← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2016:139

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/889096-11 Datum uitspraak: 18 januari 2016 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1958] , wonende te [woonplaats] , [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 en 21 oktober 2015, 1, 3, 4, 7, 8, 9 en 10 december 2015 en 4 januari 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 september 2015. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(

  1. en)de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(
  2. n)op die/dat voorwerp(
  3. en)was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(
  4. en)voorhanden te hebben, en/of door een of meer voorwerp(
  5. en)te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(
  6. en)gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), a. in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 03 april 2012, (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 1.403.911,79, in elk geval één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op bankrekeningen ten name van (onder meer) [stichting 1] ( [bankrekeningnummer 1] ) en/of [verdachte] ( [bankrekeningnummer 2] ) en/of [medeverdachte 1] ( [bankrekeningnummer 3] en/of [bankrekeningnummer 4] ) en/of [medeverdachte 2] ( [bankrekeningnummer 5] ) en/of [medeverdachte 3] ( [bankrekeningnummer 6] ) en/of [medeverdachte 4] ( [bankrekeningnummer 7] en/of [bankrekeningnummer 8] ) en/of [medeverdachte 5] ( [bankrekeningnummer 9] ) en/of [medeverdachte 6] ( [bankrekeningnummer 10] ) en/of [medeverdachte 7] ( [bankrekeningnummer 11] en/of [bankrekeningnummer 12] ) en/of [medeverdachte 8] ( [bankrekeningnummer 13] ) en/of [medeverdachte 9] ( [bankrekeningnummer 14] ), te weten één of meer van de navolgende geldbedragen: - 956.080,60 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 1] ; - 342.500,-- in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 2] ; - 34.529,77 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 3] ; - 70.801,42 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 4] ; b. in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, (telkens) één of meer hierna te noemen woningen en/of recht van erfpacht aangekocht en/of op naam verkregen, tot een totaal bedrag van ongeveer 2.524.000,-- , althans enig geldbedrag, te weten één of meer van de navolgende woningen en/of recht van erfpacht: - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 2] , aangekocht voor een geldbedrag van 880.000,-- en op 29 december 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 4] en op 26 mei 2010 notarieel overdragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 3] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 3] , aangekocht voor een geldbedrag van 285.000,-- en op 30 november 2007 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 5] ; -het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [naam 1] , staande en gelegen aan de [adres 4] , aangekocht voor een geldbedrag van 70.000,-- en op 12 april 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 7] en op 20 april 2009 verkocht voor een geldbedrag van 70.000,-- en notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 6] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 5] , aangekocht voor een geldbedrag van 179.000,-- en op 16 december 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 4] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 6] , aangekocht voor een geldbedrag van 470.000,-- en op 16 december 2003 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 8] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 7] , aangekocht voor een geldbedrag van 640.000,-- en op 16 juni 2010 notarieel overdragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 9] ; c. in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) het gebruik genoten van een of meer hierna te noemen woningen en/of recht van erfpacht, te weten - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , en/of - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 2] , en/of - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 3] , en/of -het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [naam 1] , staande en gelegen aan de [adres 4] , en/of - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 5] , en/of - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 6] , en/of - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 7] , zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
  7. s)(telkens) wist(
  8. en)dat dat/die voorwerp(
  9. en)-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420bis-ter Wetboek van Strafrecht art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht 2. De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(
  10. en)de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(
  11. n)op die/dat voorwerp(
  12. en)was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(
  13. en)voorhanden te hebben, en/of door een of meer voorwerp(
  14. en)te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(
  15. en)gebruik te maken, immers heeft/hebben zij, [stichting 1] , en/of (een of meer van) haar mededader(s), a. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 26 juni 2009 (telkens) één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 366.975,-- , in elk geval één of meer geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op [bankrekeningnummer 15] t.n.v. [stichting 1] ten behoeve van de aankoop van het woonhuis staande en gelegen aan [adres 8] , b. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 01 juli 2009, de hierna te noemen woning aangekocht en/of op naam verkregen: - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , aangekocht voor een geldbedrag van 345.000,-- en op 1 juli 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [stichting 1] , zulks terwijl zij, [stichting 1] en/of haar mededader(
  16. s)(telkens) wist(
  17. en)dat dat/die voorwerp(
  18. en)-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot welke feiten hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(
  19. en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven; art 420bis-ter j. 51 Wetboek van Strafrecht art 420ter Wetboek van Strafrecht art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(
  20. en)de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(
  21. n)op die/dat voorwerp(
  22. en)was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(
  23. en)voorhanden te hebben, en/of door een of meer voorwerp(
  24. en)te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(
  25. en)gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), a. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 26 juni 2009 (telkens) één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 366.975,-- , in elk geval één of meer geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op [bankrekeningnummer 15] t.n.v. [stichting 1] ten behoeve van de aankoop van het woonhuis staande en gelegen aan [adres 8] , b. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 01 juli 2009, de hierna te noemen woning aangekocht en/of op naam verkregen: - een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , aangekocht voor een geldbedrag van 345.000,-- en op 1 juli 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [stichting 1] , zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  26. s)(telkens) wist(
  27. en)dat dat/die voorwerp(
  28. en)-onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) een of meer geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  29. s)(telkens) in strijd met de waarheid (onder meer) navolgende geschriften opgemaakt en/of doen opmaken: - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 6-11-2008, inhoudende een overeenkomst tussen de ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 4] inzake - de vaststelling dat Rijkswaterstaat de woning aan de [adres 9] heeft gekocht en [vereniging 1] beschikt over 1.400.000,--; - aan [medeverdachte 4] een lening verschaft van 950.000,--om de woning aan de [adres 2] te kopen; - dat [medeverdachte 4] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben; - de toestemming aan [medeverdachte 4] bij verkoop een andere woning te kopen; en - indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben verstrekt. Uitgevaardigd en ondertekend te Angered op 6 november 2008 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-5-2010, inhoudende dat ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 3] zijn overeengekomen: - dat [vereniging 1] de woning aan de [adres 2] ter beschikking stelt aan [medeverdachte 3] in de vorm van een renteloze lening; - dat daarmee [medeverdachte 3] alle schulden van [medeverdachte 4] overneemt; - dat [medeverdachte 3] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben (in het bijzonder zijn zieke moeder); - de toestemming aan [medeverdachte 3] bij verkoop een andere woning te kopen; en - indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben uitgeleend. Ondertekend te Angered op 14 mei 2010 door [getuige 1] en [medeverdachte 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 17-9-2007, inhoudende dat tussen [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap is overeengekomen - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 141.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de aankoop van het pand [adres 3] ; - [medeverdachte 5] verplicht is om Roma die huisvesting nodig hebben toe te staan te gaan wonen in het pand; - bij verkoop van het pand en geen nieuw pand wordt aangekocht, de opbrengst over te dragen aan [vereniging 2] . Ondertekend te Helsingborg op 17 september 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 11-12-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 140.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de bouw van het pand [adres 3] ; - [medeverdachte 5] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 17-9-2007. Ondertekend te Helsingborg op 11 december 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 10-9-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3] - dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze inzameling te organiseren; - dat hij 141.000,-- heeft ingezameld; - dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de aankoop van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 10 september 2007 door [getuige 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 3-12-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3] - dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze inzameling te organiseren; - dat hij 140.000,-- heeft ingezameld; - dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de bouw van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 3 december 2007 door [getuige 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 3-10-2005, inhoudende een overeenkomst tussen ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 3] en [medeverdachte 7] , waarbij wordt overeengekomen: - dat [vereniging 3] 25.000,-- heeft ingezameld en aan [medeverdachte 7] renteloos uitleent; - dat de lening gebruikt zal worden ter aflossing van een hypotheek op het vastgoed [adres 4] ; en - dat hiermee [medeverdachte 7] in totaal 52.000,-- van [vereniging 3] heeft geleend. Opgesteld en ondertekend te Angered op 3 oktober 2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 1-6-2007, inhoudende de verklaring dat de schulden en verplichtingen van [medeverdachte 7] in verband met het faillissement van [vereniging 3] (in de lente van 2007), aan [vereniging 1] zijn overgedragen. Op 1 juni 2007 te Göteborg ondertekend door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een verklaring dat tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] is overeengekomen - dat [medeverdachte 7] de verplichtingen betreffende het pand aan de [adres 10] overdraagt aan [medeverdachte 6] ; - en dat ondergetekende, [getuige 1] , verklaart dat [medeverdachte 7] aan haar verplichtingen betreffende het pand heeft voldaan, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4-4-2005. Op 14 april 2009 te Angered ondertekend door [getuige 1] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een overeenkomst tussen [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 6] waarbij wordt overeengekomen: - dat [medeverdachte 6] de schulden van [medeverdachte 7] aan [vereniging 1] overneemt in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] die zij middels een renteloze lening heeft gekocht; - dat [medeverdachte 6] verplicht is het vastgoed [adres 4] te beheren, onderhouden en verzorgen; - bij verkoop en geen aankoop van een nieuw vastgoed [medeverdachte 6] verplicht is alle inkomsten van de verkoop van het vastgoed over te maken aan de [vereniging 1] . Getekend op 14 april 2009 te Angered door [getuige 1] en [medeverdachte 6] ; - een geschrift in de Zweedse taal gedateerd op 3-10-2005, inhoudende: - dat [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 4] een overeenkomst hebben gesloten; - dat in verband met de schadevergoeding door [bedrijf 1] betreffende de woning aan de [adres 11] , [vereniging 3] over 200.000,-- beschikt; - [vereniging 3] aan [medeverdachte 4] een renteloze lening toekent van 125.000,--, waarvan 95.000,-- voor de aankoop van de woning aan de [adres 5] en 30.000,-- voor een aanbouw aan die woning; - dat [medeverdachte 4] verplicht is om Roma, die huisvesting nodig hebben, huisvesting te verlenen in de betreffende woning; en - verplicht is bij verkoop van de woning en geen andere aankoop plaatsvindt van een nieuw pand, de gehele opbrengst van de verkoop over te dragen aan [vereniging 3] . Overeenkomst opgemaakt en ondertekend te Angered op 3-10-2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ; - een geschrift in de Zweedse taal, gedateerd 12-11-2003, inhoudende: - dat [medeverdachte 8] , de Roma gemeenschap en [vereniging 4] partijen zijn die zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van [adres 12] ter waarde van 413.280 een renteloze lening moet zijn aan [medeverdachte 8] ; - dat de lening betreft de aankoop van pand aan de [adres 6] ; - dat het pand zal worden beheerd en onderhouden door [vereniging 4] ; - dat [medeverdachte 8] verplicht is Roma die behoefte aan een woning hebben, toe te laten in het pand te wonen; - dat [medeverdachte 8] verplicht is bij verkoop van het pand zonder andere aankoop de opbrengst over te laten aan [vereniging 4] . Ondertekening te Helsingborg op 12 november 2003 door [getuige 2] en [medeverdachte 8] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 7-8-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 8] en de Roma gemeenschap zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen van 65.000,-- aan [medeverdachte 8] ; - de lening betreft de aanbouw van het pand [adres 6] ; - [medeverdachte 8] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 12 november 2003. Ondertekening te Helsingborg op 7 augustus 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 8] ; zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
  30. en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; en/of hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk voorhanden heeft gehad een of meer vals(
  31. e)of vervalst(
  32. e)geschrift(
  33. en)dat/die bestemd was/waren om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit/deze geschrift(
  34. en)(telkens) echt en onvervalst, te weten (onder meer) de/het navolgende (telkens) in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift(en): - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 6-11-2008, inhoudende een overeenkomst tussen de ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 4] inzake - de vaststelling dat Rijkswaterstaat de woning aan de [adres 9] heeft gekocht en [vereniging 1] beschikt over 1.400.000,--; - aan [medeverdachte 4] een lening verschaft van 950.000,--om de woning aan de [adres 2] te kopen; - dat [medeverdachte 4] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben; - de toestemming aan [medeverdachte 4] bij verkoop een andere woning te kopen; en - indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben verstrekt. Uitgevaardigd en ondertekend te Angered op 6 november 2008 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-5-2010, inhoudende dat ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 3] zijn overeengekomen: - dat [vereniging 1] de woning aan de [adres 2] ter beschikking stelt aan [medeverdachte 3] in de vorm van een renteloze lening; - dat daarmee [medeverdachte 3] alle schulden van [medeverdachte 4] overneemt; - dat [medeverdachte 3] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben (in het bijzonder zijn zieke moeder); - de toestemming aan [medeverdachte 3] bij verkoop een andere woning te kopen; en - indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben uitgeleend. Ondertekend te Angered op 14 mei 2010 door [getuige 1] en [medeverdachte 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 17-9-2007, inhoudende dat tussen [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap is overeengekomen - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 141.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de aankoop van het pand [adres 3] ; - [medeverdachte 5] verplicht is om Roma die huisvesting nodig hebben toe te staan te gaan wonen in het pand; - bij verkoop van het pand en geen nieuw pand wordt aangekocht, de opbrengst over te dragen aan [vereniging 2] . Ondertekend te Helsingborg op 17 september 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 11-12-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 140.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de bouw van het pand [adres 3] ; - [medeverdachte 5] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 17-9-2007. Ondertekend te Helsingborg op 11 december 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 10-9-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3] - dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze inzameling te organiseren; - dat hij 141.000,-- heeft ingezameld; - dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de aankoop van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 10 september 2007 door [getuige 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 3-12-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3] - dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze inzameling te organiseren; - dat hij 140.000,-- heeft ingezameld; - dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de bouw van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 3 december 2007 door [getuige 3] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 3-10-2005, inhoudende een overeenkomst tussen ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 3] en [medeverdachte 7] , waarbij wordt overeengekomen: - dat [vereniging 3] 25.000,-- heeft ingezameld en aan [medeverdachte 7] renteloos uitleent; - dat de lening gebruikt zal worden ter aflossing van een hypotheek op het vastgoed [adres 4] ; en - dat hiermee [medeverdachte 7] in totaal 52.000,-- van [vereniging 3] heeft geleend. Opgesteld en ondertekend te Angered op 3 oktober 2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 1-6-2007, inhoudende de verklaring dat de schulden en verplichtingen van [medeverdachte 7] in verband met het faillissement van [vereniging 3] (in de lente van 2007), aan [vereniging 1] zijn overgedragen. Op 1 juni 2007 te Göteborg ondertekend door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een verklaring dat tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] is overeengekomen - dat [medeverdachte 7] de verplichtingen betreffende het pand aan de [adres 10] overdraagt aan [medeverdachte 6] ; - en dat ondergetekende, [getuige 1] , verklaart dat [medeverdachte 7] aan haar verplichtingen betreffende het pand heeft voldaan, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4-4-2005. Op 14 april 2009 te Angered ondertekend door [getuige 1] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een overeenkomst tussen [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 6] waarbij wordt overeengekomen: - dat [medeverdachte 6] de schulden van [medeverdachte 7] aan [vereniging 1] overneemt in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] die zij middels een renteloze lening heeft gekocht; - dat [medeverdachte 6] verplicht is het vastgoed [adres 4] te beheren, onderhouden en verzorgen; - bij verkoop en geen aankoop van een nieuw vastgoed [medeverdachte 6] verplicht is alle inkomsten van de verkoop van het vastgoed over te maken aan de [vereniging 1] . Getekend op 14 april 2009 te Angered door [getuige 1] en [medeverdachte 6] ; - een geschrift in de Zweedse taal gedateerd op 3-10-2005, inhoudende: - dat [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 4] een overeenkomst hebben gesloten; - dat in verband met de schadevergoeding door [bedrijf 1] betreffende de woning aan de [adres 11] , [vereniging 3] over 200.000,-- beschikt; - [vereniging 3] aan [medeverdachte 4] een renteloze lening toekent van 125.000,--, waarvan 95.000,-- voor de aankoop van de woning aan de [adres 5] en 30.000,-- voor een aanbouw aan die woning; - dat [medeverdachte 4] verplicht is om Roma, die huisvesting nodig hebben, huisvesting te verlenen in de betreffende woning; en - verplicht is bij verkoop van de woning en geen andere aankoop plaatsvindt van een nieuw pand, de gehele opbrengst van de verkoop over te dragen aan [vereniging 3] . Overeenkomst opgemaakt en ondertekend te Angered op 3-10-2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ; - een geschrift in de Zweedse taal, gedateerd 12-11-2003, inhoudende: - dat [medeverdachte 8] , de Roma gemeenschap en [vereniging 4] partijen zijn die zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van [adres 12] ter waarde van 413.280 een renteloze lening moet zijn aan [medeverdachte 8] ; - dat de lening betreft de aankoop van pand aan de [adres 6] ; - dat het pand zal worden beheerd en onderhouden door [vereniging 4] ; - dat [medeverdachte 8] verplicht is Roma die behoefte aan een woning hebben, toe te laten in het pand te wonen; - dat [medeverdachte 8] verplicht is bij verkoop van het pand zonder andere aankoop de opbrengst over te laten aan [vereniging 4] . Ondertekening te Helsingborg op 12 november 2003 door [getuige 2] en [medeverdachte 8] ; - een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 7-8-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 8] en de Roma gemeenschap zijn overeengekomen: - dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen van 65.000,-- aan [medeverdachte 8] ; - de lening betreft de aanbouw van het pand [adres 6] ; - [medeverdachte 8] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 12 november 2003. Ondertekening te Helsingborg op 7 augustus 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 8] ; bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  35. s)die/dat geschrift(
  36. en)(telkens) heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst. terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
  37. s)(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  38. en)vermoeden dat die/dat geschrift(
  39. en)bestemd was/waren voor zodanig gebruik; art 225 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht 4. De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben de [stichting 1] en/of haar mededader(
  40. s)in strijd met de waarheid navolgend geschrift opgemaakt en/of doen opmaken: - een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over: - het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; - dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ; - dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en - bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan. Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen feitelijke leiding heeft gegeven. en/of De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit geschrift (echt en onvervalst, te weten het navolgende in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift: - een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over: - het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; - dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ; - dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en - bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan. Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat de [stichting 1] en/of haar mededader(
  41. s)dat geschrift heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst. terwijl de [stichting 1] en/of haar mededader(
  42. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  43. en)vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik, tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen feitelijke leiding heeft gegeven; art 225 lid 1 en/of lid 2 Wetboek van Strafrecht art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  44. s)in strijd met de waarheid navolgend geschrift opgemaakt en/of doen opmaken: - een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over: - het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; - dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ; - dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en - bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan. Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; en/of hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit geschrift (echt en onvervalst, te weten het navolgende in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift: - een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over: - het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; - dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ; - dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en - bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan. Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ; bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  45. s)dat geschrift heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst. terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
  46. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  47. en)vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik; art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht 5. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 31 maart 2012, in de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de verplichting ingevolge artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand om aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch op verzoek en/of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten de hem, verdachte, verstrekte uitkering (bijstand) op grond van de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, op de hem verstrekte rechtmatigheids- en/of rechtmatigheidonderzoekformulieren Abw en/of rechtmatigheidonderzoekformulieren WWB en/of formulieren Langdurigheidstoeslag en/of enig ander door of namens (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente ’s-Hertogenbosch verstrekt formulier en/of anderszins onverwijld uit eigen beweging aan (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente ’s-Hertogenbosch geen gegevens verstrekt omtrent het (al dan niet tezamen en in vereniging met de [stichting 1] en/of een of meer anderen) in bezit hebben van onroerend goed (waaronder de woningen [adres 1] en/of [adres 13] ) en/of het aankopen en/of financieren van onroerend goed (te weten de woning [adres 6] ) ten behoeve van [medeverdachte 8] , en/of het ontvangen van stortingen op rekening en/of uitkeringen uit (een) erfenis(sen) en/of (een) schadeuitkering(
  48. en)en/of het ontvangen en/of bezitten van andere vermogensbestanddelen; art 227b Wetboek van Strafrecht art 227b Wetboek van Strafrecht Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. In het vervolg zullen de verdachte natuurlijke personen worden aangeduid met hun voornamen; de verdachte rechtspersoon, de [stichting 1] , zal aangeduid worden met de Stichting De ontvankelijkheid van het OM. 1. Het standpunt van de officier van justitie De officier stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. 2. Het standpunt van de verdediging Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven, gronden aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Voor zover raadslieden een dergelijk verweer c.q. de daartoe aangevoerde gronden niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen hebben zij zich aangesloten bij hetgeen namens de medeverdachten ter zake is aangevoerd. De rechtbank beschouwt dit verweer en de daartoe aangevoerde gronden derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit de betreffende grond zelf blijkt dat deze uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin de grond is aangevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij bepaalde gronden in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten: er is doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten tekort gedaan aan hun recht op een eerlijk proces respectievelijk is er sprake van vormverzuimen die het wettelijke systeem waarop de strafrechtspleging is gestoeld in de kern hebben geraakt. De normschending heeft betrekking op verschillende aspecten, te weten: 2.1 Start van het onderzoek; startmoment, gegevensuitwisseling en verbaliseringsplicht Onduidelijk is door wie, wanneer en op basis van welke informatie het onderzoek tegen de familie [achternaam] is aangevangen. Er hebben c.q. heeft al geruime tijd voor de formele start van het onderzoek in juni 2011 onderzoekshandelingen respectievelijk inzet van bob-middelen plaatsgevonden gericht op individuele leden van de familie [achternaam] zonder dat daar een rechtmatig onderbouwde verdenking aan ten grondslag lag. Er is in de fase voorafgaand aan de formele start van het onderzoek voorts sprake geweest van gegevensuitwisseling tussen de belastingdienst, de gemeente en de politie zonder dat daar een deugdelijke juridische basis aan ten grondslag heeft gelegen. Door de verdediging heeft geen controle plaats kunnen vinden op deze voorfase omdat de betrokken functionarissen van hun onderzoekshandelingen in deze voorfase geen proces-verbaal hebben opgemaakt en de rechtbank heeft geweigerd om het openbaar ministerie op te dragen het in deze voorfase aangelegde dossier “Fret” aan het strafdossier toe te voegen, ondanks het feit dat dit dossier van belang is voor de ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen. Onduidelijk is gebleven op welk moment en op welke basis een verdenking ex artikel 27 Sv is ontstaan. De vorderingen ex artikel 126nd Sv hebben louter gediend om de eerder van de belastingdienst - onrechtmatig - verkregen gegevens ‘wit te wassen’. Met name de forse en doelbewuste schending van de verbaliseringsplicht heeft het wettelijke systeem in de kern aangetast. 2.2 Schending nemo teneturbeginsel/fiscale geheimhoudingsplicht Voorts is sprake van schending van het beginsel dat een verdachte niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling (nemo tenetur prodere se ipsum) doordat gebruik is gemaakt van gegevens die van de belastingdienst zijn verkregen en tot verstrekking waarvan verdachten op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gehouden waren. Deze door hen aan de belastingdienst verstrekte gegevens hebben te gelden als wilsafhankelijk materiaal, waarbij de inspecteur bovendien heeft verzuimd om verdachten de cautie te geven alvorens hen aan te sporen om nog meer gegevens te verstrekken. Voor zover de belastingdienst gegevens aan politie en justitie heeft verstrekt zonder dat daar een vordering op grond van artikel 126nd Sv aan ten grondslag lag, heeft de belastingdienst gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting ex artikel 67 AWR. Datzelfde geldt voor zover de belastingdienst op vordering van de officier van justitie gegevens heeft verstrekt, die ook betrekking hadden op andere leden van de familie [achternaam] die ten tijde van de vordering (nog) niet de status van verdachte hadden. Omdat het openbaar ministerie willens en wetens van deze schending van de geheimhoudingsplicht heeft geprofiteerd dienen de aldus verkregen gegevens van het bewijs te worden uitgesloten. 2.3 Handelen in strijd met het beginsel van een zuiver oogmerk Uit de gebrekkige wijze van verhoor van [notaris 1] en het niet actief zoeken naar ontlastend bewijsmateriaal, zoals het horen van [notaris 3] en alle (Zweedse) geldverstrekkers ter zake de financiering van het pand aan de [adres 9] , blijkt dat de materiële waarheidsvinding bij de opsporing niet voorop heeft gestaan. Dit blijkt ook wel uit de manier waarop verbalisanten reageerden op de uitvoerige en gedetailleerde verklaringen van [medeverdachte 4] , waarin zij er blijk van gaven het verhaal van [medeverdachte 4] maar een ‘kletsverhaal’ te vinden. De verdediging wijst er op dat hier het fenomeen ‘othering’ een rol heeft gespeeld. 2.4 Schending van de redelijke termijn Door omstandigheden buiten de invloedsfeer van de verdediging is sprake is van schending van de redelijke termijn, zelfs indien daarbij acht wordt geslagen op de omstandigheid dat sprake is van een complexe zaak met een groot aantal verdachten. Het eindproces-verbaal was in januari 2013 gereed en desondanks heeft het nog zeer geruime tijd geduurd alvorens de zaak inhoudelijk op zitting is behandeld. Deze overschrijding levert een aanzienlijke schending van een behoorlijke procesorde op. Ten aanzien van [medeverdachte 7] heeft de schending ernstige gevolgen omdat haar uitkering werd beëindigd en hangende de onderhavige strafzaak niet kan worden hervat. De verdediging meent dat de gesignaleerde vormverzuimen afzonderlijk, maar zeker in onderling verband en samenhang bezien, aanleiding geven om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. 3. Het oordeel van de rechtbank 3.1 Beoordelingskader De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk - niet voor herstel vatbaar - vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in lid 2 van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Daarbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a Sv in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Verder is van belang vast te stellen dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Het belang van verdachte dat het strafbare feit niet wordt ontdekt vormt rechtens geen beschermenswaardig belang, zodat de overtreding van een vormvoorschrift dat verdachte in dat belang raakt in beginsel zonder gevolg zal kunnen blijven. Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie verdient het navolgende aantekening. Niet-ontvankelijk verklaring komt, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien - ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat. 3.2 Beoordeling De rechtbank zal thans overgaan tot een beoordeling van de afzonderlijke gronden/aspecten, zoals hierboven weergegeven. 3.2.1 Ten aanzien van de start van het onderzoek 3.2.1.1 Algemeen Uit het dossier komt naar voren dat zes meldingen van de [bank 1] inzake contante stortingen van (in totaal) ruim € 360.000,- in een tijdspanne van twee maanden (24 april 2009 tot en met 25 juni 2009) op de rekening van de Stichting de aanleiding hebben gevormd voor nader onderzoek. Deze meldingen zijn via het meldingssysteem ‘Intranet Verdachte Transacties’ (IVT) van de KLPD ter kennis gekomen van de regiopolitie Brabant Noord. [verbalisant 1] van de regiopolitie Brabant Noord, die in het kader van projectvoorbereiding in 2009 als financieel expert C periodiek het intranet diende te controleren en verdachte transacties diende te veredelen middels onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen, heeft daarop het kadaster, de Kamer van Koophandel, het GBA, politiesystemen, het RDW en de Justitiele Documentatie geraadpleegd. Daaruit kwam naar voren dat de Stichting eigenaar was van het pand aan de [adres 13] (zonder hypotheek) en van het pand aan de [adres 1] (met een in verhouding tot de door haar betaalde koopsom slechts beperkte hypotheek). Verder bleek dat [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestuurders waren van de Stichting en dat een aantal personen dat stond ingeschreven op de [adres 1] (zijnde het GBA-adres van [verdachte] en [medeverdachte 2] ) en op de [adres 14] (zijnde het GBA-adres van [medeverdachte 10] ) in politiesystemen veelvuldig voorkwam ter zake vermogensdelicten. [verbalisant 1] heeft daarop de Financial Intelligence Unit (FIU) van de KLPD gevraagd om een proces-verbaal bevindingen op te maken van de bij hen voorhanden informatie om te kunnen beoordelen of sprake was van verdenking van een strafbaar feit. Uit het hierop volgende proces-verbaal van de FIU van 20 oktober 2009 volgt onder meer dat sprake is geweest van 48 stortingen die hebben geleid tot eerdergenoemd bedrag van ruim € 360.000,- en dat deze stortingen met de bankpas van [verdachte] zijn gedaan. Ook volgt uit dit proces-verbaal dat in die periode twee girale overboekingen van (in totaal) € 81.000,- van de rekening van de Stichting naar [notaris 2] hadden plaatsgevonden. Gezien de aard en omvang van de transacties, achtte de FIU de verdenking van witwassen jegens [verdachte] gerechtvaardigd, waarna onder meer de FIOD/ECD door de FIU werd geraadpleegd. Hieruit volgde dat [verdachte] over de jaren 2005 tot en met 2008 totaal een netto inkomen had van € 46.162,- (het hoogste netto jaarinkomen genoot hij in 2007, te weten € 12.093,-). Uit raadpleging van open bronnen en politiesystemen inzake de Stichting en haar bestuurders [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] door de regiopolitie Brabant Noord is verder gebleken dat op 8 december 2010 een onderzoek van de belastingdienst heeft plaats gevonden, waarbij in de woning aan de [adres 2] wapens zijn aangetroffen. [medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor ter zake bij de politie aangegeven dat de woning is gekocht door een organisatie uit Zweden en op zijn naam staat. Voorts is in een MMA-melding d.d. 15 december 2010 (kort samengevat) vermeld dat [persoon 1] uit Zweden voor de familie [achternaam] geld, afkomstig van winkeldiefstal, inbraken en pinpasfraude witwast. Uit raadpleging van intranet en Facebook bleek dat [getuige 2] voorzitter was van [vereniging 4] en [vereniging 2] . Vervolgens heeft de regiopolitie Brabant Noord in verband met een gebrek aan opsporings-capaciteit in de regio het Bovenregionaal Recherche Overleg (hierna: het BRO) verzocht een strafrechtelijk onderzoek op te starten. Op 12 mei 2011 heeft het BRO naar aanleiding van een projectvoorstel het besluit ter zake genomen, waarna op 1 juli 2011 onder leiding van de officier van justitie een onderzoek is gestart. Op 19 juli 2011 heeft de CIE aan de regiopolitie als betrouwbaar aangemerkte informatie verstrekt inhoudende dat, kort samengevat, [verdachte] de organisator is van dagelijkse strooptochten (diefstallen en/of insluipingen vanuit winkels of woningen) waar onder andere zijn kinderen aan deelnemen, dat hij met deze praktijken tussen de € 15.000,- en € 20.000,- euro per week verdient en dat hij veel zwart geld in huis heeft liggen. Vervolgens zijn per verdachte zogenaamde processen-verbaal van verdenking opgemaakt. Dienaangaande wordt het volgende opgemerkt. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 3] d.d. 26 juli 2011 De verdenking jegens [medeverdachte 3] is onder meer gebaseerd op voornoemde verklaring van 8 december 2010, inhoudende dat het pand aan de [adres 2] op zijn naam staat terwijl hij geen werk of uitkering heeft - volgens [medeverdachte 3] zou de woning zijn gekocht door een organisatie uit Zweden -, zijn verklaring van 12 mei 2010, afgelegd in het kader van een verdenking ter zake winkeldiefstal, dat zijn vader [medeverdachte 4] is, en de naar aanleiding van deze verklaringen ingewonnen informatie bij het kadaster dat de koopsom € 880.000,- bedroeg en het pand op 26 mei 2010 door verkoper [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] - dan net 18 jaar - is geleverd. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 3] rechtvaardigt. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 4] d.d. 26 juli 2011 De verdenking jegens [medeverdachte 4] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking jegens [medeverdachte 3] en eerdergenoemde MMA-melding van 15 december 2010, waarbij door verbalisanten is gewezen op de verkoop binnen de familierechtelijke relatie en is opgemerkt dat [medeverdachte 4] wist of kon weten dat [medeverdachte 3] geen werk of andere legale bron van inkomsten had. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 4] rechtvaardigt. Uit het BOB-dossier betreffende [medeverdachte 4] volgt dat ter zake die verdenking vervolgens diverse vorderingen ex artikel 126nd Sv zijn gedaan en dat daarbij ook informatie met betrekking tot [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] is opgevraagd. De rechtbank stelt vast dat deze personen destijds woonachtig waren op het adres van [medeverdachte 4] , te weten de [adres 14] en/of nadien de [adres 7] . Gelet daarop acht de rechtbank het opvragen van die informatie gerechtvaardigd. Ad proces-verbaal verdenking inzake de Stichting, [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2011 Uit het betreffende proces-verbaal volgt dat de verdenking met name is gebaseerd op genoemde meldingen van de [bank 1] , het proces-verbaal van de FIU d.d. 20 oktober 2009, informatie uit GBA en kadaster, de MMA-melding van 15 december 2010 en de CIE-informatie d.d. 19 juli 2011. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens genoemde (rechts-) personen rechtvaardigt. Uit het BOB-dossier blijkt dat ter zake die verdenking vervolgens diverse vorderingen ex artikel 126nd Sv zijn gedaan en dat daarbij ook informatie met betrekking tot [medeverdachte 8] is opgevraagd. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 8] destijds woonachtig was op het adres van bestuurslid [medeverdachte 1] , te weten de [adres 6] . Gelet daarop acht de rechtbank het opvragen van die informatie gerechtvaardigd. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 8] d.d. 29 februari 2012 De verdenking jegens [medeverdachte 8] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting, meer in het bijzonder de daarin genoemde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] en de CIE-infomatie d.d. 19 juli 2011, en de uit eerdergenoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van (onder andere) de belastingdienst en de gemeente waaruit onder meer het volgende bleek: - dat aan [medeverdachte 8] het pand aan de [adres 6] op 16 december 2003 is geleverd en dat de koopsom € 470.000,- bedroeg; - dat aan [medeverdachte 8] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van dit pand renteloze leningen waren verstrekt door Zweedse Roma-organisaties, waarvan [getuige 2] de voorzitter was en - dat van [medeverdachte 8] over de periode 2005 tot en met 2009 geen inkomsten bekend zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 8] rechtvaardigt. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 5] d.d. 1 maart 2012 De verdenking jegens [medeverdachte 5] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin genoemde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] , en de uit eerdergenoemde 126nd-vordering verkregen informatie van de belastingdienst en gemeente, waaruit onder meer het volgende naar voren komt: - dat van [medeverdachte 5] over de jaren 2005-2009 geen inkomsten bekend zijn; - dat aan [medeverdachte 5] op 30 november 2007 het pand aan de [adres 3] (met een koopsom van € 285.000,- en een hypothecaire geldlening van € 186.000,-) is geleverd, welk pand in 2008 zou zijn verbouwd, waarbij blijkens de aanvraag bouwvergunning de bouwkosten zijn geschat op € 228.855,-; - dat aan [medeverdachte 5] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van dit pand renteloze leningen waren verstrekt door een Zweedse Roma-organisatie, waarvan [getuige 2] de voorzitter was en - dat de bankrekening van [medeverdachte 5] vanaf 2008 periodiek werd gevoed middels contante stortingen van onbekende herkomst, waarmee aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten werden betaald. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 5] rechtvaardigt. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] d.d. 8 maart 2012 De verdenking jegens [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake [medeverdachte 4] , meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010, en op de middels voornoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van de belastingdienst en de gemeente over [medeverdachte 6] , waaruit onder meer het volgende bleek: - dat van [medeverdachte 6] over de jaren 2005 tot en met 2009 geen inkomensgegevens bekend zijn; - dat [medeverdachte 6] op 20 april 2009 van zijn zus [medeverdachte 7] het recht van erfpacht betreffende het pand aan de [adres 4] heeft gekocht voor € 70.000,-, van welk pand de WOZ-waarde in twee jaar tijd om onbekende redenen is gestegen naar € 159.000,-

(2011); - dat [medeverdachte 6] in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] , de schulden van [medeverdachte 7] aan de Zweedse Roma vereniging [vereniging 1] heeft overgenomen en - dat [medeverdachte 7] diverse antecedenten terzake vermogensdelicten heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang gezien, in combinatie ook met de informatie uit de hiervoor vermelde processen-verbaal van verdenking jegens diverse andere leden van de familie, met name voor wat betreft het veelvoud aan Zweedse renteloze leningen ten behoeve van de financiering van alle panden, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] rechtvaardigt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij de informatie van de belastingdienst betreffende [medeverdachte 7] bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing laat, nu de betreffende 126nd-vordering op dat moment nog niet was gedaan. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 9] d.d. 1 mei 2012 De verdenking jegens [medeverdachte 9] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] , het tijdens de doorzoeking van het pand aan de [adres 7] op 3 april 2012 aangetroffen geldbedrag ad € 5.500,- en de vier Mercedessen op naam van [medeverdachte 9] en de middels voornoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van de belastingdienst, waaruit onder meer het volgende bleek: - dat van [medeverdachte 9] over de jaren 2005 tot en met 2010 geen inkomsten bekend zijn en hij tot aan de datum van het proces-verbaal geen uitkering ontvangt; - dat aan [medeverdachte 9] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van het pand aan de [adres 7] een renteloze lening is verstrekt door de Zweedse organisatie [vereniging 2] , waarvan [getuige 2] de voorzitter is; - dat de bankrekening van [medeverdachte 9] vanaf 2005 met grote regelmaat wordt gevoed middels contante stortingen van onbekende herkomst waarmee de aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten worden betaald. Voorts wordt [medeverdachte 9] door diverse medeverdachten aangemerkt als de ‘boekhouder’ van de familie. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang beschouwd, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 9] rechtvaardigt. Uit het vorenoverwogene volgt dat de processen-verbaal van verdenking de toets kunnen doorstaan en dat de daarin gebruikte informatie - met uitzondering van de informatie van de belastingdienst inzake [medeverdachte 7] , welke informatie evenwel door de rechtbank bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing is gelaten - is verkregen middels voorafgaande vorderingen ex artikel 126nd Sv. 3.2.1.2 Gegevensuitwisseling Dat in de aanloop naar de start van het onderzoek sprake is geweest van (mondelinge) gegevensuitwisseling tussen politie, belastingdienst en gemeente zonder dat daaraan een 126nd-vordering aan ten grondslag heeft gelegen, neemt de rechtbank op grond van het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en de diverse bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen als vaststaand aan. Dat voor deze informatie-uitwisseling een wettelijke basis voorhanden was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Het in het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] genoemde convenant is volgens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting in ieder geval niet als basis gehanteerd omdat de rechtbank Utrecht destijds had geoordeeld dat een convenant niet als basis kon dienen . In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vormverzuim. Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het daardoor mogelijk veroorzaakte nadeel, overweegt de rechtbank evenwel het volgende. Vooropgesteld moet worden dat zorgvuldig met persoonsgegevens dient te worden omgegaan; de bescherming van persoonsgegevens en daarmee het recht op privacy vormt een groot goed. Het schenden daarvan, zeker indien, zoals in casu, geen vastlegging plaats vindt van de uitgewisselde informatie, vormt een ernstig verzuim. Uit de hierboven chronologisch weergegeven processen-verbaal van verdenking volgt evenwel dat die informatie niet is gebruikt bij het construeren van de verdenking. De verdenking jegens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is immers gebaseerd op informatie uit openbare bronnen en politiesystemen en naar aanleiding van die - op openbare bronnen en politiesystemen gebaseerde - verdenking zijn vorderingen ex artikel 126nd Sv gedaan, waarbij ook andere personen in beeld kwamen. Zo is in het kader van de verdenking jegens [medeverdachte 4] informatie opgevraagd betreffende de op hetzelfde adres woonachtige [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] . Dat geldt ook voor de in het kader van de verdenking jegens de Stichting en haar bestuurders opgevraagde informatie betreffende de op hetzelfde adres als een van de bestuurders woonachtige [medeverdachte 8] . Een uitzondering hierop vormt de informatie van de belastingdienst jegens [medeverdachte 7] , welke informatie de rechtbank evenwel, zoals hiervoor reeds is vermeld, bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat blijkens het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en zijn verklaring bij de rechter-commissaris het onderlinge contact in eerste instantie zag op het verkennen van de mogelijkheden van een gezamenlijk handhavend optreden en dat uiteindelijk het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) erbij is betrokken, welke instantie een voorstel heeft gedaan om overlap tussen de onderzoeken door politie, belastingdienst en de gemeente te voorkomen; van een willekeurige verstrekking aan onbekende derden is derhalve geen sprake geweest. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het constateren van het vormverzuim kan worden volstaan. 3.2.1.3 Eerder startmoment? Een aantal raadslieden heeft informatie opgevraagd middels een verzoek ex artikel 25 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Voorts hebben de raadslieden (een) inzage(mogelijkheid) gehad in dossier Fret. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zijdens de verdediging is aangevoerd niet blijkt dat sprake is geweest van een eerdere start van het onderzoek. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) ter terechtzitting overgelegde pagina uit dossier Fret betreffende onderzoek ‘Hosta’ enkel van betrokkenheid van [medeverdachte 7] in een winkeldiefstallenonderzoek blijkt, gevolgd door een veroordeling van [medeverdachte 7] ter zake, welke de rechtbank ook aantreft in de justitiële documentatie betreffende [medeverdachte 7] . Ook het door raadsman Jansen ( [medeverdachte 7] ) in dat kader genoemde aantreffen van documenten achter het tabblad ‘Hosta’ in dossier Fret, te weten brieven en bewijzen van lening met betrekking tot de schadevergoeding van [bedrijf 1] en de [adres 4] uit 2005 en 2007, leidt niet reeds tot het oordeel dat sprake is geweest van een eerder startmoment. Dat geldt eveneens voor de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in het kader van zijn verzoek ex artikel 25 Wpg verkregen informatie, dat in 2007 sprake is geweest van een observatie. De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, er een concrete aanleiding was voor onderhavig onderzoek, te weten de zes meldingen van de [bank 1] inzake contante stortingen, welke meldingen via het IVT ter kennis zijn gekomen van [verbalisant 1] , die op zijn beurt vanuit zijn functie periodiek het IVT diende te controleren en verdachte transacties diende te veredelen middels onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen. Deze, naar het oordeel van de rechtbank beperkte, bevraging van openbare bronnen en politiesystemen viel binnen de normale taakuitoefening van [verbalisant 1] en kan worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet en artikel 15 van de Wet politiegegevens. Het door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in dat verband genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 18 oktober 2010 (LJN: BO6031) mist mitsdien relevantie. 3.2.1.4 Verbaliseringsplicht De verdediging meent dat voorafgaand aan de (formele) start van het onderzoek in juni 2011 sprake is geweest van een voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 132 Sv. De officier van justitie heeft ook met zoveel woorden toegegeven dat de ‘Fret-activiteiten’ kunnen worden geschaard onder artikel 132 Sv. Er bestond ter zake derhalve volgens de verdediging een verbaliseringsplicht, die echter niet is nagekomen en waardoor de rechtmatigheid van - bijvoorbeeld - de actiedag op 8 december 2010 niet kan worden gecontroleerd. Het is daardoor eveneens onmogelijk geworden om inzicht te krijgen in de informatie die in deze fase voorafgaand aan de opsporing is uitgewisseld, terwijl wel vast staat dat die uitwisseling heeft plaatsgevonden. Anders dan door mr. Baggen ( [medeverdachte 4] ) is aangevoerd geldt de verbaliseringsplicht uitsluitend ten aanzien van het voorbereidend onderzoek voor zover sprake is van opsporing: in artikel 152 Sv is immers bepaald dat de in dit artikel genoemde opsporingsambtenaren gehouden zijn proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden, terwijl artikel 132a Sv opsporing definieert als het onderzoek dat in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie wordt verricht met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Dat betekent echter niet, zo blijkt ook uit de door de verdediging aangehaalde rechtspraak, dat in de fase die aan het opsporingsonderzoek voorafgaat, al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek, mag worden afgezien van verslaglegging in enigerlei vorm, aangezien immers - zo nodig - moet kunnen worden teruggegrepen op hetgeen in die voorfase is bevonden in het geval die voorfase wordt gevolgd door een opsporingsonderzoek. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de verantwoording van de (wijze van ontstaan van
  1. de)verdenking, zoals neergelegd in de hiervoor reeds geanalyseerde processen-verbaal van verdenking tegen de verdachten en het - op verzoek van de rechter-commissaris opgestelde - aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] ter zake de fase voorafgaand aan het opsporingsonderzoek, een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om alle bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen. Weliswaar heeft de verdediging aangevoerd dat in het kader van het verkennend vooronderzoek onder de naam “Fret” informatie is vergaard die gebruikt is ten behoeve van het onderhavige onderzoek zonder dat zulks adequaat in processen-verbaal is verantwoord, maar de verdediging heeft die stelling niet nader onderbouwd, ondanks het feit dat de officier van justitie de raadslieden gelegenheid heeft geboden om inzage te nemen in dit dossier, van welke gelegenheid door de verdediging ook gebruik is gemaakt. De enkele passages die de verdediging uit dit dossier heeft aangehaald leveren geen aanwijzingen op dat - andere dan de reeds verantwoorde - bevindingen uit die voorfase aan de basis hebben gestaan van het daarop volgende opsporingsonderzoek. 3.2.2 Ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel Naar de rechtbank begrijpt stelt de verdediging dat verdachten in de loop der jaren een groot aantal gegevens aan de belastingdienst hebben verstrekt, onder meer met betrekking tot de verantwoording van de financiering van de onroerende bezittingen die verdachten op hun naam hadden staan. Verdachten zouden, aldus de verdediging, op grond van de wet (artikel 47 AWR) telkens ook verplicht zijn om deze informatie - op verzoek van de belastingdienst - te verstrekken. Omdat verdachten, vanwege hun culturele achtergrond, niet beschikten over schriftelijke stukken waaruit kon blijken van de herkomst van de gelden waarmee in de loop van de tijd de verschillende panden waren aangekocht (in de cultuur van verdachten zou mondelinge vaststelling gebruikelijk zijn en ook volstaan), zouden verdachten, mede op aangeven van de belastingdienst, er toe zijn overgegaan om de herkomst van deze gelden achteraf schriftelijk vast te leggen in overeenkomsten en verklaringen, teneinde op die manier te kunnen voldoen aan het verzoek van de belastingdienst om gegevens te verstrekken. Gelet hierop dienen deze door verdachten op verzoek van de belastingdienst opgestelde en aan laatstgenoemde ter beschikking gestelde stukken te worden aangemerkt als wilsafhankelijk bewijsmateriaal, zoals bedoeld in de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Saunders v VK. Het betreft hier bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen, waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van verdachte en dat om die reden niet voor het bewijs in de onderhavige strafzaak mag worden gebruikt, omdat dat in strijd zou komen met het beginsel dat een verdachte niet gedwongen kan worden om aan zijn eigen veroordeling mee te werken. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt. Opgemerkt wordt dat de verdediging niet erg nauwgezet is in het benoemen van de gegevens die verdachten op voet van artikel 47 AWR hebben verstrekt en waar het beroep op het nemo tenetur-beginsel betrekking op heeft. Naar de rechtbank begrijpt worden daar in ieder geval mee bedoeld de bescheiden waar de aan verdachten verweten valsheidsdelicten betrekking op hebben. In de pleitnota’s van mrs. Van Rooijen ( [medeverdachte 6] ) en Jansen ( [medeverdachte 7] ) lijkt het verweer echter mede gericht te zijn op andere gegevens die verdachten naar aanleiding van de brieven van de belastingdienst van 21 februari 2011 en 25 november 2011 aan de belastingdienst hebben verstrekt. Nu echter niet nader is toegelicht of gespecificeerd welke concrete invloed laatstbedoelde informatie heeft uitgeoefend op (de aanvang c.q. de loop van) het onderzoek (zo al kan worden aangenomen dat de belastingdienst die informatie met de politie heeft gedeeld) acht de rechtbank het verweer in zoverre ontoereikend onderbouwd. Voor zover het verweer betrekking heeft op de (veertien) schriftelijke stukken die blijkens de onderscheidenlijke tenlasteleggingen valselijk zouden zijn opgemaakt overweegt de rechtbank het navolgende. Om te beginnen wijst de rechtbank er op dat, voor zover verdachten stukken spontaan aan de belastingdienst hebben verstrekt ter onderbouwing van door hen ingediende bezwaar-schriften tegen opgelegde belastingaanslagen, geen sprake kan zijn van schending van het verbod op zelfincriminatie, nu immers in zoverre niet gesproken kan worden van afgedwongen afgifte. De rechtbank verwijst naar de verklaring van [getuige 5] ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 september 2014 op p. 5: ‘ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door de familie [achternaam] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten’. Door de verdediging is betoogd dat de veertien overeenkomsten moeten worden beschouwd als wilsafhankelijk materiaal, reeds nu de betreffende documenten immers door verdachten zelf zijn opgesteld en derhalve afhankelijk van hun wil tot stand zijn gekomen. De rechtbank verwerpt deze uitleg, omdat de omstandigheid dat de verdachte het document zelf heeft vervaardigd niet beslissend is bij de beoordeling of sprake is van wilsafhankelijk materiaal. Beslissend voor het antwoord op de vraag of het nemo tenetur-beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een - al dan niet in een document vervatte - verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. De beantwoording van deze vraag hangt af van de aard van de in het document vervatte verklaring. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de inhoud en het karakter van de documenten, deze documenten geen (afgedwongen) verklaringen inhouden van verdachten waarvan het gebruik in de onderhavige strafprocedure het recht van de verdachten om niet aan hun eigen veroordeling mee te werken zinledig zou maken. Een aantal van de ten laste gelegde documenten betreffen immers verklaringen die, blijkens de inhoud, kennelijk zijn afgelegd door [getuige 3] (twee keer) en [getuige 1] ; deze kunnen reeds uit dien hoofde niet (tevens) inhouden een verklaring van verdachten. Voor wat betreft de overige documenten stelt de rechtbank vast dat het overeenkomsten betreft waarbij behalve (één of meer van
  2. de)verdachten telkens ook een derde partij als contractant betrokken is. Ook indien [medeverdachte 4] wordt gevolgd in zijn verklaring ter terechtzitting dat de overeenkomsten zijn opgesteld nadat de Belastingdienst de familie had gevraagd om schriftelijke stukken met betrekking tot de verschillende leningen, dan betekent dit nog niet dat de naar aanleiding daarvan opgestelde overeenkomsten daardoor het karakter hebben gekregen van een verklaring van verdachten, te meer nu niet gezegd kan worden dat verdachten verplicht waren om dergelijke stukken (al dan niet achteraf) op te stellen teneinde deze ter beschikking van de belastingdienst te stellen. Voor zover het beroep op het nemo tenetur-beginsel er toe strekt bezwaar te maken tegen het gebruik van genoemde veertien documenten (als wilsafhankelijk materiaal) in het kader van de aan verdachten verweten betrokkenheid bij het valselijk opmaken ervan wordt daarbij miskend dat het ingeroepen beginsel geen excuus vormt om onjuiste c.q. valse informatie te verstrekken. ‘Het recht “to remain silent” omvat niet het recht onwaarheid te spreken of valse verklaringen af te geven en het recht “not to contribute to incriminating himself” omvat niet het recht alles te doen wat ertoe kan bijdragen een verdenking te vermijden of af te wenden”. Anders gezegd; het nemo tenetur-beginsel vormt geen vrijbrief om onwaarheid te verkondigen of documenten met een bewijsbestemming valselijk op te maken en het staat niet aan een vervolging van verdachten in de weg ingeval er aanwijzingen bestaan dat zij daar op enigerlei strafbare wijze bij betrokken zijn (geweest). Gezien hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verweer verworpen. 3.2.3 Ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht De verdediging, meer in het bijzonder mr. Zilver ( [medeverdachte 5] ), heeft zich voorts beklaagd over het feit dat de fiscale autoriteiten de ingevolge artikel 67 AWR op hen rustende geheimhoudingsplicht hebben geschonden: - door reeds vóórdat er vorderingen ex artikel 126nd Sv waren gedaan onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallende informatie uit te wisselen en - door bij het verstrekken van informatie naar aanleiding van de successievelijke 126nd vorderingen ook gegevens te verstrekken met betrekking tot andere belastingplichtigen dan degene op wie de vordering betrekking heeft. Wat dit laatste aangaat is de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen zij omtrent de start van het onderzoek en naar aanleiding van de analyse van de successievelijke processen-verbaal van verdenking en de BOB-stukken heeft overwogen – van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag ontbeert en in zoverre moet worden verworpen. Voor wat betreft de uitwisseling van fiscale gegevens voorafgaand aan formele vorderingen ex artikel 126nd Sv moet het verweer worden verworpen bij gebreke van nadere toelichting waarom de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht door de fiscale autoriteiten een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert met alle (eventueel) daaraan te verbinden rechtsgevolgen van dien, in aanmerking nemende dat de gewraakte gedragingen niet zijn verricht door de officier van justitie noch door opsporingsambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Door de verdediging wordt wel gesteld dat, maar niet toegelicht waarom, het gebruik maken van deze (door het onrechtmatig handelen van anderen) verkregen gegevens een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert en dient te leiden tot bewijsuitsluiting. De officier van justitie is niet verantwoordelijk voor de eventuele schending van geheimhoudingsverplichtingen van medewerkers van de belastingdienst in het kader van de uitwisseling van fiscale gegevens en het staat hem in beginsel vrij om gebruik te maken van de gegevens die door de fiscale autoriteiten zijn verstrekt. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd welke kunnen leiden tot een ander oordeel, terwijl de rechtbank van het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden bij kennisneming van het dossier ook niet is gebleken. 3.2.4 Ten aanzien van het beginsel van zuiverheid van oogmerk/othering De rechtbank zal nu ingaan op het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, daarin bestaande dat bij het onderzoek niet de materiële waarheidsvinding voorop heeft gestaan. Uit de (wijze van) verhoren van [notaris 1] respectievelijk het aanvankelijk afzien van een verhoor van [notaris 3] zou volgens de verdediging blijken dat de opsporingsambtenaren er slechts op uit waren om belastend bewijsmateriaal tegen verdachten te vergaren. Dit werd verder versterkt door het fenomeen “othering’, waarbij de (van verbalisanten) afwijkende cultuur, afkomst en achtergrond van verdachten een negatieve invloed uitoefende op het onderzoek en de bejegening van verdachten. De rechtbank verwerpt dit verweer reeds vanwege het feit dat – zo al sprake is geweest van vooringenomenheid bij het verhoor van [notaris 1] c.q. bij de beslissing om af te zien van verhoor van [notaris 3] – dit geen onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv, nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad de betrokken personen (nader) te doen horen bij de rechter-commissaris, en daarmee in zoverre eventuele gebreken c.q. tekortkomingen in het onderzoek heeft kunnen corrigeren. Naar mag worden aangenomen heeft bij die gelegenheid het fenomeen ‘othering’(daargelaten de verdere merites van dit fenomeen voor de onderhavige zaak) geen verstorende invloed uitgeoefend, althans de verdediging maakt daarvan geen melding. 3.2.5 Ten aanzien van de redelijke termijn De verdediging heeft zich beklaagd over de termijn, gelegen tussen het eerste verhoor van verdachten en het moment waarop de zaak inhoudelijk op zitting behandeld wordt en uitspraak volgt. De verdediging meent dat, gezien dit tijdverloop van circa 42 maanden, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat dit, zo niet zelfstandig, dan toch in ieder geval in combinatie met de overige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Subsidiair wordt bepleit dat het tijdverloop tot strafvermindering dient te leiden. De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat - daargelaten de vraag of de door de verdediging genoemde termijn op zichzelf onredelijk lang is - niet kan worden geoordeeld dat die termijn zo lang is dat het Openbaar Ministerie reeds om die reden niet meer kan worden ontvangen in de strafvervolging. Overschrijding van de redelijke termijn leidt immers in beginsel niet tot niet-ontvankelijkverklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De strekking van het in artikel 6 van het EVRM neergelegde vereiste van behandeling binnen een redelijke termijn is dat de verdachte niet te lang in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn zaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat politie of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte hebben aangestuurd op een lang tijdsverloop is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de feiten, de lange periode waarop de verdenking betrekking heeft, het aantal (mogelijk) daarbij betrokken verdachten, de processuele opstelling van een aantal van hen alsook de uitvoerige, op verzoek van de verdediging, verrichte nadere onderzoekshandelingen, het tijdverloop tussen de eerste inzet van dwangmiddelen jegens verdachten (april 2012) en het moment waarop in eerste aanleg een beslissing omtrent de feiten wordt gegeven (18 januari 2016) niet zodanig is dat daarmee het ingevolge artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachten op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.3 Conclusie rechtbank: het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging Gelet op het vorenoverwogene dient het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, te worden verworpen. Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding voor heropening van het onderzoek en inwilliging van de (herhaalde) onderzoekswensen van de verdediging met het oog op de controle van de rechtmatigheid (van de start) van het onderzoek. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bespreking van de feiten 1. Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie kunnen feit 1, onderdeel a (storting € 366.975 op [bank 1] ), feit 2 primair, onderdelen a en b (gewoontewitwassen), feit 4 primair en feit 5 wettig en overtuigend worden bewezen. 2. Het standpunt van de verdediging Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven gronden betoogd dat verdachten dienen te worden vrijgesproken van de verschillende tenlastegelegde feiten. Voor zover raadslieden dergelijke verweren niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij de namens de medeverdachten gevoerde (materiële) verweren. De rechtbank beschouwt de gevoerde materiële verweren derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit het betreffende verweer zelf blijkt dat het uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin het is gevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij de verweren in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. De rechtbank merkt voor de goede orde op dat dit kan betekenen dat niet per definitie de door de raadslieden gehanteerde volgorde wordt gevolgd. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten, waarbij namens alle verdachten is betoogd dat een en ander moet worden bezien tegen de achtergrond van de sociologische, historische en culturele dimensie van het familieleven van de verdachten; de verdachten hebben deze dimensies, die tezamen met het ‘sociale voorzieningenaspect’ de grondslag vormde voor de geldstromen, ‘omgezet’ naar de Nederlandse rechtsstaat, waarbij zij zich te goeder trouw lieten leiden door de autoriteiten in Nederland. 2.1 Bewijsuitsluiting Namens de verdediging is allereerst op de hiervoor, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie weergegeven gronden betoogd, dat bewijsuitsluiting dient te volgen. 2.2 Witwassen – specifieke verweren 2.2.1 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden en kan van witwassen geen sprake zijn. 2.2.2 Gronddelict ( [adres 9] ) is niet ten laste gelegd Nu het witwassen dan wel de heling (periode vóór 1995) met betrekking tot het pand [adres 9] niet ten laste is gelegd, moet worden geconcludeerd dat de verkoopopbrengst van dat pand als legaal kan worden aangemerkt. De aankopen die vervolgens (deels) met die opbrengst zijn gedaan ( [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] ) kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als witwassen. 2.2.3 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake. 2.2.4 Geen opzet Gesteld wordt dat geen sprake is van opzet, meer in het bijzonder niet ten aanzien van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , omdat zij vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de herkomst van het geld. 2.2.5 Geen verbergen of verhullen Er is geen sprake geweest van een gedraging die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het enkele storten van geld is immers niet als zodanig aan te merken. 2.2.6 Geen gebruik Er is geen sprake van gebruik in de zin van artikel 420bis Sr nu volgens de wetsgeschiedenis slechts het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn-)onderneming als zodanig gebruik kan worden aangemerkt. 2.2.7 Geen gewoontewitwassen Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verschillende verdachten niet allemaal bij alle verschillende tenlastegelegde panden een rol hebben gespeeld, kan niet worden bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen. 2.3 Valsheid in geschrifte – specifieke verweren 2.3.1 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden. Van valsheid in geschrifte is dan geen sprake. In essentie kloppen de overeenkomsten immers wel degelijk. Er was hooguit sprake van een formele en geen materiële valsheid; het enkele antedateren leidt immers niet reeds tot het oordeel dat sprake is van valsheid. 2.3.2 Geen opzet c.q. oogmerk tot misleiding Bij verdachten was geen oogmerk tot misleiding aanwezig. De familie heeft de schriftelijke bescheiden juist opgemaakt om te voldoen aan de Nederlandse wetgeving. Hiertoe werd zij van verschillende kanten geadviseerd. Van belang is tevens dat voorwaardelijk opzet op dit punt ontoereikend is. Gesteld wordt voorts dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de valse inhoud van de documenten. Van een oogmerk tot misleiding is derhalve geen sprake. Voorts is geen sprake van oogmerk tot misleiding, nu de Belastingdienst bekend was met de veronderstelde valsheid van de in de tenlastelegging genoemde geschriften, zodat zij niet misleid kon worden. 2.3.3 Geen gebruik Namens enkele verdachten is aangegeven dat zij de betreffende documenten niet aan de Belastingdienst hebben verstrekt, zodat er geen sprake is geweest van gebruik in de zin van artikel 225 lid 2 Sr. 2.3.4 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake. 2.4 Uitkeringsfraude – specifieke verweren 2.4.1 Geen relevante gegevens verzwegen Nu sprake is van geleend geld, zijn geen relevante gegevens verzwegen. De onroerende goederen, noch de gelden zijn eigendom van verdachten. Voorts wordt betoogd dat het zijn van formeel bestuurder van een stichting niet van belang is voor de hoogte van de uitkering. Ook in dat opzicht zijn derhalve geen relevante gegevens verzwegen. 2.4.2 Gemeente was op de hoogte; geen opzet De gemeente was er bovendien van op de hoogte dat de onroerende goederen niet het eigendom van de respectievelijke verdachten zijn. De gemeente was er tevens van op de hoogte dat [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestuurder zijn van de [stichting 1] . Verder wist [medeverdachte 2] niet dat hij de schadevergoeding uit 2004 had moeten opgeven. Van opzet was dan ook geen sprake. 2.4.3 Geen medeplegen Er is geen bewijs voor medeplegen. 3. Het oordeel van de rechtbank 3.1 Geen bewijsuitsluiting De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen zij hiervoor, in het kader van de beoordeling van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft overwogen. Meer in het bijzonder geldt daarbij voor het rechtsgevolg bewijsuitsluiting het volgende. Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek - is uitsluitend aan de orde indien en voor zover het geconstateerde vormverzuim niet reeds de betrouwbaarheid van de bewijsgaring heeft aangetast. Het is aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het dient verkregen te zijn als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Het kan aan de orde zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen dan wel in gevallen waarbij uit objectieve gegevens valt af te leiden dat het desbetreffende vormverzuim structureel en bij herhaling voorkomt, de betrokken autoriteiten daarmee bekend zijn maar sedertdien onvoldoende hebben ondernomen om overtredingen van het betreffende voorschrift in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden/aspecten heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel dat kan worden volstaan met de constatering daarvan, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting. De rechtbank ziet in dat licht evenmin grond voor heropening van het onderzoek met het oog op nader onderzoek op dit punt. 3.2 Beoordelingskader witwassen De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het uit enig misdrijf afkomstig zijn van het geld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Kort samengevat betreft dit: - het door tien verdachten, behorende tot één en dezelfde familie, en een Stichting, bestuurd door drie leden van die familie, aanschaffen van een groot aantal panden - vanaf 1984 zeventien stuks - terwijl niemand van de familie een betaalde baan heeft; - de door een aantal van de familieleden genoten uitkering welke niet in verhouding staat tot het benodigde vermogen voor de aankoop van die panden; - het grote aantal panden dat (grotendeels) contant is betaald; - dat sprake is van geen dan wel een relatief beperkte hypothecaire lening en - dat de contante betalingen telkens onder de grens van € 10.000,- liggen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat blijkens het rapport kasopstelling er een verschil van (afgerond) € 2.002.168,- is geconstateerd tussen de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van de familie over de periode van 1 januari 2005 tot 3 april 2012. Geconfronteerd met dit verschil hebben alle verdachten zich op hun zwijgrecht beroepen. Dat in de kasopstelling sprake zou zijn van apert onjuiste taxaties en dat uitgegaan zou zijn van te hoge verbouwingskosten, onder meer omdat de werkzaamheden door de familie zelf zouden zijn uitgevoerd en materialen tweedehands zouden zijn gekocht, zoals door de verdediging is aangevoerd, betreffen slechts niet nader onderbouwde stellingen, die reeds om die reden terzijde dienen te worden geschoven. Nu sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van het geld. De verdachten hebben in casu verklaard dat het geld afkomstig is van renteloze leningen van Zweedse Roma-organisaties en de [vereniging 5] , waartoe inzamelingsacties zijn gehouden. In dat kader zijn kwitanties en verklaringen/overeenkomsten voorhanden. Aldus hebben zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst benoemd, zij het dat niet alle verdachten even uitgebreid hebben verklaard en er met name over de invulling van de ten behoeve van die leningen gehouden inzamelingsacties onder de Roma weinig concreet is verklaard. Gelet op de verklaringen van de verdachten diende het openbaar ministerie nader onderzoek te verrichten naar genoemde leningen, nu die herkomst een alternatief zou kunnen zijn. Dit nader onderzoek is ook verricht: zo zijn een groot aantal getuigen gehoord in Nederland en Zweden en is nader onderzoek verricht naar de overeenkomsten. Dat dit onderzoek mede is verricht op verzoek van de verdediging is daarbij niet relevant . De rechtbank is op grond van de resultaten van dat onderzoek, in samenhang beschouwd met de rest van het dossier, van oordeel dat voor wat betreft het pand aan de [adres 7] (op naam van [medeverdachte 9] ) en de aankoop van het pand aan de [adres 6] (op naam van [medeverdachte 8] ) niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. Ten aanzien van de verbouwing van het pand aan de [adres 6] en de overige in de tenlastelegging genoemde panden kan die conclusie naar het oordeel van de rechtbank wel worden getrokken. De rechtbank zal thans overgaan tot een bespreking van de afzonderlijke panden. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de op het betreffende pand betrekking hebbende overeenkomsten en verklaringen, voor zover deze als vals dan wel als valselijk opgemaakt zijn tenlastegelegd. De rechtbank zal per pand c.q. overeenkomst of verklaring cursief aangeven op welke verdachten het betrekking heeft. 3.3 De afzonderlijke panden en overeenkomsten 3.3.1 [adres 7] (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat dit pand is gefinancierd middels de verkoop van het pand aan de [adres 14] aan Rijkswaterstaat in 2008, waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 9] ter beschikking is gesteld. Het pand aan de [adres 14] zou in 1984 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna het ingezamelde bedrag ad fl. 321.000,- door de [vereniging 5] als renteloze lening aan koper [medeverdachte 11] ter beschikking is gesteld. De bronfinanciering van de [adres 7] is derhalve gelegen in de inzameling ten behoeve van de [adres 14] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 14] op 13 november 1984 door [medeverdachte 11] is gekocht voor een bedrag van fl. 300.000,-. Op 27 november 1995 respectievelijk 29 januari 2007 zijn aan [medeverdachte 9] bouwvergunningen verleend voor de bouw van een garage respectievelijk aanbouw bij dit pand. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 3 oktober 2008 gekocht van de erven van [medeverdachte 11] voor een bedrag van € 1.689.600,-. Het pand aan de [adres 7] is op 27 april 2010 door [medeverdachte 9] gekocht voor een bedrag van € 640.000,- en op 16 juni 2010 aan hem geleverd. De rechtbank is van oordeel dat in het nadere onderzoek onvoldoende is ingegaan op de gestelde bronfinanciering, te weten de aankoop van de [adres 14] in 1984. Gelet hierop is de rechtbank niet in staat om met voldoende mate van zekerheid uit te sluiten dat de gelden een legale herkomst hebben en aan te nemen dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden geldt. Het enkele feit dat mogelijk sprake is van een (overigens niet ten laste gelegde) valselijk opgemaakte depotakte d.d. 21 oktober 2010, notariële schuldbekentenis d.d. 24 oktober 2008 en leenovereenkomst d.d. [adres 15] oktober 2010 leidt niet reeds tot het oordeel dat voldaan is aan voornoemd criterium. Conclusie: vrijspraak Het voorgaande brengt met zich dat verdachten van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen te worden vrijgesproken. 3.3.2 [adres 5] Witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand mede is gefinancierd middels een bedrag van € 125.000,-, afkomstig van de schadevergoeding ad € 200.000,- die [bedrijf 1] in 2005 heeft betaald inzake het pand aan de [adres 9] , waarbij eerstgenoemd bedrag in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 4] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 9] zou in 1995 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000,- (voor de aankoop) en fl 35.000,- (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 7] ter beschikking zijn gesteld. De bronfinanciering voor de [adres 5] is derhalve gelegen in de [adres 9] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 5] op 26 oktober 2005 door [medeverdachte 4] is gekocht voor een bedrag van € 197.000,- en op 16 december 2005 aan hem is geleverd. Er is een hypothecaire lening verstrekt door [bedrijf 2] ad € 85.000,-. Blijkens de notariële afrekening d.d. 16 december 2005 was de waarborgsom ad € 17.9000,- reeds betaald en resteerde een te betalen bedrag ad € 77.686,30. Blijkens informatie van de [bank 1] betreffende de bankrekening van [medeverdachte 4] hebben in de periode 2 november 2005 tot en met 13 december 2005 contante stortingen van (in totaal) € 101.950,- plaatsgevonden en twee overboekingen aan de notaris van (in totaal) 95.586,30 (€ 17.900,- en € 77.686,30). Ten aanzien van de gestelde bronfinanciering van deze contante stortingen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 7] op 8 juni 1995 voor een bedrag van fl. 227.000,- een perceel bouwgrond, gelegen tussen de [adres 9] en [adres 15] heeft gekocht, welk perceel op 20 juli 1995 aan haar is geleverd. Op dit perceel is een woning gebouwd, waartoe op 10 juni 1997 door [medeverdachte 4] een bouwvergunning is aangevraagd en op 25 juni 1997 aan hem is verleend; de geschatte bouwkosten bedroegen blijkens de aanvraag fl. 289.130,-. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 21 augustus 2008 van [medeverdachte 7] gekocht voor een bedrag van € 1.400.000,-. [medeverdachte 7] beschikte ten tijde van de aankoop van het perceel in 1995 niet over inkomen; zij ontving vanaf 11 maart 2009 een uitkering. [medeverdachte 4] beschikte in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari 2006 over een uitkering. De rechtbank is mede op grond van het nadere onderzoek van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. De rechtbank neemt daarbij, naast de hiervoor met betrekking tot het vermoeden vermelde feiten en omstandigheden, het volgende in aanmerking. In het dossier bevinden zich kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel aan de [adres 9] en ten behoeve van het daarop te bouwen pand door de aannemer. Twee getuigen, [getuige 6] en [getuige 7] , hebben verklaard geen lening te hebben verstrekt dan wel niet bekend te zijn met de lening die zij volgens de kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel [adres 9] zouden hebben verstrekt. Een andere getuige, [getuige 1] , verklaart eerst dat hij zich de kwitantie c.q. betaling niet herinnert, op welke verklaring hij later weer terugkomt. De getuigen [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 11] verklaren weliswaar deel te hebben genomen aan een inzamelingsactie rond die periode, maar zijn vaag in hun verklaringen. Ofschoon dit wellicht deels kan worden toegeschreven aan het tijdsverloop, acht de rechtbank het opvallend dat, daar waar volgens getuige [getuige 11] en [getuige 10] de Roma in een rij hebben gestaan, waarbij volgens [getuige 10] zelfs sprake was van een gezelschap van 50 mensen en getuige [getuige 9] spreekt over een groep van 30 tot 40 Roma, de notaris(medewerkers) zich een dergelijk grootschalig bezoek van Zweedse Roma dan wel contant betalende mensen aan hun kantoor niet kunnen herinneren, terwijl dit geen dagelijks voorkomende situatie moet zijn geweest; aangegeven wordt ook dat het aantal van 22 kwitanties toch wel uitzonderlijk is c.q. dat sprake is van een vreemd geval. De rechtbank acht de middels kwitanties vastgelegde betalingen mitsdien niet betrouwbaar. Ook de schriftelijke verklaring van [getuige 12] d.d. 27 juli 1995, inhoudende dat hij ( [getuige 12] ) voor [medeverdachte 7] fl. 550.000,- heeft ingezameld ten behoeve van de aankoop van een pand, acht de rechtbank geenszins betrouwbaar, nu bij digitaal onderzoek op de werkplek van [getuige 2] een bestand is aangetroffen met datum 6 maart 1995, waarvan de tekst grotendeels overeenkomt met voornoemde verklaring, welk bestand evenwel eerst op 23 januari 2012 is opgemaakt, op welke datum [getuige 12] al was overleden. [getuige 2] verklaart dienaangaande ook dat hij de verklaring op verzoek van [medeverdachte 7] in januari 2012 heeft opgesteld. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven. Dit leidt ertoe dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Nu ten aanzien van de bronfinanciering met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, dient die conclusie ook te worden getrokken ten aanzien van het pand aan de [adres 5] daar dit pand is gefinancierd middels de van die bronfinanciering afkomstige schadevergoeding. Omdat de schadevergoeding van de [bedrijf 1] aan de eigenaar van de [adres 9] ertoe strekt de eigenaar schadeloos te stellen voor de waardevermindering van haar pand vanwege de door [bedrijf 1] veroorzaakte parkeeroverlast dient deze schadevergoeding als product van een met crimineel geld witgewassen pand te worden gezien en is het daarmee middellijk van misdrijf afkomstig in de zin van art. 420 bis Sr. Verweren witwassen Dat in 1995 geen apart witwasartikel in het Wetboek van Strafvordering was opgenomen doet niet ter zake, nu destijds witwassen middels de helingbepalingen werd bestreden. Evenmin is tenlastelegging van de bronfinanciering - de aankoop van de [adres 9] - voor een bewezenverklaring vereist. Een beoordeling van die bronfinanciering is immers tevens mogelijk (en bovendien vereist, gelet op de verklaring van verdachten die getoetst moet worden) zonder dat dit op enigerlei wijze is tenlastegelegd. De rechtbank is op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 7] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, het volgende overwogen. Zoals hiervoor is overwogen, is wat betreft de financiering van de [adres 9] en daarmee de [adres 5] sprake van een criminele herkomst van de gelden. [medeverdachte 7] heeft in 1995 het bouwperceel aan de [adres 9] gekocht en daar een woning op laten bouwen. [medeverdachte 4] heeft vervolgens het pand aan de [adres 5] gekocht met geld dat afkomstig was van de [adres 9] , dat met geld met een criminele herkomst was aangekocht. Zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 4] hadden voor bedoelde aankopen geen financiële middelen, zoals hiervoor reeds is overwogen. Ten aanzien van [medeverdachte 4] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opzet: [medeverdachte 4] verklaart immers dat hij alle overeenkomsten voor zijn kinderen zelf heeft geregeld en moet, nu de gestelde herkomst als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven, op de hoogte zijn geweest van de criminele herkomst, dit gezien ook de contante stortingen ad € 101.950,- op zijn rekening en de door hem ondertekende, hierna als valselijk opgemaakt aan te merken overeenkomst betreffende de [adres 5] . Ten aanzien van [medeverdachte 7] is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden eveneens sprake van opzet: het zonder financiële middelen aangaan van een koopovereenkomst betreffende een bouwperceel met een koopsom van fl. 227.000,- en het daarop (laten) bouwen van een pand met een geschatte bouwsom van fl. 289.130,- in combinatie met de hiervoor aangehaalde verklaring van [getuige 2] dat hij de - naar het oordeel van de rechtbank evident valse - verklaring van [getuige 12] op verzoek van [medeverdachte 7] heeft opgesteld, leidt de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 7] op de hoogte moet zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden. De enkele verwijzing naar de rol van de vrouw in de Roma-cultuur dan wel het vertrouwen in haar vader ontslaat [medeverdachte 7] niet van haar verplichtingen ter zake. Dientengevolge komen ook de daarop volgende handelingen met het van misdrijf afkomstige geld, te weten het (toestaan van het) gebruik van de verkoopopbrengst van het pand, van welke opbrengst de [bedrijf 1] schadevergoeding deel uitmaakt, voor haar rekening. Zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 4] hebben met hun handelen, als hiervoor weergegeven, een zodanige significante bijdrage geleverd, dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Rol [medeverdachte 9] Ook ten aanzien van [medeverdachte 9] is de rechtbank met betrekking tot dit pand van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op zijn intellectuele rol bij het plegen van de feiten. [medeverdachte 9] heeft de meeste opdrachten tot vertaling van de documenten aan [vertaalbureau] gegeven, waaronder een conceptversie van het hierna als valselijk opgemaakt aan te merken document van 3 oktober 2005. [getuige 13] , directeur van het vertaalbureau, heeft verklaard dat hij hoofdzakelijk contact had met [medeverdachte 9] . Als het kantoor de stukken van de vertaler had ontvangen belde hij [medeverdachte 9] . [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 9] de boekhouder van de familie is en volgens [medeverdachte 4] neemt onder andere [medeverdachte 9] de beslissingen binnen de familie [achternaam] . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 9] alles begrijpt en de kopieën en originele documenten van de hele familie bewaart. De doos stond bij hem en neemt hij overal mee naar toe. [medeverdachte 9] bewaart deze goed, deze mag niet kwijtraken. Ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat [medeverdachte 9] één van de personen is binnen de familie die weet hoe alles gaat. De rechtbank is van oordeel dat ook [medeverdachte 9] een zodanig significante (intellectuele) bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de herkomst van de financiering van het pand dat gesproken kan worden van een - daarop gerichte - nauwe en bewuste samenwerking. Conclusie witwassen De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken. Valsheid in geschrifte (tenlastegelegd bij [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) Betreffende het pand [adres 5] is ten laste gelegd als zijnde vals dan wel valselijk opgemaakt, de door [medeverdachte 4] en door [getuige 1] , als voorzitter van [vereniging 3] [afkorting] , ondertekende overeenkomst d.d. 3 oktober 2005, kort samengevat inhoudende dat [afkorting] over de schadevergoeding van [bedrijf 1] van € 200.000,- beschikt, van welk bedrag € 125.000,- in de vorm van een renteloze lening ten behoeve van de aankoop en aanbouw van het pand aan de [adres 5] aan [medeverdachte 4] ter beschikking wordt gesteld. [getuige 1] heeft verklaard dat de vereniging niets met de leningen van doen heeft en dat deze enkel als een soort notaris fungeert. De betreffende overeenkomst is op instructie van [getuige 1] door secretaris [persoon 2] opgemaakt. Dat [getuige 1] zelf alle inzamelingen heeft geregeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig, niet alleen gezien de hoeveelheid leningen en het daarmee gemoeide geld, maar ook gezien het ontbreken van enige administratie ter zake; concrete namen van geldleners worden ook door [getuige 1] niet genoemd. Secretaris [persoon 2] verklaart ook geen van de uitleners te hebben ontmoet. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat, indien het om een huis gaat, dit wordt besproken bij [getuige 1] , die het dan op papier zet; er is altijd door [getuige 1] ondertekend. [medeverdachte 4] geeft ook aan dat [getuige 1] hetzelfde doet als [getuige 6] , dat wil zeggen het op papier zetten van hetgeen de familie vraagt, als bewijs voor de Gajo’s (= niet-zigeuners, opmerking rechtbank). Nu naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven, dient de op die verklaringen gebaseerde overeenkomst d.d. 3 oktober 2005 te worden aangemerkt als valselijk opgemaakt. De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat deze valsheid wordt ondersteund door het gegeven dat bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 2] een stapel conceptteksten is aangetroffen, doorgenummerd 1 tot en met 7, derhalve kennelijk één geheel vormend, welke conceptteksten zien op de aankoop van diverse panden over de periode 1995 tot en met 2010, waaronder het pand aan de [adres 5] . Naar de rechtbank uit dit geheel afleidt, zijn de concepten derhalve, ofschoon zij zien op aankopen over een periode van vijftien jaar, op een gelijktijdig moment opgesteld. Voorts is de datum van 3 oktober 2005 opmerkelijk te noemen, nu uit onderzoek bij de makelaar, bij wie het pand in de verkoop is gebracht, is gebleken dat het pand eerst vanaf 11 oktober 2005 zichtbaar is geweest voor het publiek en dat bezichtiging eerst op 13 oktober 2005 heeft plaatsgevonden, terwijl de overeenkomst bovendien nadrukkelijk al spreekt over een renteloze lening ten behoeve van de aankoop ‘van de woning in sector E n2. 2879 aan de [adres 5]’. Verweren valsheid in geschrifte Naar het oordeel van de rechtbank kan [medeverdachte 4] , als partij bij de overeenkomst, aan dit feit worden gekoppeld. Nu de inhoud van die overeenkomst als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven, het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 4] op de hoogte is geweest van de criminele herkomst en het de bedoeling is geweest die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken respectievelijk door anderen (de Gajo’
  3. s)te doen gebruiken, is sprake geweest van het oogmerk tot misleiding. Gelet op de betrokkenheid van [getuige 1] bij de totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van medeplegen. Rol [medeverdachte 9] Naar het oordeel van de rechtbank was [medeverdachte 9] ook betrokken bij dit onderdeel. De conceptdocumenten die tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] zijn aangetroffen, waaronder document nummer 3 dat betrekking heeft op de [adres 5] , zaten ook bij een factuur van [vertaalbureau] d.d. 31 oktober 2008. Uit de factuur van [vertaalbureau] van 31 oktober 2008 blijkt dat [medeverdachte 9] op 27 oktober 2008 opdracht heeft gegeven om overeenkomsten van de Roma-gemeenschap van het Nederlands naar het Zweeds te vertalen. Volgens [getuige 13] heeft hij van [medeverdachte 9] begrepen dat de familie ook zelf de overeenkomsten opstelde en is op verzoek van [medeverdachte 9] de betreffende Nederlandse tekst op dezelfde bladzijde als de Zweedse vertaling opgenomen. Nu [medeverdachte 9] verantwoordelijk was voor de vertaling van de conceptovereenkomst van het Nederlands naar het Zweeds en, zoals hiervoor reeds is overwogen, wordt aangemerkt als de boekhouder van de familie die weet hoe alles gaat binnen de familie en één van de personen is die de beslissingen neemt binnen de familie, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van de overeenkomst van 3 oktober 2005. De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 9] dit onderdeel mede heeft gepleegd. Conclusie valsheid in geschrifte De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken. 3.3.3 [adres 2] Witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand is gefinancierd middels de verkoop van het pand aan de [adres 9] , waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 4] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 9] zou, zoals hiervoor reeds is overwogen, in 1995 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000 (voor de aankoop) en fl. 35.000 (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 7] ter beschikking zijn gesteld. De bronfinanciering voor de [adres 2] is derhalve eveneens gelegen in de [adres 9] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 2] op 5 september 2008 is gekocht door [medeverdachte 4] voor een bedrag van € 880.000,- en op 29 december 2009 aan hem is geleverd. Het pand is vervolgens op 20 mei 2010 voor hetzelfde bedrag door [medeverdachte 4] verkocht aan [medeverdachte 3] en op 26 mei 2010 (een dag na de 18e verjaardag van [medeverdachte 3] ) aan [medeverdachte 3] geleverd. Zoals hiervoor al is overwogen beschikte [medeverdachte 7] ten tijde van de aankoop van het perceel in 1995 niet over inkomen; zij ontving vanaf 11 maart 2009 een uitkering. [medeverdachte 4] beschikte in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari 2006 over een uitkering. [medeverdachte 3] beschikte ten tijde van de aankoop in 2010 niet over inkomen. Nu, zoals hiervoor eveneens reeds is overwogen, ten aanzien van de bronfinanciering (de aankoop van de [adres 9] ) moet worden geconcludeerd dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, dient deze conclusie ook te worden getrokken ten aanzien van het met deze bronfinanciering door [medeverdachte 4] aangeschafte pand aan de [adres 2] en de doorverkoop van dit pand aan [medeverdachte 3] . Verweren witwassen Dat in 1995 geen apart witwasartikel in het Wetboek van Strafvordering was opgenomen doet niet ter zake, nu destijds witwassen middels de helingbepalingen werd bestreden. Evenmin is tenlastelegging van de bronfinanciering - de aankoop van de [adres 9] - voor een bewezenverklaring vereist. Een beoordeling van die bronfinanciering is immers tevens mogelijk zonder dat dit op enigerlei wijze is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, het volgende overwogen. Zoals hiervoor is overwogen, is

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.