vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/880381-14 Datum uitspraak: 21 juli 2015 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1992], wonende te [adres 1], thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B). Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 februari, 15 april, 1 juli en 7 juli
(12)jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de straftoemeting passend bij “mishandeling, de dood ten gevolge hebbend” en verzoekt de rechtbank daarbij expliciet rekening te houden met de jeugdigheid van verdachte. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Adolescententrafrecht Ten aanzien van het adolescentenstrafrecht overweegt de rechtbank (ambtshalve) als volgt. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten toch het adolescentenstrafrecht toe te passen, indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De hiervoor genoemde pro justitia rapportages vermelden dat er in de persoonlijkheid van verdachte, noch in diens functioneren, indicaties zijn gevonden die een pedagogische insteek noodzakelijk maken. Ook anderszins is er geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Hoewel uit de hiervoor genoemde pro justitia rapportages blijkt dat de persoonlijkheid van verdachte nog niet voldoende is uitgerijpt, zijn er naar het oordeel van de rechtbank in die persoonlijkheid en in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, geen indicaties die aanleiding zijn het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen. Omstandigheden ten nadele van verdachte De verdachte heeft aan [slachtoffer], zijn 17-jarige ex-vriendin, het meest kostbare ontnomen dat een mens bezit: het leven. In de weken daarvoor heeft hij haar angst aangejaagd door haar te bedreigen met de dood en haar huis binnen te dringen. Ook haar gezinsleden heeft hij op die manier angst aangejaagd. Er is in strafrechtelijk opzicht geen direct verband tussen de bedreigingen en de dood van [slachtoffer] maar het leven in angst in de weken vóór haar dood, weegt de rechtbank mee bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Aan de nabestaanden van [slachtoffer] is onherstelbaar leed toegebracht. Haar moeder heeft – mede namens [slachtoffer] zus – een slachtofferverklaring voorgedragen, waarin zij het leed dat hen is aangedaan zeer treffend onder woorden heeft gebracht. Het moeten missen van hun dochter en zus, het ongewis blijven over haar laatste levensmomenten en de gedachte aan dat zij op de plaats van het delict alleen werd achtergelaten, grijpen diep in hun levens in. Ook de impact van dit verlies en de wijze waarop dit verlies tot stand is gekomen weegt mee bij het bepalen van de strafmaat. Een levensdelict als de bewezenverklaarde doodslag schokt de rechtsorde en de omstandigheden waaronder het lichaam van [slachtoffer] is gevonden brengt in een brede kring van omstanders en in de samenleving in het algemeen verbijstering en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank er voorts rekening mee dat verdachte ten tijde van het gebeurde op 26 oktober 2014 een contactverbod met [slachtoffer] had, maar haar – ondanks diverse waarschuwingen van vrienden – toch ontmoet heeft. De verdachte heeft ter zitting spijt betuigd van wat hij heeft gedaan. Hij heeft gezegd dat hij verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] en dat hij op vele momenten anders had moeten handelen. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis, in het nadeel van de verdachte meegewogen dat verdachte geen oprechte spijt, schuld of schaamte heeft betuigd. De rechtbank ziet dit anders. De gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat de emotionele ontwikkeling van verdachte nog niet is uitgerijpt en dat er narcistische persoonlijkheidstrekken zijn. Tegen die achtergrond heeft verdachte naar zijn vermogen spijt betuigd en inzicht in zijn handelen getoond. Enig tekortschieten daarin mag dan ook niet tot verzwaring van de straf leiden. Hetzelfde geldt voor het gevaar dat verdachte in de toekomst opnieuw een soortgelijk delict zal plegen. De gedragsdeskundigen hebben geen verhoogd risico op het plegen van een nieuw levensdelict kunnen vaststellen, wel een matig verhoogd risico op huislijk geweld. Dit is onvoldoende om de straf te verzwaren. Omstandigheden ten voordele van verdachte Bij de strafoplegging heeft de rechtbank er ook rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld, zij het dat dit aspect bij een feit als het onderhavige nauwelijks gewicht in de schaal legt. Voorts houdt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank doet dit mede omdat zowel de psychiater als de psycholoog in de hiervoor genoemde pro justitia rapportages aangeven dat de persoonlijkheid van verdachte nog niet voldoende uitgerijpt is. Ten aanzien van de straf Doodslag behoort tot de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop 15 jaar gevangenisstraf als strafmaximum te stellen. Voor deze feiten worden doorgaans langdurige gevangenisstraffen opgelegd. De hoogte van de eis van de officier van justitie is echter niet in lijn met de straffen die in vergelijkbare doodslagsituaties zijn opgelegd. Al de hierboven genoemde aspecten bepalen de hoogte van de straf en brengen de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Op deze gevangenisstraf zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht in mindering worden gebracht. De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de wettelijke rente. Het standpunt van de verdediging. De verdediging refereert zich voor wat betreft de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling. De rechtbank merkt op dat [benadeelde partij 2] weliswaar niet in de bewezenverklaring van feit 2 of 3 genoemd wordt, maar ziet haar desondanks als rechtstreeks benadeelde van feit 2 aangezien zij eveneens in de woning genoemd bij feit 2 woonde. De rechtbank acht beide vorderingen in hun geheel toewijsbaar; ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening en ten aanzien van de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vorderingen. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregelen. De rechtbank zal voor het toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert; ten aanzien van de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening en ten aanzien van de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vorderingen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 55, 57, 138, 285,
- DE UITSPRAAK De rechtbank: Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: T.a.v. feit 1 primair:doodslagT.a.v. feit 2:in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen (in eendaadse samenloop begaan met feit 3)T.a.v. feit 3:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegdVerklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf en maatregelen. T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:Maatregel van schadevergoeding van € 25.366,49 subsidiair 161 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 25.366,49 (zegge: vijfentwintigduizend driehonderdzesenzestig euro en negenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 161 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 23.866,49 aan materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], van een bedrag van € 25.366,49 (zegge: vijfentwintigduizend driehonderdzesenzestig euro en negenenveertig eurocent), te weten € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 23.866,49 aan materiële schadevergoeding. Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 1.517,10 subsidiair 25 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] van een bedrag van € 1.517,10 (zegge: duizend vijfhonderdzeventien euro en tien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 17,10 aan materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indienen van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], van een bedrag van € 1.517,10 (zegge: duizend vijfhonderdzeventien euro en tien eurocent), te weten € 1.500,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 17,10 aan materiële schadevergoeding. Het bedrag aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 oktober 2014) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indienen van de vordering (1 juli 2015) tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. Dit vonnis is gewezen door: mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter, mr. C.A. Mandemakers en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier, en is uitgesproken op 21 juli
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal van de politie Brabant Zuid-Oost, onderzoek “Ceres”, dossiernummer PL2233/2014150954, afgesloten d.d. 31 december 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 1903, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij dit proces-verbaal. Verklaringen getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], blz. 265, 277 resp. 282 Proces-verbaal van bevindingen blz. 377, 378 en 381 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015 Getuigen [getuige 4] (blz. 336-337), [getuige 5] (blz. 340-341) [getuige 6] (blz. 343-344) en [getuige 7] (blz. 345-346) Proces-verbaal beschrijving camerabeelden blz. 104-106 Proces-verbaal beschrijving camerabeelden blz. 105-106 Proces-verbaal van bevindingen blz. 87 Proces-verbaal blz. 14 alsmede proces-verbaal van bevindingen identificatie blz. 95 Proces-verbaal van bevindingen blz. 106 Pathologie onderzoek d.d. 30 januari 2015 blz. 1268 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2015 Aangifte [slachtoffer] blz. 1117, 1120 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126, 1127 Aangifte [slachtoffer] blz. 117-1123 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126, 1127 Getuige [benadeelde partij 2] blz. 1130 Aangifte [benadeelde partij 1] blz. 1126-1127 en getuige [getuige 8] d.d. 23 april 2015, documentcode 20150423.1430.20559, blz. 1 en 2 Rapport van GZ-psycholoog drs. M.M.F. van Casteren d.d. 5 februari 2015, blz. 27 en rapport van psychiater E.M.M. Mol d.d. 15 februari 2015, blz. 25