RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 15/6861 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 in de zaak tussen 1. de Stichting Waqfte Rotterdam, verzoekster, 2. [verzoeker] , verzoeker, hierna samen te noemen: verzoekers (gemachtigde: mr. T.J. Lindhout), en de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder (gemachtigden: mr. F. van Laanen, mr. A. Kepers en drs. H.E. Jeurissen-Meusen). Procesverloop Op 22 december 2015 heeft verweerder een besluit genomen, bestaande uit een aantal hierna te specificeren verboden en bevelen die zijn gebaseerd op de artikelen 172, tweede lid, 172, derde lid, en 172a van de Gemeentewet (het bestreden besluit). Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Verzoeker (de directeur van verzoekster) is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten en op 23 december 2015 uitspraak gedaan. De griffier heeft partijen om 11.57 uur telefonisch de beslissing meegedeeld. Overwegingen De feiten 1. In deze zaak gaat het om het volgende. 1.1. Van 24 tot en met 27 december 2015 organiseert verzoekster een conferentie in de Eindhovense Al Fourqaan-moskee. In een aankondiging van de conferentie op verzoeksters website (daarvan bevindt zich een afdruk tussen de dossierstukken) worden veertien internationale gastsprekers, afkomstig uit verschillende landen, genoemd. Op 9, 15 en 18 december 2015 heeft verweerder een aantal e-mailberichten van de directeur Uitvoeringsstrategie en Advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en van de directeur Programmadirectie Contraterrorisme van de NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid) ontvangen. Die e-mailberichten en de daaraan gehechte bijlagen bevatten informatie over zeven van de veertien beoogde gastsprekers. Die informatie heeft verweerder geleid tot het nemen van het bestreden besluit. 1.2. In dat bestreden besluit heeft verweerder, kort gezegd, verzoekers verboden om de zeven gastsprekers te laten spreken tijdens de conferentie en heeft hij aan hen verboden om de gastsprekers in de moskee toe te laten. Ook heeft verweerder verzoekers bevolen om de zeven gastsprekers niet te laten spreken, hen niet toe te laten, de uitnodigingen in te trekken en dat schriftelijk aan verweerder te bevestigen. Voor zover die bevestiging niet vóór 23 december 2015 aan verweerder is gegeven, heeft verweerder besloten om aan de gastsprekers te verbieden in persoon te spreken tijdens de conferentie en heeft hij aan hen een verbod opgelegd om zich tijdens de conferentie in de Al Fourqaan-moskee en in een gebied daar omheen te bevinden (gebiedsverbod). 1.3. Wat hierboven in rechtsoverweging 1.2 is vermeld, betreft een ten behoeve van de leesbaarheid samengevatte weergave van de beslissing die in het bestreden besluit is opgenomen. Die beslissing luidt in zijn geheel als volgt: “Besluit: 1. - op grond van artikel 172, tweede lid, Gemw: te verbieden aan de Stichting Waqf, de Al Fourcaan-moskee en de heer [verzoeker] om de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] te laten spreken tijdens de 26e islamitische conferentie van Stichting Waqf van 24 tot en met 27 december 2015 in Eindhoven (niet in persoon en niet via video-opname of andere opname, Skype, straalverbinding, telefoon, technische middelen of anderszins) en aan hun te verbieden om die zeven personen in de moskee of een eventuele daarvoor vervangende ruimte in Eindhoven toe te laten; - op grond van artikel 172, derde lid, Gemw: beveelt de Stichting Waqf, de Al Fourqaan moskee en de heer [verzoeker] om de zeven genoemde personen niet te laten spreken en niet toe te laten zoals hiervoor vermeld en beveelt hun eveneens om hiertoe de desbetreffende uitnodigingen in te trekken en ingetrokken te houden en om de intrekking en het ingetrokken houden schriftelijk (bij voorkeur per e-mail en anders per fax of per bij de receptie van het stadhuis in Eindhoven af te geven brief) aan de burgemeester te bevestigen uiterlijk op woensdag 23 december 2015, 12.00 uur; 2. voor zover op woensdag 23 december 2015 om 12.00 uur de hiervoor genoemde intrekkingen en bevestigingen aan de burgemeester niet hebben plaatsgevonden: - op grond van artikel 172, tweede lid, Gemw: te verbieden aan de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] om in persoon te spreken tijdens de 26e islamitische conferentie van Stichting Waqf van 24 tot en met 27 december 2015 in de Al Fourqaan-moskee aan de Otterstraat 2 of in een eventuele daarvoor vervangende ruimte in Eindhoven; - op grond van artikel 172, derde lid, en artikel 172a Gemw: te bevelen aan de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] zich van 24 tot en met 27 december 2015 niet te bevinden in de Al Fourqaan-moskee aan de Otterstraat 2 te Eindhoven, niet in het gebied omgeven door Kronehoefstraat, Molstraat, Robbenstraat en Frankrijkstraat te Eindhoven, inclusief deze wegen, en niet in een eventuele daarvoor vervangende ruimte en een straal van honderd meter daaromheen in Eindhoven.” 1.4. Tegen het besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt, en zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst totdat onherroepelijk in bezwaar en beroep zal zijn beslist. 1.5. Ter zitting is duidelijk geworden dat de uitgenodigde gastspreker [persoon 3] verhinderd is en om die reden niet naar de conferentie zal komen. Wat in het bestreden besluit en in de gronden van het verzoek over deze persoon is opgenomen, laat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek daarom buiten beschouwing. 1.6. Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat hij, wanneer het verzoek wordt afgewezen, aan verzoekers tot 14:00 uur 23 december 2015 de tijd zal geven om aan punt 1 van het bestreden besluit te voldoen. De wetsartikelen waarop het bestreden besluit is gebaseerd 2.1. De verboden heeft verweerder gebaseerd op artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet en de bevelen heeft hij gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, met dien verstande dat het gebiedsverbod tevens is gebaseerd op artikel 172a van de Gemeentewet. 2.2. In artikel 172 van de Gemeentewet is het volgende bepaald: “Artikel 172 1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. 2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie. 3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.” 2.3. In artikel 172a van de Gemeentewet is, kort gezegd, geregeld dat en onder welke omstandigheden de burgemeester aan iemand die de openbare orde ernstig heeft verstoord een gebiedsverbod kan opleggen. De motivering van het bestreden besluit en wat verzoekers daartegen hebben aangevoerd 3. Het standpunt van verweerder komt neer op het volgende. Verweerder staat pal voor de in de Grondwet en verdragen verankerde vrijheid van godsdienst, levensovertuiging, meningsuiting, vereniging en vergadering. Eerder in 2015 en in 2011 heeft verweerder dan ook geen bezwaren gehad tegen de komst, eveneens op uitnodiging van verzoekster, naar de Al Fourqaan-moskee van drie (andere) gastsprekers. Over die personen was immers geen informatie ontvangen van de IND of NCTV die aanleiding gaf tot het uiten van bezwaren. In het geval van de zeven gastsprekers om wie het hier gaat, is dergelijke informatie wel ontvangen en de inhoud daarvan geeft verweerder aanleiding om te vrezen dat de openbare orde zal worden verstoord wanneer de gastsprekers de conferentie zouden bijwonen. Verweerder baseert die vrees op drie pijlers en die pijlers licht hij als volgt toe: 1) De Schengenvisa van twee van de gastsprekers zijn ingetrokken en van de overigen hebben de Nederlandse autoriteiten aan de verlenende landen verzocht om de visa, indien verleend, in te trekken. Worden de gastsprekers in Nederland aangetroffen, dan zullen de Nederlandse autoriteiten hun visa intrekken en tegen hen een terugkeerbesluit uitvaardigen. Dat heeft de Directie Uitvoeringsstrategie en advies van de IND op 21 en 23 december 2015 aan verweerder meegedeeld. Hoewel het zonder visum aanwezig zijn in Eindhoven op zichzelf geen verstoring van de openbare orde zal veroorzaken, staat in dit geval vast dat de visa zijn of zullen worden ingetrokken juist met het oog op de openbare orde en dat in elk geval vijf van de gastsprekers gesignaleerd staan in het Schengen Informatie Systeem (SIS) in verband met bedreiging van de openbare orde. 2) Uit de informatie die verweerder heeft ontvangen van de IND en NCTV blijkt dat de gastsprekers in het verleden uitlatingen hebben gedaan die antisemitisch, anti-homoseksueel, anti-sjiitisch van aard zijn, die zijn gericht tegen vrouwenrechten, waaruit haat voor secularisten blijkt en/of waarin de gewelddadige jihadstrijd en/of het martelaarschap wordt verheerlijkt en terrorisme wordt ontkend. Eén van de gastsprekers heeft in Syrië gevechtshandelingen verricht in rangen van islamitische al dan niet jihadistische gewapende groepen. Het doen van dit soort uitlatingen en het verrichten van dit soort handelingen houdt overtreding van wettelijke voorschriften in. Die voorschriften zijn in het Wetboek van Strafrecht gerubriceerd als misdrijven tegen de openbare orde en het handelen in strijd daarmee vormt dus een inbreuk op die openbare orde. Verweerder mag er, gezien het ‘track record’ van de bewuste gastsprekers dat uit de informatie van de IND en het NCTV naar voren komt, redelijkerwijs van uitgaan dat de gastsprekers tijdens de conferentie in Eindhoven opnieuw dit soort strafbare uitlatingen zullen doen. 3) Verweerder stelt dat de openbare orde in verband met conferenties met islamitische predikers wordt gekleurd door het dreigingsbeeld en het actuele dreigingsniveau dat de NCTV heeft vastgesteld en de nota “Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek” van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. De dreiging is substantieel. Verweerder vreest dat wanneer de gastsprekers tijdens de conferentie aanwezig zijn, daarvoor ontvankelijke toehorende jongeren of andere aanwezigen ertoe zullen worden bewogen het jihadisme te omarmen. 3. Verzoekers hebben in de gronden van het verzoek, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd: De bezwaren die de NCTV kennelijk tegen de gastsprekers heeft, zijn ongemotiveerd en rechtvaardigen niet dat de uitnodigingen worden ingetrokken. Het inhoudelijke programma van de conferentie valt hiermee volledig in het water; Verweerder is niet bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 172, leden 2 en 3, van de Gemeentewet, omdat de Wet openbare manifestaties (Wom) op de conferentie van toepassing is. Hij kan uitsluitend in geval van een noodsituatie andere dan in de Wom voorkomende bevoegdheden toepassen en daarvan is hier geen sprake. Uitgaande van de Wom, kan verweerder het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging alleen beperken in het belang van het verkeer of ter bestrijding van wanordelijkheden. Dat is veel beperkter dan de handhaving van de openbare orde, terwijl van wanordelijkheden geen sprake is. Voor zover de Wom niet van toepassing zou zijn, is geen sprake is van het verstoren van de openbare orde in de zin van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (verzoekers verwijzen naar ECLI:NL:HR:2007:AZ2104) blijkt dat het moet gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte. De conferentie wordt gehouden binnen de muren van de moskee. Uitsluitend degenen die de conferentie zullen bezoeken, worden geconfronteerd met de uitlatingen van de gastsprekers. Die uitlatingen zullen geen verstoring van de normale gang van zaken in de moskee tot gevolg hebben. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat verweerder de bevoegdheid uit dat artikellid niet mag gebruiken ter voorkoming van uitingen die al strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Artikel 172a van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat de gastsprekers in Nederland nimmer eerder de orde hebben verstoord. Dat de visa van de gastsprekers daadwerkelijk zijn ingetrokken, heeft verweerder niet onderbouwd. Het staat allerminst vast dat de gastsprekers wettelijke voorschriften zullen overtreden. Verweerder weet nog helemaal niet welke uitlatingen de gastsprekers zullen doen tijdens de conferentie. Zelfs als strafbare uitlatingen zouden worden gedaan, dan kan verweerder daarvan achteraf aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het is niet aan verweerder om daarover op voorhand te oordelen, zelfs niet als hij daarover overleg heeft gehad met de minister van Veiligheid en Justitie, de NCTV en de IND. De conferentie wordt nu voor de 32e keer in Nederland georganiseerd en heeft nog nooit geleid tot een verstoring van de openbare orde. Het merendeel van de gastsprekers tegen wie nu volgens verweerder bezwaren bestaan, heeft al eerder in Nederland gesproken en daarbij is de openbare orde niet verstoord. Inbreuk op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting is alleen bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. In dit geval is de inbreuk ongeoorloofd; het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De aard van deze procedure: een voorlopige voorziening 4. De voorzieningenrechter constateert dat de publieke belangstelling voor deze zaak aanzienlijk is. Daarom hecht de voorzieningenrechter eraan de volgende inleidende opmerkingen te maken over de aard van de procedure. 5. Het gaat hier om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van het besluit waartegen dat bezwaar is gericht niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid om zo'n voorlopige voorziening te treffen is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarin is verwoord dat wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het karakter van een voorlopige voorziening is, zoals de term al zegt, dat het moet gaan om een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak, dat wil zeggen de beslissing op bezwaar of de eventuele uitspraak van de rechtbank op een daarop volgend beroep. 6. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard. De rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, wordt door het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebonden. 7. De voorzieningenrechter beoordeelt in de eerste plaats of het verzoek evident ieder spoedeisend belang mist, dan wel of verzoekers belangen evident zo weinig worden aangetast door uitvoering van het besluit, dat het treffen van een voorlopige voorziening niet passend zou zijn. Met andere woorden: als iemand geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de voorziening, moet het verzoek alleen al daarom worden afgewezen en beoordeelt de voorzieningenrechter verder niet of het bestreden besluit wel of niet rechtmatig is. 8. In het andere geval, dus wanneer niet vaststaat dat de verzoeker geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter bezien of een – zoals gezegd voorlopig – oordeel is te geven over de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is. Daarbij geldt dat als de rechtmatigheid van dat besluit evident is, geen grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Andersom geldt dat als de onrechtmatigheid van het besluit evident is, die grond wel bestaat. Die twee uitersten zijn helder. De moeilijkheid ligt in de tussencategorie; bijvoorbeeld als op het besluit wel wat valt af te dingen, de rechtmatigheid of onrechtmatigheid niet klip en klaar is of als die rechtmatigheid niet zonder diepgravend onderzoek kan worden beoordeeld, zoals hierna ter sprake komt. 9. Als het gaat om die tussencategorie, moet de voorzieningenrechter een belangenafweging maken. Ook als het nodig is binnen heel korte tijd een beslissing te nemen, kan het nodig zijn dat de voorzieningenrechter zich beperkt tot zo'n belangenafweging. 10. In die belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter verschillende elementen, waaronder: de vraag in hoeverre duidelijk is dat (en in hoeverre te beoordelen valt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.