten stoffen, stofzuigen/dweilen, keuken schoonmaken, badkamer/toilet schoonmaken, ramen zemen, bed verschonen, was ophangen, strijken en opvouwen, was opruimen en instrueren en organiseren van het huishouden verricht. In het Ondersteuningsplan wordt geen duur van de werkzaamheden genoemd. 1.7 Op basis van het Ondersteuningsplan wordt sinds 8 juli 2014 wekelijks bij eiser gedurende 3 uren en 30 minuten huishoudelijke verzorging geleverd. 1.8 Bij brief van 14 juli 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het feit dat anderhalf uur zorg minder wordt geleverd dan de vorige indicatie en dat er in de vakanties nog minder uren worden gemaakt. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij zijn bezwaar al bij Tzorg kenbaar heeft gemaakt maar dat die er niets mee doen. 1.9 In bezwaar heeft op 27 augustus 2014 een hoorzitting plaatsgevonden waar eiser is verschenen en waarbij ook mevrouw [persoon 3]) van Tzorg aanwezig was. In het verslag van de hoorzitting is vermeld dat eiser heeft gezegd dat er niet of nauwelijks wordt gedweild en gestoft, dat de sfeer tussen hem en de vaste hulp naar de knoppen is omdat er geen tijd meer is voor een kopje koffie/thee, dat een half uur wordt afgetrokken voor het koffiedrinken terwijl daarvan eigenlijk geen gebruik werd gemaakt, dat voor het doen van de was een kwartier in mindering is gebracht, en dat eiser zich daarin kan vinden, dat er een kwartier wordt afgetrokken voor het wassen van de ramen en dat de ramen nu niet meer aan de buitenkant worden gedaan en dat de hulp niet meer toe komt aan het stoffen van de woning. Eiser heeft ook gezegd dat zijn situatie complexer is dan die van anderen en dat in zijn woonkamer nogal wat dozen staan opgestapeld die de vorige hulp wel eens aan de kant deed en dan weer terugplaatste, maar daar is nu geen tijd meer voor. [persoon 3] heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat [persoon 2] bij eiser is geweest om te kijken wat nodig was en dat daarbij niet is gekeken naar uren. [persoon 3] zegt verder dat het uiteindelijk echter wel gaat om uren en dat Tzorg daar een rekenmodel voor gebruikt. Op basis van dat model komt [persoon 3] tot een gemiddelde van 2 uren en 45 minuten voor eiser waarbij dan vanwege zijn bijzondere situatie - er staan meer spullen dan gemiddeld - nog 45 minuten aan extra tijd wordt ingezet. Eiser heeft op de hoorzitting verder gezegd dat de hulp dit jaar vier keer met vakantie is geweest en dat er dan niemand komt of iemand voor een paar uurtjes waardoor de woning niet schoon is. [persoon 3] heeft daarop gezegd dat de vakantie een lastig punt is. Tzorg heeft veel mensen in dienst, die willen vaak in dezelfde periode met vakantie en voor die periode huurt Tzorg dan vakantiekrachten die minder ervaring hebben. Ook de feestdagen zijn een probleem. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het advies van de bezwarenbehandelaars van 15 september 2014. In dat advies is vooropgesteld dat het primaire besluit van 13 februari 2014 en het Ondersteuningsplan van 8 juli 2014 onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden omdat de rechtsgevolgen van het primaire besluit pas duidelijk zijn geworden in het ondersteuningsplan. Daarom is volgens de bezwarenbehandelaars het te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. In het advies is voorts aangegeven dat een indicatie voor huishoudelijke verzorging niet ziet op achterstallig onderhoud en dat eiser zelf verantwoordelijk is voor een redelijk uitgangspunt zodat het schoonmaakwerk op een normale manier kan worden uitgevoerd hetgeen betekent dat de dozen uit de woonkamer moeten worden verwijderd en dat er geen nieuwe dozen mogen worden geplaatst. Het advies vermeldt verder dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het feit dat hij eerder vijf uren huishoudelijke hulp per week ontving. Voorts is aangegeven dat Tzorg afdoende heeft toegelicht dat een woning, zoals die van eiser, in twee uur en drie kwartier zodanig kan worden schoongemaakt dat er sprake is van een schoon en leefbaar huis, alsmede dat aan eiser vanwege de bijzondere situatie al drie kwartier extra is toegekend. Volgens het advies wordt met het voorliggende ondersteuningsplan van 8 juli 2014 een adequate invulling aan de compensatieplicht gegeven, waarbij als voorwaarde geldt dat de voorraad dozen feitelijk uit eisers woonkamer moet worden verwijderd. 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn huis sinds het primaire besluit niet, net als voorheen, schoon en leefbaar is. In de vorige indicatie stond dat er vijf uren per week moesten worden ingezet. Nu komt de huishoudelijke hulp anderhalf uur per week minder waardoor deze elke week iets moet lagen liggen. Eiser stelt dat de was blijft liggen, dat de trap, vloeren en hoeken niet meer worden schoongemaakt en dat er geen tijd meer is om iets van de kast te halen en de meubels te verzetten. Volgens eiser komt hij voor een schoon huis minstens 45 minuten per week te kort. Verder voert eiser aan dat volgens de vorige indicatie ook tijdens de vakantieperiodes en feestdagen 5 uur per week aan huishoudelijke hulp werd geboden, terwijl die hulp thans maar voor de helft van de tijd wordt geboden en de vakantiewerkers onvoldoende gekwalificeerd zijn. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Ontvankelijkheid van het bezwaar 5. De rechtbank is gehouden om ambtshalve na te gaan of eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft het primaire besluit genomen op 13 februari 2014. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift is ingediend buiten de bezwaartermijn van zes weken na die beschikking, nu pas bezwaar is gemaakt na het vaststellen van het ondersteuningsplan op 8 juli 2014. In het bestreden besluit heeft verweerder hierover geconcludeerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat pas met het ondersteuningsplan de concrete gevolgen van de beschikking zijn gebleken. Ter zitting heeft de rechtbank de vraag aan de orde gesteld hoe het besluit zich tot het ondersteuningsplan verhoudt, nu pas met het ondersteuningsplan concrete invulling wordt gegeven aan het besluit en daarmee door Tzorg als niet-bestuursorgaan de concrete (rechts)gevolgen van de beschikking van 13 februari 2014 worden vastgelegd. Daarop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit en het ondersteuningsplan in samenhang moeten worden bezien en dat sprake is van verlengde besluitvorming. Hoewel Tzorg niet krachtens publiekrecht met enig openbaar gezag is bekleed en ook op grond van de zogenaamde publieketaakjurisprudentie niet is te beschouwen als een privaatrechtelijke rechtspersoon waaraan geen publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend maar die toch moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan (vgl. de conclusie van A.G. Widdershoven van 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2260), is de rechtbank van oordeel dat het met het oog op een effectieve rechtsbescherming noodzakelijk is het ondersteuningsplan te beschouwen als deel uitmakend van het primaire besluit van 13 februari 2014. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder de inhoud van het ondersteuningsplan ter zitting expliciet voor zijn rekening heeft genomen en in zijn algemeenheid heeft toegelicht dat verweerder ten aanzien van de concrete invulling van de beschikkingen volledig vertrouwt op wat Tzorg noodzakelijk acht. Het bestreden besluit, waarin concrete publiekrechtelijke rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen, is daarmee dus pas (volledig) genomen op 8 juli 2014. Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank wel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar van een tijdig ingediend bezwaarschrift. Het bezwaarschrift heeft verweerder derhalve terecht ontvankelijk geacht, zij het op een andere grond. Wettelijk kader huishoudelijke verzorging 6. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wmo, zoals die gold tot 1 januari 2015, treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. Op grond van het tweede lid houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van de kosten zelf in de maatregelen te voorzien. 7. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. 8. Ter uitvoering van deze bepaling is door de gemeenteraad van de gemeente Boxmeer de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Boxmeer 2014 (de Verordening) vastgesteld. 9. Op grond van artikel 2 van de Verordening zijn de op basis van artikel 4, eerste lid, van de Wmo via compenserende maatregelen te bereiken resultaten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.