vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/889096-11 Datum uitspraak: 18 januari 2016 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1958] , wonende te [woonplaats] , [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 en 21 oktober 2015, 1, 3, 4, 7, 8, 9 en 10 december 2015 en 4 januari 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 september 2015. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(
(2011); - dat [medeverdachte 6] in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] , de schulden van [medeverdachte 7] aan de Zweedse Roma vereniging [vereniging 1] heeft overgenomen en - dat [medeverdachte 7] diverse antecedenten terzake vermogensdelicten heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang gezien, in combinatie ook met de informatie uit de hiervoor vermelde processen-verbaal van verdenking jegens diverse andere leden van de familie, met name voor wat betreft het veelvoud aan Zweedse renteloze leningen ten behoeve van de financiering van alle panden, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] rechtvaardigt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij de informatie van de belastingdienst betreffende [medeverdachte 7] bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing laat, nu de betreffende 126nd-vordering op dat moment nog niet was gedaan. Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 9] d.d. 1 mei 2012 De verdenking jegens [medeverdachte 9] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] , het tijdens de doorzoeking van het pand aan de [adres 7] op 3 april 2012 aangetroffen geldbedrag ad € 5.500,- en de vier Mercedessen op naam van [medeverdachte 9] en de middels voornoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van de belastingdienst, waaruit onder meer het volgende bleek: - dat van [medeverdachte 9] over de jaren 2005 tot en met 2010 geen inkomsten bekend zijn en hij tot aan de datum van het proces-verbaal geen uitkering ontvangt; - dat aan [medeverdachte 9] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van het pand aan de [adres 7] een renteloze lening is verstrekt door de Zweedse organisatie [vereniging 2] , waarvan [getuige 2] de voorzitter is; - dat de bankrekening van [medeverdachte 9] vanaf 2005 met grote regelmaat wordt gevoed middels contante stortingen van onbekende herkomst waarmee de aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten worden betaald. Voorts wordt [medeverdachte 9] door diverse medeverdachten aangemerkt als de ‘boekhouder’ van de familie. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang beschouwd, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 9] rechtvaardigt. Uit het vorenoverwogene volgt dat de processen-verbaal van verdenking de toets kunnen doorstaan en dat de daarin gebruikte informatie - met uitzondering van de informatie van de belastingdienst inzake [medeverdachte 7] , welke informatie evenwel door de rechtbank bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing is gelaten - is verkregen middels voorafgaande vorderingen ex artikel 126nd Sv. 3.2.1.2 Gegevensuitwisseling Dat in de aanloop naar de start van het onderzoek sprake is geweest van (mondelinge) gegevensuitwisseling tussen politie, belastingdienst en gemeente zonder dat daaraan een 126nd-vordering aan ten grondslag heeft gelegen, neemt de rechtbank op grond van het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en de diverse bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen als vaststaand aan. Dat voor deze informatie-uitwisseling een wettelijke basis voorhanden was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Het in het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] genoemde convenant is volgens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting in ieder geval niet als basis gehanteerd omdat de rechtbank Utrecht destijds had geoordeeld dat een convenant niet als basis kon dienen . In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vormverzuim. Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het daardoor mogelijk veroorzaakte nadeel, overweegt de rechtbank evenwel het volgende. Vooropgesteld moet worden dat zorgvuldig met persoonsgegevens dient te worden omgegaan; de bescherming van persoonsgegevens en daarmee het recht op privacy vormt een groot goed. Het schenden daarvan, zeker indien, zoals in casu, geen vastlegging plaats vindt van de uitgewisselde informatie, vormt een ernstig verzuim. Uit de hierboven chronologisch weergegeven processen-verbaal van verdenking volgt evenwel dat die informatie niet is gebruikt bij het construeren van de verdenking. De verdenking jegens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is immers gebaseerd op informatie uit openbare bronnen en politiesystemen en naar aanleiding van die - op openbare bronnen en politiesystemen gebaseerde - verdenking zijn vorderingen ex artikel 126nd Sv gedaan, waarbij ook andere personen in beeld kwamen. Zo is in het kader van de verdenking jegens [medeverdachte 4] informatie opgevraagd betreffende de op hetzelfde adres woonachtige [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] . Dat geldt ook voor de in het kader van de verdenking jegens de Stichting en haar bestuurders opgevraagde informatie betreffende de op hetzelfde adres als een van de bestuurders woonachtige [medeverdachte 8] . Een uitzondering hierop vormt de informatie van de belastingdienst jegens [medeverdachte 7] , welke informatie de rechtbank evenwel, zoals hiervoor reeds is vermeld, bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat blijkens het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en zijn verklaring bij de rechter-commissaris het onderlinge contact in eerste instantie zag op het verkennen van de mogelijkheden van een gezamenlijk handhavend optreden en dat uiteindelijk het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) erbij is betrokken, welke instantie een voorstel heeft gedaan om overlap tussen de onderzoeken door politie, belastingdienst en de gemeente te voorkomen; van een willekeurige verstrekking aan onbekende derden is derhalve geen sprake geweest. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het constateren van het vormverzuim kan worden volstaan. 3.2.1.3 Eerder startmoment? Een aantal raadslieden heeft informatie opgevraagd middels een verzoek ex artikel 25 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Voorts hebben de raadslieden (een) inzage(mogelijkheid) gehad in dossier Fret. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zijdens de verdediging is aangevoerd niet blijkt dat sprake is geweest van een eerdere start van het onderzoek. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) ter terechtzitting overgelegde pagina uit dossier Fret betreffende onderzoek ‘Hosta’ enkel van betrokkenheid van [medeverdachte 7] in een winkeldiefstallenonderzoek blijkt, gevolgd door een veroordeling van [medeverdachte 7] ter zake, welke de rechtbank ook aantreft in de justitiële documentatie betreffende [medeverdachte 7] . Ook het door raadsman Jansen ( [medeverdachte 7] ) in dat kader genoemde aantreffen van documenten achter het tabblad ‘Hosta’ in dossier Fret, te weten brieven en bewijzen van lening met betrekking tot de schadevergoeding van [bedrijf 1] en de [adres 4] uit 2005 en 2007, leidt niet reeds tot het oordeel dat sprake is geweest van een eerder startmoment. Dat geldt eveneens voor de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in het kader van zijn verzoek ex artikel 25 Wpg verkregen informatie, dat in 2007 sprake is geweest van een observatie. De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, er een concrete aanleiding was voor onderhavig onderzoek, te weten de zes meldingen van de [bank 1] inzake contante stortingen, welke meldingen via het IVT ter kennis zijn gekomen van [verbalisant 1] , die op zijn beurt vanuit zijn functie periodiek het IVT diende te controleren en verdachte transacties diende te veredelen middels onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen. Deze, naar het oordeel van de rechtbank beperkte, bevraging van openbare bronnen en politiesystemen viel binnen de normale taakuitoefening van [verbalisant 1] en kan worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet en artikel 15 van de Wet politiegegevens. Het door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in dat verband genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 18 oktober 2010 (LJN: BO6031) mist mitsdien relevantie. 3.2.1.4 Verbaliseringsplicht De verdediging meent dat voorafgaand aan de (formele) start van het onderzoek in juni 2011 sprake is geweest van een voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 132 Sv. De officier van justitie heeft ook met zoveel woorden toegegeven dat de ‘Fret-activiteiten’ kunnen worden geschaard onder artikel 132 Sv. Er bestond ter zake derhalve volgens de verdediging een verbaliseringsplicht, die echter niet is nagekomen en waardoor de rechtmatigheid van - bijvoorbeeld - de actiedag op 8 december 2010 niet kan worden gecontroleerd. Het is daardoor eveneens onmogelijk geworden om inzicht te krijgen in de informatie die in deze fase voorafgaand aan de opsporing is uitgewisseld, terwijl wel vast staat dat die uitwisseling heeft plaatsgevonden. Anders dan door mr. Baggen ( [medeverdachte 4] ) is aangevoerd geldt de verbaliseringsplicht uitsluitend ten aanzien van het voorbereidend onderzoek voor zover sprake is van opsporing: in artikel 152 Sv is immers bepaald dat de in dit artikel genoemde opsporingsambtenaren gehouden zijn proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden, terwijl artikel 132a Sv opsporing definieert als het onderzoek dat in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie wordt verricht met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Dat betekent echter niet, zo blijkt ook uit de door de verdediging aangehaalde rechtspraak, dat in de fase die aan het opsporingsonderzoek voorafgaat, al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek, mag worden afgezien van verslaglegging in enigerlei vorm, aangezien immers - zo nodig - moet kunnen worden teruggegrepen op hetgeen in die voorfase is bevonden in het geval die voorfase wordt gevolgd door een opsporingsonderzoek. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de verantwoording van de (wijze van ontstaan van
- de)verdenking, zoals neergelegd in de hiervoor reeds geanalyseerde processen-verbaal van verdenking tegen de verdachten en het - op verzoek van de rechter-commissaris opgestelde - aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] ter zake de fase voorafgaand aan het opsporingsonderzoek, een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om alle bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen. Weliswaar heeft de verdediging aangevoerd dat in het kader van het verkennend vooronderzoek onder de naam “Fret” informatie is vergaard die gebruikt is ten behoeve van het onderhavige onderzoek zonder dat zulks adequaat in processen-verbaal is verantwoord, maar de verdediging heeft die stelling niet nader onderbouwd, ondanks het feit dat de officier van justitie de raadslieden gelegenheid heeft geboden om inzage te nemen in dit dossier, van welke gelegenheid door de verdediging ook gebruik is gemaakt. De enkele passages die de verdediging uit dit dossier heeft aangehaald leveren geen aanwijzingen op dat - andere dan de reeds verantwoorde - bevindingen uit die voorfase aan de basis hebben gestaan van het daarop volgende opsporingsonderzoek. 3.2.2 Ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel Naar de rechtbank begrijpt stelt de verdediging dat verdachten in de loop der jaren een groot aantal gegevens aan de belastingdienst hebben verstrekt, onder meer met betrekking tot de verantwoording van de financiering van de onroerende bezittingen die verdachten op hun naam hadden staan. Verdachten zouden, aldus de verdediging, op grond van de wet (artikel 47 AWR) telkens ook verplicht zijn om deze informatie - op verzoek van de belastingdienst - te verstrekken. Omdat verdachten, vanwege hun culturele achtergrond, niet beschikten over schriftelijke stukken waaruit kon blijken van de herkomst van de gelden waarmee in de loop van de tijd de verschillende panden waren aangekocht (in de cultuur van verdachten zou mondelinge vaststelling gebruikelijk zijn en ook volstaan), zouden verdachten, mede op aangeven van de belastingdienst, er toe zijn overgegaan om de herkomst van deze gelden achteraf schriftelijk vast te leggen in overeenkomsten en verklaringen, teneinde op die manier te kunnen voldoen aan het verzoek van de belastingdienst om gegevens te verstrekken. Gelet hierop dienen deze door verdachten op verzoek van de belastingdienst opgestelde en aan laatstgenoemde ter beschikking gestelde stukken te worden aangemerkt als wilsafhankelijk bewijsmateriaal, zoals bedoeld in de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Saunders v VK. Het betreft hier bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen, waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van verdachte en dat om die reden niet voor het bewijs in de onderhavige strafzaak mag worden gebruikt, omdat dat in strijd zou komen met het beginsel dat een verdachte niet gedwongen kan worden om aan zijn eigen veroordeling mee te werken. De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt. Opgemerkt wordt dat de verdediging niet erg nauwgezet is in het benoemen van de gegevens die verdachten op voet van artikel 47 AWR hebben verstrekt en waar het beroep op het nemo tenetur-beginsel betrekking op heeft. Naar de rechtbank begrijpt worden daar in ieder geval mee bedoeld de bescheiden waar de aan verdachten verweten valsheidsdelicten betrekking op hebben. In de pleitnota’s van mrs. Van Rooijen ( [medeverdachte 6] ) en Jansen ( [medeverdachte 7] ) lijkt het verweer echter mede gericht te zijn op andere gegevens die verdachten naar aanleiding van de brieven van de belastingdienst van 21 februari 2011 en 25 november 2011 aan de belastingdienst hebben verstrekt. Nu echter niet nader is toegelicht of gespecificeerd welke concrete invloed laatstbedoelde informatie heeft uitgeoefend op (de aanvang c.q. de loop van) het onderzoek (zo al kan worden aangenomen dat de belastingdienst die informatie met de politie heeft gedeeld) acht de rechtbank het verweer in zoverre ontoereikend onderbouwd. Voor zover het verweer betrekking heeft op de (veertien) schriftelijke stukken die blijkens de onderscheidenlijke tenlasteleggingen valselijk zouden zijn opgemaakt overweegt de rechtbank het navolgende. Om te beginnen wijst de rechtbank er op dat, voor zover verdachten stukken spontaan aan de belastingdienst hebben verstrekt ter onderbouwing van door hen ingediende bezwaar-schriften tegen opgelegde belastingaanslagen, geen sprake kan zijn van schending van het verbod op zelfincriminatie, nu immers in zoverre niet gesproken kan worden van afgedwongen afgifte. De rechtbank verwijst naar de verklaring van [getuige 5] ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 september 2014 op p. 5: ‘ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door de familie [achternaam] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten’. Door de verdediging is betoogd dat de veertien overeenkomsten moeten worden beschouwd als wilsafhankelijk materiaal, reeds nu de betreffende documenten immers door verdachten zelf zijn opgesteld en derhalve afhankelijk van hun wil tot stand zijn gekomen. De rechtbank verwerpt deze uitleg, omdat de omstandigheid dat de verdachte het document zelf heeft vervaardigd niet beslissend is bij de beoordeling of sprake is van wilsafhankelijk materiaal. Beslissend voor het antwoord op de vraag of het nemo tenetur-beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een - al dan niet in een document vervatte - verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. De beantwoording van deze vraag hangt af van de aard van de in het document vervatte verklaring. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de inhoud en het karakter van de documenten, deze documenten geen (afgedwongen) verklaringen inhouden van verdachten waarvan het gebruik in de onderhavige strafprocedure het recht van de verdachten om niet aan hun eigen veroordeling mee te werken zinledig zou maken. Een aantal van de ten laste gelegde documenten betreffen immers verklaringen die, blijkens de inhoud, kennelijk zijn afgelegd door [getuige 3] (twee keer) en [getuige 1] ; deze kunnen reeds uit dien hoofde niet (tevens) inhouden een verklaring van verdachten. Voor wat betreft de overige documenten stelt de rechtbank vast dat het overeenkomsten betreft waarbij behalve (één of meer van
- de)verdachten telkens ook een derde partij als contractant betrokken is. Ook indien [medeverdachte 4] wordt gevolgd in zijn verklaring ter terechtzitting dat de overeenkomsten zijn opgesteld nadat de Belastingdienst de familie had gevraagd om schriftelijke stukken met betrekking tot de verschillende leningen, dan betekent dit nog niet dat de naar aanleiding daarvan opgestelde overeenkomsten daardoor het karakter hebben gekregen van een verklaring van verdachten, te meer nu niet gezegd kan worden dat verdachten verplicht waren om dergelijke stukken (al dan niet achteraf) op te stellen teneinde deze ter beschikking van de belastingdienst te stellen. Voor zover het beroep op het nemo tenetur-beginsel er toe strekt bezwaar te maken tegen het gebruik van genoemde veertien documenten (als wilsafhankelijk materiaal) in het kader van de aan verdachten verweten betrokkenheid bij het valselijk opmaken ervan wordt daarbij miskend dat het ingeroepen beginsel geen excuus vormt om onjuiste c.q. valse informatie te verstrekken. ‘Het recht “to remain silent” omvat niet het recht onwaarheid te spreken of valse verklaringen af te geven en het recht “not to contribute to incriminating himself” omvat niet het recht alles te doen wat ertoe kan bijdragen een verdenking te vermijden of af te wenden”. Anders gezegd; het nemo tenetur-beginsel vormt geen vrijbrief om onwaarheid te verkondigen of documenten met een bewijsbestemming valselijk op te maken en het staat niet aan een vervolging van verdachten in de weg ingeval er aanwijzingen bestaan dat zij daar op enigerlei strafbare wijze bij betrokken zijn (geweest). Gezien hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verweer verworpen. 3.2.3 Ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht De verdediging, meer in het bijzonder mr. Zilver ( [medeverdachte 5] ), heeft zich voorts beklaagd over het feit dat de fiscale autoriteiten de ingevolge artikel 67 AWR op hen rustende geheimhoudingsplicht hebben geschonden: - door reeds vóórdat er vorderingen ex artikel 126nd Sv waren gedaan onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallende informatie uit te wisselen en - door bij het verstrekken van informatie naar aanleiding van de successievelijke 126nd vorderingen ook gegevens te verstrekken met betrekking tot andere belastingplichtigen dan degene op wie de vordering betrekking heeft. Wat dit laatste aangaat is de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen zij omtrent de start van het onderzoek en naar aanleiding van de analyse van de successievelijke processen-verbaal van verdenking en de BOB-stukken heeft overwogen – van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag ontbeert en in zoverre moet worden verworpen. Voor wat betreft de uitwisseling van fiscale gegevens voorafgaand aan formele vorderingen ex artikel 126nd Sv moet het verweer worden verworpen bij gebreke van nadere toelichting waarom de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht door de fiscale autoriteiten een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert met alle (eventueel) daaraan te verbinden rechtsgevolgen van dien, in aanmerking nemende dat de gewraakte gedragingen niet zijn verricht door de officier van justitie noch door opsporingsambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Door de verdediging wordt wel gesteld dat, maar niet toegelicht waarom, het gebruik maken van deze (door het onrechtmatig handelen van anderen) verkregen gegevens een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert en dient te leiden tot bewijsuitsluiting. De officier van justitie is niet verantwoordelijk voor de eventuele schending van geheimhoudingsverplichtingen van medewerkers van de belastingdienst in het kader van de uitwisseling van fiscale gegevens en het staat hem in beginsel vrij om gebruik te maken van de gegevens die door de fiscale autoriteiten zijn verstrekt. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd welke kunnen leiden tot een ander oordeel, terwijl de rechtbank van het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden bij kennisneming van het dossier ook niet is gebleken. 3.2.4 Ten aanzien van het beginsel van zuiverheid van oogmerk/othering De rechtbank zal nu ingaan op het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, daarin bestaande dat bij het onderzoek niet de materiële waarheidsvinding voorop heeft gestaan. Uit de (wijze van) verhoren van [notaris 1] respectievelijk het aanvankelijk afzien van een verhoor van [notaris 3] zou volgens de verdediging blijken dat de opsporingsambtenaren er slechts op uit waren om belastend bewijsmateriaal tegen verdachten te vergaren. Dit werd verder versterkt door het fenomeen “othering’, waarbij de (van verbalisanten) afwijkende cultuur, afkomst en achtergrond van verdachten een negatieve invloed uitoefende op het onderzoek en de bejegening van verdachten. De rechtbank verwerpt dit verweer reeds vanwege het feit dat – zo al sprake is geweest van vooringenomenheid bij het verhoor van [notaris 1] c.q. bij de beslissing om af te zien van verhoor van [notaris 3] – dit geen onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv, nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad de betrokken personen (nader) te doen horen bij de rechter-commissaris, en daarmee in zoverre eventuele gebreken c.q. tekortkomingen in het onderzoek heeft kunnen corrigeren. Naar mag worden aangenomen heeft bij die gelegenheid het fenomeen ‘othering’(daargelaten de verdere merites van dit fenomeen voor de onderhavige zaak) geen verstorende invloed uitgeoefend, althans de verdediging maakt daarvan geen melding. 3.2.5 Ten aanzien van de redelijke termijn De verdediging heeft zich beklaagd over de termijn, gelegen tussen het eerste verhoor van verdachten en het moment waarop de zaak inhoudelijk op zitting behandeld wordt en uitspraak volgt. De verdediging meent dat, gezien dit tijdverloop van circa 42 maanden, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat dit, zo niet zelfstandig, dan toch in ieder geval in combinatie met de overige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Subsidiair wordt bepleit dat het tijdverloop tot strafvermindering dient te leiden. De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat - daargelaten de vraag of de door de verdediging genoemde termijn op zichzelf onredelijk lang is - niet kan worden geoordeeld dat die termijn zo lang is dat het Openbaar Ministerie reeds om die reden niet meer kan worden ontvangen in de strafvervolging. Overschrijding van de redelijke termijn leidt immers in beginsel niet tot niet-ontvankelijkverklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De strekking van het in artikel 6 van het EVRM neergelegde vereiste van behandeling binnen een redelijke termijn is dat de verdachte niet te lang in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn zaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat politie of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte hebben aangestuurd op een lang tijdsverloop is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de feiten, de lange periode waarop de verdenking betrekking heeft, het aantal (mogelijk) daarbij betrokken verdachten, de processuele opstelling van een aantal van hen alsook de uitvoerige, op verzoek van de verdediging, verrichte nadere onderzoekshandelingen, het tijdverloop tussen de eerste inzet van dwangmiddelen jegens verdachten (april 2012) en het moment waarop in eerste aanleg een beslissing omtrent de feiten wordt gegeven (18 januari 2016) niet zodanig is dat daarmee het ingevolge artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachten op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.3 Conclusie rechtbank: het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging Gelet op het vorenoverwogene dient het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, te worden verworpen. Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding voor heropening van het onderzoek en inwilliging van de (herhaalde) onderzoekswensen van de verdediging met het oog op de controle van de rechtmatigheid (van de start) van het onderzoek. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bespreking van de feiten 1. Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie kunnen feit 1, onderdeel a (storting € 366.975 op [bank 1] ), feit 2 primair, onderdelen a en b (gewoontewitwassen), feit 4 primair en feit 5 wettig en overtuigend worden bewezen. 2. Het standpunt van de verdediging Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven gronden betoogd dat verdachten dienen te worden vrijgesproken van de verschillende tenlastegelegde feiten. Voor zover raadslieden dergelijke verweren niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij de namens de medeverdachten gevoerde (materiële) verweren. De rechtbank beschouwt de gevoerde materiële verweren derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit het betreffende verweer zelf blijkt dat het uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin het is gevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij de verweren in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. De rechtbank merkt voor de goede orde op dat dit kan betekenen dat niet per definitie de door de raadslieden gehanteerde volgorde wordt gevolgd. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten, waarbij namens alle verdachten is betoogd dat een en ander moet worden bezien tegen de achtergrond van de sociologische, historische en culturele dimensie van het familieleven van de verdachten; de verdachten hebben deze dimensies, die tezamen met het ‘sociale voorzieningenaspect’ de grondslag vormde voor de geldstromen, ‘omgezet’ naar de Nederlandse rechtsstaat, waarbij zij zich te goeder trouw lieten leiden door de autoriteiten in Nederland. 2.1 Bewijsuitsluiting Namens de verdediging is allereerst op de hiervoor, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie weergegeven gronden betoogd, dat bewijsuitsluiting dient te volgen. 2.2 Witwassen – specifieke verweren 2.2.1 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden en kan van witwassen geen sprake zijn. 2.2.2 Gronddelict ( [adres 9] ) is niet ten laste gelegd Nu het witwassen dan wel de heling (periode vóór 1995) met betrekking tot het pand [adres 9] niet ten laste is gelegd, moet worden geconcludeerd dat de verkoopopbrengst van dat pand als legaal kan worden aangemerkt. De aankopen die vervolgens (deels) met die opbrengst zijn gedaan ( [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] ) kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als witwassen. 2.2.3 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake. 2.2.4 Geen opzet Gesteld wordt dat geen sprake is van opzet, meer in het bijzonder niet ten aanzien van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , omdat zij vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de herkomst van het geld. 2.2.5 Geen verbergen of verhullen Er is geen sprake geweest van een gedraging die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het enkele storten van geld is immers niet als zodanig aan te merken. 2.2.6 Geen gebruik Er is geen sprake van gebruik in de zin van artikel 420bis Sr nu volgens de wetsgeschiedenis slechts het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn-)onderneming als zodanig gebruik kan worden aangemerkt. 2.2.7 Geen gewoontewitwassen Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verschillende verdachten niet allemaal bij alle verschillende tenlastegelegde panden een rol hebben gespeeld, kan niet worden bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen. 2.3 Valsheid in geschrifte – specifieke verweren 2.3.1 Legale herkomst Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden. Van valsheid in geschrifte is dan geen sprake. In essentie kloppen de overeenkomsten immers wel degelijk. Er was hooguit sprake van een formele en geen materiële valsheid; het enkele antedateren leidt immers niet reeds tot het oordeel dat sprake is van valsheid. 2.3.2 Geen opzet c.q. oogmerk tot misleiding Bij verdachten was geen oogmerk tot misleiding aanwezig. De familie heeft de schriftelijke bescheiden juist opgemaakt om te voldoen aan de Nederlandse wetgeving. Hiertoe werd zij van verschillende kanten geadviseerd. Van belang is tevens dat voorwaardelijk opzet op dit punt ontoereikend is. Gesteld wordt voorts dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de valse inhoud van de documenten. Van een oogmerk tot misleiding is derhalve geen sprake. Voorts is geen sprake van oogmerk tot misleiding, nu de Belastingdienst bekend was met de veronderstelde valsheid van de in de tenlastelegging genoemde geschriften, zodat zij niet misleid kon worden. 2.3.3 Geen gebruik Namens enkele verdachten is aangegeven dat zij de betreffende documenten niet aan de Belastingdienst hebben verstrekt, zodat er geen sprake is geweest van gebruik in de zin van artikel 225 lid 2 Sr. 2.3.4 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake. 2.4 Uitkeringsfraude – specifieke verweren 2.4.1 Geen relevante gegevens verzwegen Nu sprake is van geleend geld, zijn geen relevante gegevens verzwegen. De onroerende goederen, noch de gelden zijn eigendom van verdachten. Voorts wordt betoogd dat het zijn van formeel bestuurder van een stichting niet van belang is voor de hoogte van de uitkering. Ook in dat opzicht zijn derhalve geen relevante gegevens verzwegen. 2.4.2 Gemeente was op de hoogte; geen opzet De gemeente was er bovendien van op de hoogte dat de onroerende goederen niet het eigendom van de respectievelijke verdachten zijn. De gemeente was er tevens van op de hoogte dat [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestuurder zijn van de [stichting 1] . Verder wist [medeverdachte 2] niet dat hij de schadevergoeding uit 2004 had moeten opgeven. Van opzet was dan ook geen sprake. 2.4.3 Geen medeplegen Er is geen bewijs voor medeplegen. 3. Het oordeel van de rechtbank 3.1 Geen bewijsuitsluiting De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen zij hiervoor, in het kader van de beoordeling van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft overwogen. Meer in het bijzonder geldt daarbij voor het rechtsgevolg bewijsuitsluiting het volgende. Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek - is uitsluitend aan de orde indien en voor zover het geconstateerde vormverzuim niet reeds de betrouwbaarheid van de bewijsgaring heeft aangetast. Het is aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het dient verkregen te zijn als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Het kan aan de orde zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen dan wel in gevallen waarbij uit objectieve gegevens valt af te leiden dat het desbetreffende vormverzuim structureel en bij herhaling voorkomt, de betrokken autoriteiten daarmee bekend zijn maar sedertdien onvoldoende hebben ondernomen om overtredingen van het betreffende voorschrift in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden/aspecten heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel dat kan worden volstaan met de constatering daarvan, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting. De rechtbank ziet in dat licht evenmin grond voor heropening van het onderzoek met het oog op nader onderzoek op dit punt. 3.2 Beoordelingskader witwassen De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het uit enig misdrijf afkomstig zijn van het geld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Kort samengevat betreft dit: - het door tien verdachten, behorende tot één en dezelfde familie, en een Stichting, bestuurd door drie leden van die familie, aanschaffen van een groot aantal panden - vanaf 1984 zeventien stuks - terwijl niemand van de familie een betaalde baan heeft; - de door een aantal van de familieleden genoten uitkering welke niet in verhouding staat tot het benodigde vermogen voor de aankoop van die panden; - het grote aantal panden dat (grotendeels) contant is betaald; - dat sprake is van geen dan wel een relatief beperkte hypothecaire lening en - dat de contante betalingen telkens onder de grens van € 10.000,- liggen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat blijkens het rapport kasopstelling er een verschil van (afgerond) € 2.002.168,- is geconstateerd tussen de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van de familie over de periode van 1 januari 2005 tot 3 april 2012. Geconfronteerd met dit verschil hebben alle verdachten zich op hun zwijgrecht beroepen. Dat in de kasopstelling sprake zou zijn van apert onjuiste taxaties en dat uitgegaan zou zijn van te hoge verbouwingskosten, onder meer omdat de werkzaamheden door de familie zelf zouden zijn uitgevoerd en materialen tweedehands zouden zijn gekocht, zoals door de verdediging is aangevoerd, betreffen slechts niet nader onderbouwde stellingen, die reeds om die reden terzijde dienen te worden geschoven. Nu sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van het geld. De verdachten hebben in casu verklaard dat het geld afkomstig is van renteloze leningen van Zweedse Roma-organisaties en de [vereniging 5] , waartoe inzamelingsacties zijn gehouden. In dat kader zijn kwitanties en verklaringen/overeenkomsten voorhanden. Aldus hebben zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst benoemd, zij het dat niet alle verdachten even uitgebreid hebben verklaard en er met name over de invulling van de ten behoeve van die leningen gehouden inzamelingsacties onder de Roma weinig concreet is verklaard. Gelet op de verklaringen van de verdachten diende het openbaar ministerie nader onderzoek te verrichten naar genoemde leningen, nu die herkomst een alternatief zou kunnen zijn. Dit nader onderzoek is ook verricht: zo zijn een groot aantal getuigen gehoord in Nederland en Zweden en is nader onderzoek verricht naar de overeenkomsten. Dat dit onderzoek mede is verricht op verzoek van de verdediging is daarbij niet relevant . De rechtbank is op grond van de resultaten van dat onderzoek, in samenhang beschouwd met de rest van het dossier, van oordeel dat voor wat betreft het pand aan de [adres 7] (op naam van [medeverdachte 9] ) en de aankoop van het pand aan de [adres 6] (op naam van [medeverdachte 8] ) niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. Ten aanzien van de verbouwing van het pand aan de [adres 6] en de overige in de tenlastelegging genoemde panden kan die conclusie naar het oordeel van de rechtbank wel worden getrokken. De rechtbank zal thans overgaan tot een bespreking van de afzonderlijke panden. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de op het betreffende pand betrekking hebbende overeenkomsten en verklaringen, voor zover deze als vals dan wel als valselijk opgemaakt zijn tenlastegelegd. De rechtbank zal per pand c.q. overeenkomst of verklaring cursief aangeven op welke verdachten het betrekking heeft. 3.3 De afzonderlijke panden en overeenkomsten 3.3.1 [adres 7] (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat dit pand is gefinancierd middels de verkoop van het pand aan de [adres 14] aan Rijkswaterstaat in 2008, waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 9] ter beschikking is gesteld. Het pand aan de [adres 14] zou in 1984 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna het ingezamelde bedrag ad fl. 321.000,- door de [vereniging 5] als renteloze lening aan koper [medeverdachte 11] ter beschikking is gesteld. De bronfinanciering van de [adres 7] is derhalve gelegen in de inzameling ten behoeve van de [adres 14] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 14] op 13 november 1984 door [medeverdachte 11] is gekocht voor een bedrag van fl. 300.000,-. Op 27 november 1995 respectievelijk 29 januari 2007 zijn aan [medeverdachte 9] bouwvergunningen verleend voor de bouw van een garage respectievelijk aanbouw bij dit pand. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 3 oktober 2008 gekocht van de erven van [medeverdachte 11] voor een bedrag van € 1.689.600,-. Het pand aan de [adres 7] is op 27 april 2010 door [medeverdachte 9] gekocht voor een bedrag van € 640.000,- en op 16 juni 2010 aan hem geleverd. De rechtbank is van oordeel dat in het nadere onderzoek onvoldoende is ingegaan op de gestelde bronfinanciering, te weten de aankoop van de [adres 14] in 1984. Gelet hierop is de rechtbank niet in staat om met voldoende mate van zekerheid uit te sluiten dat de gelden een legale herkomst hebben en aan te nemen dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden geldt. Het enkele feit dat mogelijk sprake is van een (overigens niet ten laste gelegde) valselijk opgemaakte depotakte d.d. 21 oktober 2010, notariële schuldbekentenis d.d. 24 oktober 2008 en leenovereenkomst d.d. [adres 15] oktober 2010 leidt niet reeds tot het oordeel dat voldaan is aan voornoemd criterium. Conclusie: vrijspraak Het voorgaande brengt met zich dat verdachten van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen te worden vrijgesproken. 3.3.2 [adres 5] Witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand mede is gefinancierd middels een bedrag van € 125.000,-, afkomstig van de schadevergoeding ad € 200.000,- die [bedrijf 1] in 2005 heeft betaald inzake het pand aan de [adres 9] , waarbij eerstgenoemd bedrag in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 4] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 9] zou in 1995 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000,- (voor de aankoop) en fl 35.000,- (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 7] ter beschikking zijn gesteld. De bronfinanciering voor de [adres 5] is derhalve gelegen in de [adres 9] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 5] op 26 oktober 2005 door [medeverdachte 4] is gekocht voor een bedrag van € 197.000,- en op 16 december 2005 aan hem is geleverd. Er is een hypothecaire lening verstrekt door [bedrijf 2] ad € 85.000,-. Blijkens de notariële afrekening d.d. 16 december 2005 was de waarborgsom ad € 17.9000,- reeds betaald en resteerde een te betalen bedrag ad € 77.686,30. Blijkens informatie van de [bank 1] betreffende de bankrekening van [medeverdachte 4] hebben in de periode 2 november 2005 tot en met 13 december 2005 contante stortingen van (in totaal) € 101.950,- plaatsgevonden en twee overboekingen aan de notaris van (in totaal) 95.586,30 (€ 17.900,- en € 77.686,30). Ten aanzien van de gestelde bronfinanciering van deze contante stortingen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 7] op 8 juni 1995 voor een bedrag van fl. 227.000,- een perceel bouwgrond, gelegen tussen de [adres 9] en [adres 15] heeft gekocht, welk perceel op 20 juli 1995 aan haar is geleverd. Op dit perceel is een woning gebouwd, waartoe op 10 juni 1997 door [medeverdachte 4] een bouwvergunning is aangevraagd en op 25 juni 1997 aan hem is verleend; de geschatte bouwkosten bedroegen blijkens de aanvraag fl. 289.130,-. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 21 augustus 2008 van [medeverdachte 7] gekocht voor een bedrag van € 1.400.000,-. [medeverdachte 7] beschikte ten tijde van de aankoop van het perceel in 1995 niet over inkomen; zij ontving vanaf 11 maart 2009 een uitkering. [medeverdachte 4] beschikte in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari 2006 over een uitkering. De rechtbank is mede op grond van het nadere onderzoek van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. De rechtbank neemt daarbij, naast de hiervoor met betrekking tot het vermoeden vermelde feiten en omstandigheden, het volgende in aanmerking. In het dossier bevinden zich kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel aan de [adres 9] en ten behoeve van het daarop te bouwen pand door de aannemer. Twee getuigen, [getuige 6] en [getuige 7] , hebben verklaard geen lening te hebben verstrekt dan wel niet bekend te zijn met de lening die zij volgens de kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel [adres 9] zouden hebben verstrekt. Een andere getuige, [getuige 1] , verklaart eerst dat hij zich de kwitantie c.q. betaling niet herinnert, op welke verklaring hij later weer terugkomt. De getuigen [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 11] verklaren weliswaar deel te hebben genomen aan een inzamelingsactie rond die periode, maar zijn vaag in hun verklaringen. Ofschoon dit wellicht deels kan worden toegeschreven aan het tijdsverloop, acht de rechtbank het opvallend dat, daar waar volgens getuige [getuige 11] en [getuige 10] de Roma in een rij hebben gestaan, waarbij volgens [getuige 10] zelfs sprake was van een gezelschap van 50 mensen en getuige [getuige 9] spreekt over een groep van 30 tot 40 Roma, de notaris(medewerkers) zich een dergelijk grootschalig bezoek van Zweedse Roma dan wel contant betalende mensen aan hun kantoor niet kunnen herinneren, terwijl dit geen dagelijks voorkomende situatie moet zijn geweest; aangegeven wordt ook dat het aantal van 22 kwitanties toch wel uitzonderlijk is c.q. dat sprake is van een vreemd geval. De rechtbank acht de middels kwitanties vastgelegde betalingen mitsdien niet betrouwbaar. Ook de schriftelijke verklaring van [getuige 12] d.d. 27 juli 1995, inhoudende dat hij ( [getuige 12] ) voor [medeverdachte 7] fl. 550.000,- heeft ingezameld ten behoeve van de aankoop van een pand, acht de rechtbank geenszins betrouwbaar, nu bij digitaal onderzoek op de werkplek van [getuige 2] een bestand is aangetroffen met datum 6 maart 1995, waarvan de tekst grotendeels overeenkomt met voornoemde verklaring, welk bestand evenwel eerst op 23 januari 2012 is opgemaakt, op welke datum [getuige 12] al was overleden. [getuige 2] verklaart dienaangaande ook dat hij de verklaring op verzoek van [medeverdachte 7] in januari 2012 heeft opgesteld. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven. Dit leidt ertoe dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Nu ten aanzien van de bronfinanciering met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, dient die conclusie ook te worden getrokken ten aanzien van het pand aan de [adres 5] daar dit pand is gefinancierd middels de van die bronfinanciering afkomstige schadevergoeding. Omdat de schadevergoeding van de [bedrijf 1] aan de eigenaar van de [adres 9] ertoe strekt de eigenaar schadeloos te stellen voor de waardevermindering van haar pand vanwege de door [bedrijf 1] veroorzaakte parkeeroverlast dient deze schadevergoeding als product van een met crimineel geld witgewassen pand te worden gezien en is het daarmee middellijk van misdrijf afkomstig in de zin van art. 420 bis Sr. Verweren witwassen Dat in 1995 geen apart witwasartikel in het Wetboek van Strafvordering was opgenomen doet niet ter zake, nu destijds witwassen middels de helingbepalingen werd bestreden. Evenmin is tenlastelegging van de bronfinanciering - de aankoop van de [adres 9] - voor een bewezenverklaring vereist. Een beoordeling van die bronfinanciering is immers tevens mogelijk (en bovendien vereist, gelet op de verklaring van verdachten die getoetst moet worden) zonder dat dit op enigerlei wijze is tenlastegelegd. De rechtbank is op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 7] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, het volgende overwogen. Zoals hiervoor is overwogen, is wat betreft de financiering van de [adres 9] en daarmee de [adres 5] sprake van een criminele herkomst van de gelden. [medeverdachte 7] heeft in 1995 het bouwperceel aan de [adres 9] gekocht en daar een woning op laten bouwen. [medeverdachte 4] heeft vervolgens het pand aan de [adres 5] gekocht met geld dat afkomstig was van de [adres 9] , dat met geld met een criminele herkomst was aangekocht. Zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 4] hadden voor bedoelde aankopen geen financiële middelen, zoals hiervoor reeds is overwogen. Ten aanzien van [medeverdachte 4] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opzet: [medeverdachte 4] verklaart immers dat hij alle overeenkomsten voor zijn kinderen zelf heeft geregeld en moet, nu de gestelde herkomst als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven, op de hoogte zijn geweest van de criminele herkomst, dit gezien ook de contante stortingen ad € 101.950,- op zijn rekening en de door hem ondertekende, hierna als valselijk opgemaakt aan te merken overeenkomst betreffende de [adres 5] . Ten aanzien van [medeverdachte 7] is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden eveneens sprake van opzet: het zonder financiële middelen aangaan van een koopovereenkomst betreffende een bouwperceel met een koopsom van fl. 227.000,- en het daarop (laten) bouwen van een pand met een geschatte bouwsom van fl. 289.130,- in combinatie met de hiervoor aangehaalde verklaring van [getuige 2] dat hij de - naar het oordeel van de rechtbank evident valse - verklaring van [getuige 12] op verzoek van [medeverdachte 7] heeft opgesteld, leidt de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 7] op de hoogte moet zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden. De enkele verwijzing naar de rol van de vrouw in de Roma-cultuur dan wel het vertrouwen in haar vader ontslaat [medeverdachte 7] niet van haar verplichtingen ter zake. Dientengevolge komen ook de daarop volgende handelingen met het van misdrijf afkomstige geld, te weten het (toestaan van het) gebruik van de verkoopopbrengst van het pand, van welke opbrengst de [bedrijf 1] schadevergoeding deel uitmaakt, voor haar rekening. Zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 4] hebben met hun handelen, als hiervoor weergegeven, een zodanige significante bijdrage geleverd, dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Rol [medeverdachte 9] Ook ten aanzien van [medeverdachte 9] is de rechtbank met betrekking tot dit pand van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op zijn intellectuele rol bij het plegen van de feiten. [medeverdachte 9] heeft de meeste opdrachten tot vertaling van de documenten aan [vertaalbureau] gegeven, waaronder een conceptversie van het hierna als valselijk opgemaakt aan te merken document van 3 oktober 2005. [getuige 13] , directeur van het vertaalbureau, heeft verklaard dat hij hoofdzakelijk contact had met [medeverdachte 9] . Als het kantoor de stukken van de vertaler had ontvangen belde hij [medeverdachte 9] . [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 9] de boekhouder van de familie is en volgens [medeverdachte 4] neemt onder andere [medeverdachte 9] de beslissingen binnen de familie [achternaam] . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 9] alles begrijpt en de kopieën en originele documenten van de hele familie bewaart. De doos stond bij hem en neemt hij overal mee naar toe. [medeverdachte 9] bewaart deze goed, deze mag niet kwijtraken. Ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat [medeverdachte 9] één van de personen is binnen de familie die weet hoe alles gaat. De rechtbank is van oordeel dat ook [medeverdachte 9] een zodanig significante (intellectuele) bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de herkomst van de financiering van het pand dat gesproken kan worden van een - daarop gerichte - nauwe en bewuste samenwerking. Conclusie witwassen De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken. Valsheid in geschrifte (tenlastegelegd bij [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) Betreffende het pand [adres 5] is ten laste gelegd als zijnde vals dan wel valselijk opgemaakt, de door [medeverdachte 4] en door [getuige 1] , als voorzitter van [vereniging 3] [afkorting] , ondertekende overeenkomst d.d. 3 oktober 2005, kort samengevat inhoudende dat [afkorting] over de schadevergoeding van [bedrijf 1] van € 200.000,- beschikt, van welk bedrag € 125.000,- in de vorm van een renteloze lening ten behoeve van de aankoop en aanbouw van het pand aan de [adres 5] aan [medeverdachte 4] ter beschikking wordt gesteld. [getuige 1] heeft verklaard dat de vereniging niets met de leningen van doen heeft en dat deze enkel als een soort notaris fungeert. De betreffende overeenkomst is op instructie van [getuige 1] door secretaris [persoon 2] opgemaakt. Dat [getuige 1] zelf alle inzamelingen heeft geregeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig, niet alleen gezien de hoeveelheid leningen en het daarmee gemoeide geld, maar ook gezien het ontbreken van enige administratie ter zake; concrete namen van geldleners worden ook door [getuige 1] niet genoemd. Secretaris [persoon 2] verklaart ook geen van de uitleners te hebben ontmoet. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat, indien het om een huis gaat, dit wordt besproken bij [getuige 1] , die het dan op papier zet; er is altijd door [getuige 1] ondertekend. [medeverdachte 4] geeft ook aan dat [getuige 1] hetzelfde doet als [getuige 6] , dat wil zeggen het op papier zetten van hetgeen de familie vraagt, als bewijs voor de Gajo’s (= niet-zigeuners, opmerking rechtbank). Nu naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven, dient de op die verklaringen gebaseerde overeenkomst d.d. 3 oktober 2005 te worden aangemerkt als valselijk opgemaakt. De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat deze valsheid wordt ondersteund door het gegeven dat bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 2] een stapel conceptteksten is aangetroffen, doorgenummerd 1 tot en met 7, derhalve kennelijk één geheel vormend, welke conceptteksten zien op de aankoop van diverse panden over de periode 1995 tot en met 2010, waaronder het pand aan de [adres 5] . Naar de rechtbank uit dit geheel afleidt, zijn de concepten derhalve, ofschoon zij zien op aankopen over een periode van vijftien jaar, op een gelijktijdig moment opgesteld. Voorts is de datum van 3 oktober 2005 opmerkelijk te noemen, nu uit onderzoek bij de makelaar, bij wie het pand in de verkoop is gebracht, is gebleken dat het pand eerst vanaf 11 oktober 2005 zichtbaar is geweest voor het publiek en dat bezichtiging eerst op 13 oktober 2005 heeft plaatsgevonden, terwijl de overeenkomst bovendien nadrukkelijk al spreekt over een renteloze lening ten behoeve van de aankoop ‘van de woning in sector E n2. 2879 aan de [adres 5]’. Verweren valsheid in geschrifte Naar het oordeel van de rechtbank kan [medeverdachte 4] , als partij bij de overeenkomst, aan dit feit worden gekoppeld. Nu de inhoud van die overeenkomst als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven, het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 4] op de hoogte is geweest van de criminele herkomst en het de bedoeling is geweest die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken respectievelijk door anderen (de Gajo’
- s)te doen gebruiken, is sprake geweest van het oogmerk tot misleiding. Gelet op de betrokkenheid van [getuige 1] bij de totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van medeplegen. Rol [medeverdachte 9] Naar het oordeel van de rechtbank was [medeverdachte 9] ook betrokken bij dit onderdeel. De conceptdocumenten die tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] zijn aangetroffen, waaronder document nummer 3 dat betrekking heeft op de [adres 5] , zaten ook bij een factuur van [vertaalbureau] d.d. 31 oktober 2008. Uit de factuur van [vertaalbureau] van 31 oktober 2008 blijkt dat [medeverdachte 9] op 27 oktober 2008 opdracht heeft gegeven om overeenkomsten van de Roma-gemeenschap van het Nederlands naar het Zweeds te vertalen. Volgens [getuige 13] heeft hij van [medeverdachte 9] begrepen dat de familie ook zelf de overeenkomsten opstelde en is op verzoek van [medeverdachte 9] de betreffende Nederlandse tekst op dezelfde bladzijde als de Zweedse vertaling opgenomen. Nu [medeverdachte 9] verantwoordelijk was voor de vertaling van de conceptovereenkomst van het Nederlands naar het Zweeds en, zoals hiervoor reeds is overwogen, wordt aangemerkt als de boekhouder van de familie die weet hoe alles gaat binnen de familie en één van de personen is die de beslissingen neemt binnen de familie, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van de overeenkomst van 3 oktober 2005. De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 9] dit onderdeel mede heeft gepleegd. Conclusie valsheid in geschrifte De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken. 3.3.3 [adres 2] Witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand is gefinancierd middels de verkoop van het pand aan de [adres 9] , waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 4] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 9] zou, zoals hiervoor reeds is overwogen, in 1995 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000 (voor de aankoop) en fl. 35.000 (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 7] ter beschikking zijn gesteld. De bronfinanciering voor de [adres 2] is derhalve eveneens gelegen in de [adres 9] . De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 2] op 5 september 2008 is gekocht door [medeverdachte 4] voor een bedrag van € 880.000,- en op 29 december 2009 aan hem is geleverd. Het pand is vervolgens op 20 mei 2010 voor hetzelfde bedrag door [medeverdachte 4] verkocht aan [medeverdachte 3] en op 26 mei 2010 (een dag na de 18e verjaardag van [medeverdachte 3] ) aan [medeverdachte 3] geleverd. Zoals hiervoor al is overwogen beschikte [medeverdachte 7] ten tijde van de aankoop van het perceel in 1995 niet over inkomen; zij ontving vanaf 11 maart 2009 een uitkering. [medeverdachte 4] beschikte in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari 2006 over een uitkering. [medeverdachte 3] beschikte ten tijde van de aankoop in 2010 niet over inkomen. Nu, zoals hiervoor eveneens reeds is overwogen, ten aanzien van de bronfinanciering (de aankoop van de [adres 9] ) moet worden geconcludeerd dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, dient deze conclusie ook te worden getrokken ten aanzien van het met deze bronfinanciering door [medeverdachte 4] aangeschafte pand aan de [adres 2] en de doorverkoop van dit pand aan [medeverdachte 3] . Verweren witwassen Dat in 1995 geen apart witwasartikel in het Wetboek van Strafvordering was opgenomen doet niet ter zake, nu destijds witwassen middels de helingbepalingen werd bestreden. Evenmin is tenlastelegging van de bronfinanciering - de aankoop van de [adres 9] - voor een bewezenverklaring vereist. Een beoordeling van die bronfinanciering is immers tevens mogelijk zonder dat dit op enigerlei wijze is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, het volgende overwogen. Zoals hiervoor is overwogen, is