← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2016:5037

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/165153-14 Datum uitspraak: 12 september 2016 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1990] , wonende te [woonplaats] , [adres] . Dit vonnis is, na verwijzing door de politierechter ter zitting van 20 juli 2015, op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 augustus

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 juli
  2. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 8 februari 2014 in de gemeente Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer] , in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] voornoemd, zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of een hersenbloeding, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 8 februari 2014 in de gemeente Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd, [slachtoffer] , in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] voornoemd, letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat niet vastgesteld kan worden dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft geslagen. Vrijspraak. Met de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan integraal behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de mishandeling van [slachtoffer] , kan de rechtbank op grond van inhoud van de bewijsmiddelen niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat verdachte verantwoordelijk is voor het op 8 februari 2014 bij aangever [slachtoffer] geconstateerde letsel, te weten een schedelbreuk en een hersenbloeding. De positief-negatieve herkenning van verdachte door [getuige] bij een meervoudige fotobewijsconfrontatie maakt dat er aanleiding bestaat te twijfelen of verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] (tegen het hoofd) heeft geslagen en zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling (met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge) van het slachtoffer, zodat de rechtbank niet zonder redelijke twijfel tot een bewezenverklaring kan komen. De overige verklaringen in het dossier, maken niet dat de rechtbank op grond daarvan tot een ander oordeel komt. De vordering van de benadeelde partij. Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: de heer [slachtoffer] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting van 29 augustus 2016 zijn vordering gematigd tot € 11.531,00, bestaande uit € 10.000,00 aan immateriële schade en € 1.531,00 aan materiële schade. Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit integraal zal worden vrijgesproken, zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden. DE UITSPRAAK De rechtbank: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. I.L.A. Boer, voorzitter, mr. H.M. Hettinga en mr. C.A. Mandemakers, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier, en is uitgesproken op 12 september 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.