vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven zaaknummer / rolnummer: C/01/303544 / HA ZA 16-70 Vonnis van 31 augustus 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. H.C.M. Schaeken te Eersel, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 13 april 2016, met de daarin vermelde processtukken; de ten behoeve van de rolzitting van 10 februari 2016 binnengekomen akte, houdende overlegging processtukken, van de zijde van [eiser] ; het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2016 en de reactie daarop van de zijde van [gedaagde] bij brief van 12 augustus 2016, ter griffie binnengekomen op 15 augustus 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Als niet of onvoldoende weersproken en op grond van de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten: Partijen zijn blijkens schriftelijke overeenkomst de dato 1 september 2009 een vennootschap onder firma, genaamd [naam vennootschap] , aangegaan ter zake de exploitatie van een horecabedrijf in Helmond. Deze overeenkomst zal hierna worden aangeduid als: “vennootschapsovereenkomst”. Bij brief van 26 april 2013 heeft [gedaagde] deze overeenkomst opgezegd. Tussen partijen is een geschil ontstaan betreffende de afwikkeling van de vennootschap. De vennootschapsovereenkomst schrijft voor dat alle geschillen ter zake de vennootschap beslecht worden door arbiter(s). Overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst is bij beschikking van 25 september 2013 van de kantonrechter te Eindhoven op verzoek van [gedaagde] mr. L.E.M. van Boxsel tot arbiter benoemd. In het kader van de arbitrale procedure heeft [gedaagde] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zij het recht heeft de vennootschap voort te zetten en dat zij, voor zover zij voor de overname van het aandeel in de vennootschap van [eiser] een waarde dient te vergoeden aan [eiser] , dit bedrag kan verrekenen met een vordering op [eiser] uit hoofde van geldleningen die zij stelt in privé aan [eiser] te hebben verstrekt. Na een mondelinge behandeling op 17 juli 2014 heeft de arbiter op 27 augustus 2014 een tussenvonnis gewezen, waarin de arbiter met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de verrekenbevoegdheid – voor zover hier van belang – heeft overwogen: “5.16 Dit verweer van [eiser] met betrekking tot het beroep van [gedaagde] op verrekening wordt verworpen. Als zekerheid voor terugbetaling van de geleende bedragen zijn in drie van de vier overgelegde schuldbekentenissen passages opgenomen. Een van die passages houdt bijvoorbeeld het volgende in (productie 8 memorie van eis): “(…) Ik waarborg mijn aandeel van mijn bedrijf ( [naam/adres bedrijf] ) voor dit lening. Als ik mijn aandeel verkoop moet ik mevrouw [gedaagde] het bovenstaande bedrag rechtstreeks betalen”. 8. Na uitgebrachte deskundigenberichten is vervolgens een arbitraal eindvonnis gewezen op 28 september 2015. In dit eindvonnis heeft de arbiter, voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat voormelde VOF geëindigd is op 26 juli 2013, dat [gedaagde] het recht heeft de activiteiten van de vennootschap met uitsluiting van [eiser] voort te zetten en dat de waarde van het aandeel van [eiser] in het vermogen van de vennootschap nihil is. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert vernietiging van voormelde arbitrale vonnissen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, een en ander zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Aan deze vordering legt [eiser] - samengevat - ten grondslag dat de arbiter zich ten onrechte bevoegd geacht heeft ten aanzien van de vordering van [gedaagde] tot verrekening. De arbitrageovereenkomst zag immers louter op geschillen ter zake van de vennootschap en de vorderingen die [gedaagde] verrekend wenste te zien vonden hun grondslag in een privé-verhouding tussen hen, aldus [eiser] . De arbiter is op dit punt buiten de arbitrageovereenkomst getreden zodat het arbitrale vonnis voor vernietiging in aanmerking komt. 3.2. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering dan wel tot afwijzing daarvan en voert daartoe het volgende verweer. [eiser] heeft het beroep op onbevoegdheid van de arbiter pas na het arbitrale tussenvonnis van 27 augustus 2014 gedaan. Dit is te laat. [eiser] motiveert ook niet waarom het arbitrale vonnis of de totstandkoming daarvan in strijd is met de openbare orde of goede zeden. Voorts betwist [gedaagde] dat de vorderingen, waarvan zij verrekening gevorderd heeft, een privé-verhouding tussen haar en [eiser] betroffen. De tekst van de schuldbekentenissen laat immers geen andere conclusie toe dan dat een en ander in feite een aanvulling op de vennootschapsakte is. Tot slot benadrukt [gedaagde] dat de arbiter het aandeel van [eiser] op nihil gewaardeerd heeft en er daarom aan verrekening niet toegekomen wordt, hetgeen de onderhavige discussie tot een theoretische discussie reduceert en dat – zo er al een grond tot vernietiging zou bestaan – de arbitrale vonnissen slechts partieel vernietigd dienen te worden. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Gelet op de vastgestelde plaats van arbitrage, te weten Eindhoven, acht de rechtbank zich bevoegd tot kennisneming van het geschil. 4.2. Partijen zijn het er over eens dat op het geschil tussen partijen de wettelijke bepalingen van het arbitragerecht van toepassing zijn zoals deze golden vóór 1 januari 2015. 4.3.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] luidt dat [eiser] het beroep op onbevoegdheid van de arbiter te laat gedaan heeft. Indien dit verweer gehonoreerd wordt, leidt dit er immers toe dat [eiser] ingevolge het bepaalde in artikel 1052 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (oud), niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering omdat dit verweer niet vóór alle weren is gevoerd. 4.3.2. De rechtbank stelt voorop dat niet noodzakelijk is dat het beroep op onbevoegdheid wordt gedaan voor alle andere (exceptieve en principale) weren. Voldoende, doch tevens noodzakelijk is, dat dit beroep geschiedt in het eerste ingediende schriftelijke stuk. De vraag die ter beantwoording voorligt is derhalve of [eiser] bij de memorie van antwoord in conventie in de arbitrale procedure voldoende duidelijk een beroep op onbevoegdheid van de arbiter op het punt van de verrekening gedaan heeft. 4.3.3. Anders dan [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de door [eiser] aangehaalde passages uit de memorie van antwoord in de arbitrale procedure (randnummers 32 en 33) niet zo zeer betrekking hebben op de bevoegdheid tot verrekening, als wel op de vaststelling van de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.