vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Handelsrecht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/193653 / HA ZA 09-1191 Vonnis van 21 oktober 2015 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE [woonplaats 1], zetelend te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem, tegen MR. C.G.J.M. TERMAAT, advocaat, kantoorhoudende te Rosmalen (gemeente ’s-Hertogenbosch), in zijn hoedanigheid van derde voor de overleden [naam 1], advocaat mr. C.J.G.M. Termaat te Rosmalen, en tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats 1] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats 1] , 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats 1] , 4. [gedaagde sub 4], wonende te [woonplaats 1] , 5. [gedaagde sub 5], wonende te [woonplaats 1] , 6. [gedaagde sub 6], wonende te [woonplaats 1] , 7. [gedaagde sub 7], wonende te [woonplaats 1] , interveniënten, advocaat voorheen mrs. V.E.W.M. van Wijmen en J.J. Hoekstra, thans mr. E.W.J. de Groot te Breda. Partijen zullen hierna de gemeente, Termaat q.q. en [gedaagden] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Op 2 juni 2009 heeft een vooropname als bedoeld in artikel 54a Onteigeningswet plaatsgevonden. De gemeente heeft een nota voor deskundigen voorgedragen en overgelegd. [gedaagden] hebben hun op schrift gestelde standpunten voorgedragen en overgelegd. Van het ter descente verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich in afschrift onder de stukken bevindt. 1.2. Bij tussen partijen gewezen vonnis van 25 november 2009, waarvan zich een afschrift onder de stukken bevindt, werd de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagden] op € 129.600,00. 1.3. Tegen het vonnis van 25 november 2009 is door [gedaagden] beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Dit beroep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 18 februari 2011. 1.4. Op 7 april 2011 hebben de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] het onteigende en de actuele toestand van de omgeving in aanwezigheid van twee erven Van de Voort nogmaals opgenomen. 1.5. Het vonnis van onteigening is op 14 april 2011 ingeschreven in de openbare registers. 1.6. De deskundigen hebben op 2 maart 2012 een concept-rapport uitgebracht. 1.7. De gemeente heeft bij brieven van 12 maart 2012 en 21 november 2012 op het concept-rapport gereageerd. 1.8. [gedaagden] hebben bij brieven van 20 augustus 2012, 9 oktober 2012, 10 december 2012 en 7 oktober 2013 op het concept-rapport gereageerd. 1.9. Het definitieve rapport van deskundigen d.d. 25 juli 2014 is op 28 juli 2014 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. 1.10. Bij brief van 19 augustus 2014 is zijdens [gedaagden] verzocht om de deskundigen te vervangen. Naar aanleiding van dit verzoek is op 7 oktober 2014 een comparitie van partijen gehouden. Bij vonnis van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [gedaagden] tot vervanging van de deskundigen afgewezen. 1.11. Termaat q.q. heeft bij brief van 4 september 2014 aan de rechtbank doen weten dat hij geen bemoeienis meer heeft met deze zaak. 1.12. De gemeente en [gedaagden] hebben hun zaak doen bepleiten op 17 maart 2015. 1.13. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd. 2De schadeloosstelling 2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in het vonnis van onteigening heeft overwogen en beslist. Nu de onteigening reeds vervroegd is uitgesproken, rest thans de beslissing op de aan [gedaagden] toe te kennen schadeloosstelling. 2.2. Blijkens hun rapport van 25 juli 2014 zijn de deskundigen van mening dat de schadeloosstelling voor [gedaagden] als volgt dient te worden begroot: - waarde € 169.600,00 - waardevermindering van het overblijvende n.v.t. - overige schade nihil ------------------------ Totaal € 169.600,00. 2.3. Alvorens de bezwaren van [gedaagden] tegen het advies van deskundigen te bespreken zal de rechtbank verkort weergeven welke de belangrijkste gegevens zijn waarmee bij het bepalen van de schadeloosstelling door de deskundigen rekening is gehouden. 2.3.1. Het onteigende was op de peildatum gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan “ [naam 2] ”, vastgesteld door de raad van de gemeente bij besluit van 14 december 2007, welk bestemmingsplan op 3 augustus 2007 onherroepelijk is geworden. Dit plan voorziet in de realisatie van plm. 195 nieuwe woningen en de aanleg van een ontsluitingsweg, de [naam 15] . Het plangebied heeft een totale oppervlakte van plm. 11 ha. Het bestemmingsplan “ [naam 2] ” betreft een uitwerkingsplan met gedetailleerde eindbestemmingen. Ingevolge dit bestemmingsplan heeft het onteigende deels de bestemming “Wonen aaneengesloten”, deels met de aanduiding “maatregelen geluidhinder’, “Verkeer en verblijf”, “Groen” en “Water”. Voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “ [naam 2] ” gold voor het perceel het bestemmingsplan “ [naam 3] ”. Dit bestemmingsplan was vastgesteld op 29 april 1993 en onherroepelijk op 6 juni 1995. Ingevolge dit bestemmingsplan had het perceel voorheen de globale bestemming “Woondoeleinden, uit te werken”. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan in 1993 werd voorzien in de realisering van dit bestemmingsplan gedurende een planperiode van 10 jaar in een aantal fasen, waarbij per fase een uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO zou worden vastgesteld. Op peildatum was het grootste deel van het bestemmingsplan inmiddels gerealiseerd. Het uitwerkingsplan [naam 2] ziet op de laatste fase. Met de realisatie van het uitwerkingsplan [naam 2] is gestart medio 2007. Op peildatum waren de nieuwe woningen grotendeels al gerealiseerd. Wijlen de heer [naam 1] (overleden op [datum] ) heeft het perceel op 29 juni 1979 in eigendom verkregen als landbouwgrond; na zijn overlijden zijn zijn zes kinderen gezamenlijk eigenaar van het perceel geworden. Het perceel lag op de peildatum al geruime tijd braak. Aan Termaat q.q. komt als derde ex artikel 20 Onteigeningswet voor [gedaagden] geen eigen/zelfstandig recht op schadeloosstelling toe, nu alle erven inmiddels zelf in deze procedure zijn tussengekomen. Krachtens artikel 40 Onteigeningswet komt aan [gedaagden] als eigenaren van het onteigende perceel volledige vergoeding toe van alle schade, die zij als gevolg van de onteigening lijden c.q. zullen lijden. De omvang van deze schade zal begroot dienen te worden per de peildatum 14 april 2011. 2.3.2. Bij het schatten van de waarde van het onteigende zijn deskundigen van het volgende uitgegaan. a. De waarde van het onteigende dient ingevolge artikel 40a Onteigeningswet bepaald te worden op basis van de prijs die zonder onteigening op de peildatum in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen tussen een redelijk handelend koper en verkoper. De waarde van het onteigende dient daarbij in beginsel te worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het onteigende. Indien sprake is van meerdere bouw- of gebruiksmogelijkheden kunnen [gedaagden] in beginsel aanspraak maken op de hoogste waarde. Ingevolge artikel 40c Onteigeningswet mag echter geen rekening worden gehouden met hetgeen de gemeente reeds eerder heeft aangelegd in het kader van het werk waarvoor onteigend is. De invloed daarvan op de waarde van het onteigende dient te worden geëlimineerd. b. In een eerdere onteigeningsprocedure tussen de gemeente en [gedaagden] hebben de deskundigen op 15 januari 2008 een advies uitgebracht over de waarde van een eveneens in het plangebied van het uitwerkingsplan “ [naam 2] ” gelegen, aan het thans onteigende perceel grenzend perceel, dat toen reeds werd onteigend met het oog op de aanleg van de westelijke ontsluitingsweg van het plangebied “ [naam 3] ”. Bij de waardering van dat perceel gold als peildatum 2 maart 2005. Op dat moment was nog slechts sprake van een globale (woon)bestemming. Deskundigen hebben toen overwogen dat het perceel onderdeel uitmaakte van een complex ruwe bouwgrond dat samenviel met het hele plangebied van het globale bestemmingsplan “ [naam 3] ” en hebben de (complex)waarde van het perceel geschat op € 41,00 per m². Bij vonnis van 24 december 2008 heeft de rechtbank dit advies gevolgd en de schadeloosstelling voor [gedaagden] met inachtneming van deze waarde vastgesteld. c. Tijdens de descente hebben deskundigen vastgesteld dat het onteigende op dat moment reeds (grotendeels) bouwrijp was. Dit bouwrijp maken is echter geschied ter realisering van het plan waarvoor onteigend is en dient daarom op grond van artikel 40c Onteigeningswet bij het bepalen van de waarde van het onteigende te worden weggedacht. Dan resteert te waarderen een perceel bouwgrond met een onherroepelijke woonbestemming dat nog volledig bouwrijp gemaakt dient te worden. d. Deskundigen zijn eerst nagegaan of het thans onteigende perceel op peildatum onderdeel uitmaakte van een groter complex van gronden. Wanneer immers het onteigende op peildatum deel uitmaakte van zo’n complex dient ingevolge artikel 40d Onteigeningswet bij het bepalen van de waarde van het onteigende rekening te worden gehouden: Met ter plaatse geldende voorschriften en gebruiken betreffende lasten en baten, welke uit de exploitatie van de zaak of van een complex, waarvan zij deel uitmaakt, naar verwachting zullen voortvloeien en betreffende de omslag daarvan, voor zover een redelijk handelend verkoper en koper hiermee rekening plegen te houden; Met alle bestemmingen die gelden voor zaken, die deel uitmaken van het complex, in dier voege dat elke bestemming van een zaak de waardering van alle zaken binnen het complex beïnvloedt. De deskundigen zijn van oordeel dat het onteigende op de peildatum deel uitmaakte van een complex bouwgrond, dat in casu samenvalt met het plangebied van het bestemmingsplan “ [naam 3] ”, welk complex op de peildatum hoofdzakelijk een (niet meer uit te werken) onherroepelijke woonbestemming had. e. De deskundigen zijn van oordeel dat bij de keuze voor de methode van waardering van het onteigende zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de uitgangspunten die partijen ter plaatse in het vrije economisch verkeer hanteren bij hun onderhandelingen. f. De gemeente placht ten tijde van de peildatum bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties uit te gaan van een zgn. actieve grondpolitiek. Dit beleid impliceert dat de gemeente in beginsel alle benodigde grond binnen een plangebied zelf aankoopt, dit plangebied zelf bouwrijp laat maken en vervolgens de uitgeefbare gedeelten ook zelf verkoopt aan gegadigden. Consequente toepassing van dit beleid bood de gemeente de meeste waarborg dat zij de regie over de ontwikkeling van het plangebied in eigen hand kon houden en voorts dat een eventueel positief saldo tussen de aan- en verkoopprijs van de betrokken gronden (na aftrek van kosten) aan de gemeente ten goede kwam. Naar aanleiding van het concept-rapport hebben [gedaagden] erop gewezen dat de gemeente jarenlang als beleid heeft gehanteerd dat in ruil voor de (vrijwillige) verkoop van gronden in het plangebied “ [naam 3] ” bouwkavels zijn aangeboden, zowel aan professionele partijen (projectontwikkelaars) als aan particulieren (waarvan met name door [gedaagden] zijn genoemd de families [naam 4] , [naam 5] [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] en in 2012 nog [naam 11] . Met de door [gedaagden] aangehaalde transacties wordt bevestigd dat de gemeente in het onderhavige complex consequent een actieve grondpolitiek heeft gevoerd, waarbij de gemeente alle (ruwe bouw-)gronden binnen het complex heeft aangekocht voor in beginsel steeds een vaste koopprijs en daarbij met diverse grondeigenaren afspraken heeft gemaakt over een verkoop van of ruil tegen bouwkavels elders binnen het plangebied en een daarop te realiseren bouwvolume. Naar het oordeel van deskundigen kan uit dergelijke “samengestelde transacties” niet rechtstreeks de complexwaarde van bouwgrond binnen een groter complex of plangebied worden afgeleid. Met name voor zover in die transacties naast de prijs voor de betrokken gronden nog bijzondere afspraken zijn gemaakt, al dan niet gerelateerd aan de bijzondere omstandigheden van een individueel geval, zijn (de financiële effecten van) deze afspraken voor het bepalen van de complexwaarde enkel relevant, indien en voor zover ook redelijk handelende partijen in het vrije economisch verkeer bij het bepalen van de waarde/koopprijs van de grond binnen het complex met deze/dergelijke afspraken rekening zouden houden. Aldus leidt de omstandigheid dat aan diverse (voormalige) grondeigenaren uit het complex/plangebied in het kader van met hen gesloten grondtransacties elders in de gemeente een of meer bouwkavels zijn aangeboden, er ook niet “automatisch” toe dat daarmee de waarde van alle gronden binnen dat complex of plangebied stijgt. De vraag blijft of en in hoeverre redelijk handelende partijen in het vrije economisch verkeer ten tijde van de peildatum bij het bepalen van de waarde/koopprijs van de grond binnen dat complex met (de wetenschap omtrent) die omstandigheid rekening zouden houden. Dit zal onder meer afhangen van de mate waarin de toekenning van die bouwkavels tot financiële voordelen voor de betreffende grondeigenaren heeft geleid en partijen in het vrije economisch verkeer erop konden rekenen dat zij bij verkoop van hun gronden soortgelijke voordelen zouden kunnen realiseren. g. Voor het beoordelen van de complexwaarde per peildatum achten deskundigen met name relevant de prijzen uit transacties, die in het onderhavige plangebied kort voor de peildatum met betrekking tot vergelijkbare gronden tot stand zijn gekomen en – voor zover die transacties onvoldoende houvast bieden – transacties in zo veel mogelijk vergelijkbare plangebieden in de gemeente of de omgeving daarvan. De deskundigen zien daarbij geen bijzondere reden om in dit geval de complexwaarde vast te stellen volgens de zogenaamd topdownmethode. In het algemeen achten deskundigen deze waarderingsmethode minder geschikt in het geval sprake is van omvangrijke, langlopende transacties, nu de uitkomsten van dergelijke topdownberekeningen sterk bepaald worden door de aannames in de betreffende exploitatieopzet. Daarbij komt dat de uitkomst van een dergelijke berekening geenszins “zonder meer” gelijk te stellen is aan de waarde van de gronden in het betreffende exploitatiegebied; ook partijen in het vrije economische verkeer gaan daar niet vanuit. h. De gemeente heeft aan deskundigen meegedeeld dat zij sinds 1 januari 2008 geen gronden in het plangebied van het bestemmingsplan [naam 3] meer heeft aangekocht. Wel was zij in juli 2011 doende om gronden te verwerven in het aangrenzende plangebied van het bestemmingsplan “ [naam 12] ”. Daarbij ging de gemeente voor niet-bebouwde gronden uit van een waarde van € 45,00 per m². De deskundigen hebben een aantal door [gedaagden] aangedragen transacties van de gemeente met andere eigenaren (familie [naam 8] en familie [naam 9] ) geanalyseerd en geprobeerd uit de beschikbare gegevens de bij die transacties gehanteerde prijs voor de ruwe bouwgrond te herleiden door een eigen inschatting te maken van de waarde van de diverse bij de transacties betrokken gronden, opstallen en voorzieningen. Door de vele onzekerheden biedt deze methode niet meer dan een globale indicatie van de bij deze specifieke transacties gehanteerde grondprijs. Deze indicatie is geenszins zonder meer gelijk te stellen aan de ten deze relevante complexwaarde per peildatum. De deskundigen hebben globaal en indicatief herleid dat partijen bij beide genoemde transacties een (ruwe bouw)grondprijs hebben gehanteerd in de orde van grootte van € 55,00 tot € 65,00 per m². i. Met betrekking tot de grondprijsontwikkeling in het plangebied “ [naam 2] ” nemen deskundigen enerzijds in aanmerking de gunstige ligging van het plangebied (grenzend aan het buitengebied en goed bereikbaar vanaf onder meer de snelweg A50), het feit dat de planontwikkeling sinds de laatste minnelijke grondtransactie in 2008 is voorgeschreven en het onteigende op peildatum direct “aan snee” was. Anderzijds nemen zij in aanmerking de relatief lage woningbouwdichtheid binnen het plangebied, de oppervlakte voor onrendabele bestemmingen in het plangebied en de ernstige stagnatie in de woningbouw en de grondprijsontwikkeling sinds medio 2008 onder invloed van de economische omstandigheden. j. Voor meer actuele gegevens over het prijsniveau/de waarde van sec ruwe bouwgrond voor woningbouwdoeleinden ten tijde van de peildatum zijn deskundigen aangewezen op transacties met betrekking tot gronden buiten de gemeente, met name in de gemeenten [woonplaats 2] en [woonplaats 1] . In deze gemeenten zijn in 2009 en 2010 nog wel concreet transacties met betrekking tot ruwe bouwgrond voor woningbouw gedaan met prijzen tussen € 40,00 en € 62,50 per m². Deze transacties geven een indicatie voor het algemene prijsniveau in die jaren. k. Met inachtneming van alle in het rapport genoemde algemene en bijzondere omstandigheden en aldus mede gelet op de ligging, gesteldheid, de daadwerkelijk tot stand gekomen prijzen bij vergelijkbare transacties en de grondprijsontwikkeling sedert 2 maart 2005 (de peildatum bij de vorige onteigening) tot aan 14 april 2011, schatten deskundigen de waarde van de onteigende grond als onderdeel van het complex per de peildatum op € 53,00 per m². Daarmee komt de totale waarde van het onteigende per peildatum op 3200 m² grond à € 53,00 = € 169.600,00. 2.3.3. De deskundigen hebben onderzocht of sprake is van “overige schade”. Zij leiden uit de stellingen van [gedaagden] af dat zij als “overige schade” in verband met deze onteigening aanspraak maken op een vergoeding voor de winst, die zij gederfd hebben doordat zij niet in staat zijn gesteld om zelf de woonbestemming van het onteigende te realiseren dan wel met de gemeente tot een ruiling te komen van het onteigende tegen bouwkavels elders in het plangebied. [gedaagden] hadden voorafgaand aan de onteigening een bouwplan voor zes woningen op het onteigende gemaakt (bijlage D bij de brief van [gedaagden] aan deskundigen d.d. 14 april 2011). Als uitgangspunt heeft te gelden de vaststelling van de rechtbank in het onteigeningsvonnis van 25 november 2009 dat – zoals de [naam 16] reeds had overwogen – [gedaagden] onvoldoende aaneengesloten grond hadden om de door hen gewenste zes aaneengesloten woningen op de wijze zoals de raad die voorstond, zelf te realiseren. De vraag is dan of bij dit uitgangspunt het toch aannemelijk is dat [gedaagden] de woonbestemming van hun perceel zelf zouden hebben gerealiseerd. Deze zelfrealisatie kon enkel als [gedaagden] de ontbrekende grond door aankoop of ruil van de gemeente hadden kunnen verkrijgen. De gemeente had echter de aansluitende gronden al in een vroeg stadium van de planontwikkeling gereserveerd voor toewijzing aan/realisering door één of meer projectontwikkelaars. [gedaagden] hadden geen rechtens afdwingbare aanspraak op aankoop of ruil van de voor hun zelfrealisatie nog benodigde gronden. Zoals de rechtbank heeft overwogen is aan [gedaagden] – evenals aan een aantal andere voormalige grondeigenaren in de plangebieden “ [naam 3] ” en “ [naam 13] ” – wel aangeboden om hun perceel (het onteigende) te ruilen tegen (bouw)grond elders in één van deze plangebieden. Van dit aanbod hebben [gedaagden] geen gebruik willen maken, althans steeds afhankelijk gemaakt van (voor de gemeente niet aanvaardbare) aanvullende voorwaarden. Voor zover [gedaagden] daardoor mogelijk exploitatievoordeel zijn misgelopen, doordat zij de woonbestemming van die ruilgronden niet zelf hebben kunnen realiseren of die ruilgronden niet als bouwkavels hebben kunnen verkopen, is dat niet een gevolg van de onderhavige onteigening. De deskundigen zijn dan ook van mening dat [gedaagden] in deze onteigeningsprocedure geen aanspraak op vergoeding van exploitatieschade kunnen maken. Ook overigens is niet gebleken van schade voor [gedaagden] als gevolg van de onderhavige onteigening. 2.4. Bij pleidooi hebben [gedaagden] - kort weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd: De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 oktober 2014, gewezen naar aanleiding van het verzoek van [gedaagden] om de deskundigen te vervangen, een onjuist criterium gehanteerd. De rechtbank heeft immers overwogen dat er geen objectieve grond is om aan te nemen dat deskundigen hun werk niet zonder vooringenomenheid kunnen verrichten. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:523) is het criterium of de vrees/twijfel dat een deskundige niet objectief is, objectief gerechtvaardigd is. Naar de mening van [gedaagden] is het objectief vast te stellen dat directe of indirecte betrokkenheid bij een vergelijkingstransactie het oordeel kan vertroebelen. Deskundigen zijn niet zorgvuldig geweest in hun onderzoek. Deskundigen hebben ten behoeve van het conceptrapport geen althans te weinig onderzoek gedaan naar relevante transacties en overige marktgegevens in het gebied. [gedaagden] hebben relevante transacties aangedragen. Deze transacties zijn vervolgens naar de mening van [gedaagden] niet op de juiste waarde geschat. De daarin versleutelde voordelen zijn ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De deskundigen volstaan ten onrechte met een waardering op basis van de comparatieve methode. Deze methode geeft in het onderhavige geval door de vele onzekerheden slechts een globale indicatie. Volgens [gedaagden] hadden deskundigen minst genomen een residuele berekening dienen te maken ter validatie van de globale gegevens die voortvloeien uit de comparatieve methode. Waarom dat niet is gebeurd, is voor [gedaagden] volstrekt onbegrijpelijk. De deskundigen onderkennen dat er rond de peildatum diverse verkopen hebben plaatsgevonden van bouwrijpe grond. Deskundigen achten deze transacties echter niet geschikt als referentie, omdat het gaat om bouwrijpe grond. [gedaagden] zijn van mening dat, als deze transacties gecorrigeerd worden door daar de exploitatiebijdrage van € 125,00 in [naam 2] van af te trekken, deze transacties wel vergelijkbaar zijn. Volgens mededeling van de directeur [woonplaats 3] -Nederland van één der grotere bouwende ontwikkelaars van Nederland aan de raadsman van [gedaagden] zou zijn bedrijf nu tussen de € 150,00 en € 200,00 per m² betalen voor grond in een nagenoeg afgeronde woonwijk, waarbij de exploitatiebijdrage € 125,00 bedraagt en de gemeente verkoopt voor € 320,00. De deskundigen hebben miskend dat [gedaagden] , de onteigening weggedacht, tot zelfrealisatie gekomen waren. Een overheid zonder onteigeningsinstrument zou namelijk met [gedaagden] tot een vergelijk gekomen zijn over een ruiling en vervolgens zouden [gedaagden] al dan niet in samenwerking met een aannemer zelf hebben zorggedragen voor woningbouw. De deskundigen hebben bij de waardebepaling geen rekening gehouden met een aantal op geld waardeerbare “bijkomende” voordelen die aan anderen zijn geboden. 2.5. De gemeente heeft bij pleidooi - kort weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd: Anders dan deskundigen lijken aan te nemen dient het uitwerkingsplan “ [naam 2] ” weggedacht te worden. Dat plan geeft immers slechts de planologische onderbouwing van het werk waarvoor onteigend wordt. Als voorafgaand concreet plan kan het globale plan “ [naam 3] ” gelden, maar bijvoorbeeld ook de Structuurvisie Plus [woonplaats 1] / [woonplaats 3] . Zoals blijkt uit de toelichting bij het uitwerkingsplan “ [naam 2] ” maakt het plangebied van dit uitwerkingsplan deel uit van de volgens die visie geplande woningbouw in [woonplaats 1] - [woonplaats 3] . De deskundigen maken een vergelijking met de prijs die de gemeente rond de peildatum hanteerde in het aangrenzende plan [naam 12] ad € 45,00 per m². Deskundigen menen dat de door hen voor het onteigende gevonden prijs van € 53,00 per m² in een redelijke verhouding staat tot die prijs, gezien het feit dat het bestemmingsplan [naam 12] toen nog niet was vastgesteld en de gronden in dat gebied nog niet aan snee waren. Volgens de deskundigen rechtvaardigen die omstandigheden per peildatum het aangegeven prijsverschil. Naar de mening van de gemeente zijn dit echter omstandigheden die op basis van artikel 40c Onteigeningswet geëlimineerd hadden moeten worden. De deskundigen onderbouwen de door hen getaxeerde forse afwijking van de in de eerdere onteigeningsprocedure gevonden waarde voorts met een verwijzing naar de transacties met [naam 8] en [naam 9] . De deskundigen zeggen het eens te zijn met door de gemeente daartegen ingebrachte bezwaar dat de situatie van [naam 8] en [naam 9] anders is dan die van [gedaagden] , omdat eerstgenoemden anders dan [gedaagden] wel met succes een beroep op zelfrealisatie konden doen, maar corrigeren hun berekeningen niet. In de visie van de gemeente ondersteunen de transacties [naam 9] en [naam 8] de taxatie van de gemeente van de waarde van ruwe bouwgrond ad € 45,00 per m². Die taxatie sluit bovendien aan bij de waarde die in de eerdere onteigeningsprocedure aan de naastgelegen grond in een onherroepelijk vonnis is vastgesteld. - Het tijdsverloop rechtvaardigt niet de toename van de waarde met bijna 30% die deskundigen hebben getaxeerd. 2.6. De rechtbank stelt allereerst vast dat thans geen (nader) verzoek tot vervanging van een of meer deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.