← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2016:6438

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01/879014-13 Datum uitspraak: 21 november 2016 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1967] , thans verblijvende in [kliniek] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2014, 3 juli 2014, 29 september 2014, 2 december 2014, 26 februari 2015, 24 april 2015, 14 juli 2015, 5 oktober 2015, 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015, 4 december 2015, 19 april 2016, 13 juni 2016, 12, 13, 14 en 27 oktober 2016 en 7 november 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. 1De tenlastelegging De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2014. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 juli 2014 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
  2. en)[slachtoffer] (geboren op [1980] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(
  3. en)die bestond(
  4. en)uit of mede bestond(
  5. en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
  6. en)en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
  7. en)(telkens) hierin dat verdachte - die [slachtoffer] heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of - heeft bedreigd met een mes, althans een scherp voorwerp en/of - ( met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of - een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] heeft toegepast/uitgeoefend, en/of (aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; 2. hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven en/of te Lierop, gemeente Someren, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen/gestompt, en/of een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Volgens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 2De formele voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte op de grond dat bij het onderzoek sprake is geweest van schending van artikel 6 van het Europees verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarin neergelegde beginselen van een eerlijk proces (fair trial) en equality of arms. Er is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft haar verweer als volgt onderbouwd. Op 11 januari 1996 is door de politie geverbaliseerd dat na telefonisch overleg met de toentertijd verantwoordelijke officier van justitie besloten is om de kleding van het slachtoffer, waaronder haar jas, trui, broek en schoenen te vernietigen. Het bij het slachtoffer aangetroffen en veiliggestelde inlegkruisje is in het ongerede geraakt. Na exhumatie van het stoffelijk overschot van het slachtoffer op 9 september 2011 bleek dat ook haar onderkaak ontbrak. De mogelijkheid om een nader onderzoek te kunnen laten verrichten naar ontlastende biologische sporen is een essentiële voorwaarde om te kunnen spreken van een eerlijk proces, aldus de verdediging. Een deugdelijk en uitgebreider onderzoek aan de kleding, het inlegkruisje en de kaak had mogelijk antwoord kunnen geven op vragen met betrekking tot de doodsoorzaak, de betrokkenheid van andere personen dan de verdachte bij de misdrijven en de vraag of het slachtoffer om het leven is gebracht op de plaats waar haar lichaam is aangetroffen of elders. Nu een dergelijk onderzoek niet meer mogelijk is, kan er geen sprake meer zijn van een gelijkwaardige mogelijkheid voor de verdediging om gegevens naar voren te brengen en het gepresenteerde bewijs van het openbaar ministerie te betwisten. De verdediging is daardoor belemmerd in haar verdedigingsmogelijkheden. De rechtbank overweegt het volgende. Met het openbaar ministerie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat de kleding van het slachtoffer in 1996 met toestemming van de destijds verantwoordelijke officier van justitie is vernietigd. Verder stelt de rechtbank vast dat het inlegkruisje en de onderkaak niet meer aanwezig bleken te zijn in respectievelijk de jaren ’90 en 2011. Niet duidelijk is op welk moment deze zijn zoekgeraakt. Genoemde bronmaterialen zijn derhalve niet meer beschikbaar voor (nader) onderzoek of tegenonderzoek. Dat de voorwerpen niet meer aanwezig zijn is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf te betreuren. De rechtbank merkt op dat de vernietiging respectievelijk het zoekraken van voornoemde voorwerpen hebben plaatsgevonden (lange tijd) voordat er tegen verdachte op 30 oktober 2012 een voorbereidend onderzoek is gestart. Er is dan ook reeds om die reden geen sprake van dat bronmateriaal is vernietigd om verdachte in enig gerechtvaardigd belang te schaden, zodat in dat opzicht niet kan worden gezegd dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat om die reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat een en ander doelbewust is geschied met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Voorts vloeit naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 6 EVRM niet zonder meer voor verdachte een recht op een tegenonderzoek voort. Wel zal verdachte de gelegenheid moeten hebben om onderzoek dat door deskundigen is verricht, te betwisten. De rechtbank overweegt dat de verdediging in volle omvang in de gelegenheid is gesteld om het veiliggestelde (biologische) sporenmateriaal aan nadere onderzoeken of tegenonderzoeken te onderwerpen. Hierbij is de verdediging door de rechter-commissaris en de rechtbank vele malen de gelegenheid geboden om in het kader van die onderzoeken opmerkingen te plaatsen, vragen te stellen aan de deskundigen dan wel hun aanwijzingen te geven. In die zin is aan verdachte in voldoende mate de gelegenheid geboden om het door het openbaar ministerie als bewijs gepresenteerde materiaal en deskundigenoordelen (gemotiveerd) te kunnen betwisten en heeft zij haar standpunt op deugdelijke wijze kunnen onderbouwen. Nu er geen sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte en evenmin gezegd kan worden dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aan de vervolging in de weg zouden staan, kan het openbaar ministerie in de vervolging worden ontvangen. Bovendien zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. 3Bronnen Een eindproces-verbaal (opgebouwd uit een pro forma-dossier en een einddossier) van de politie-eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, met onderzoeksnummer 2219110010, onderzoeksnaam Bosuil 1, afgesloten op 20 maart 2014, in totaal 834 doorgenummerde bladzijden (hierna in de voetnoten te noemen: eindproces-verbaal). Een forensisch dossier, van de Forensisch Technische Ondersteuning, van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, bestaande uit 3 delen (3 ordners), in totaal 71 bijlagen, zonder paginanummering, onder meer inhoudende: een proces-verbaal technisch onderzoek, van de politie Brabant Zuid-Oost, afdeling ECE/Technische recherche, van 18 januari 1996, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bijlage 1); een rapport pro justitia van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 12 april 1996, opgemaakt en ondertekend door dr. R. Visser, arts en patholoog (bijlage 2); een rapport pro justitia betreffende haar-, vezel-, sperma-, bloed-, speeksel-, DNA- en werktuigsporenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Lierop op 22 november 1995, bestaande uit 3 deelrapporten, van het Gerechtelijke Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 22 juli 1996, opgemaakt en ondertekend door ing. S.E. Maljaars, ir. H.J.T. Janssen en ing. Z.J.M.H. Gerardts (bijlage 3); een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), ‘Haar-, sperma-, bloed- en DNA-onderzoek naar aanleiding van een zedenmisdrijf gepleegd in Valkenswaard op 23 september 2000’, van 2 januari 2001, opgemaakt en ondertekend door drs. A.D. Kloosterman, vast gerechtelijk deskundige; een NFI-rapport ‘Autosomaal en mitochondriaal DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 14 juli 2011, opgemaakt en ondertekend door prof. dr. A.D. Kloosterman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 12); een NFI-rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 12 augustus 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 13); een NFI-rapport ‘Forensische exhumatie van een stoffelijk overschot op de [begraafplaats] te Eindhoven, d.d. 9 september 2011’, van 12 september 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. W.J. Groen, NFI-deskundige forensische archeologie (bijlage 41); een NFI-rapport ‘Aanvullend en vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 14 oktober 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd (bijlage 55); een NFI-rapport ‘Een Kras-, indruk- en vormsporenonderzoek aan een rib naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in Lierop op 6 oktober 1995’, van 13 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door ing. I. Keereweer, NFI-deskundige op het gebied van respectievelijk Forensische Geneeskunde en Kras-, Indruk- en Vormsporenonderzoek (bijlage 45); een NFI-rapport ‘Forensisch Antropologisch consultancy naar aanleiding van de exhumatie van een stoffelijk overschot op 6 oktober 2011, cold case “Bosuil”’, van 26 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door drs. R.R.R. Gerretsen, arts en forensisch antropoloog (bijlage 21); een NFI-rapport ‘Vergelijkend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 18 december 2012, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd (bijlage 61); een herzien NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 1 oktober 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Klaver, NFI-deskundige van forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 62); een herzien NFI-rapport ‘Vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA) naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’ van 6 november 2013, opgemaakt en ondertekend door ing. J.L.W. Dieltjes, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (bijlage 60); een NFI-rapport ‘Beantwoording van Aanvullende vragen in verband met sectie S1995-499, [slachtoffer] ’, van 28 november 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, en drs. R.R.R. Gerretsen voornoemd (bijlage 48); een forensisch raamproces-verbaal, van 18 maart 2014, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . Een forensisch pathologisch rapport betreffende zwangerschap, van 23 februari 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. med. D. Spendlove, in totaal 42 pagina’s. Een NFI-rapport ‘Beantwoording vragen naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 21 april 2015, opgemaakt en ondertekend door drs. ing. T.J.P. de Blaeij voornoemd. Een NFI-rapport ‘Beantwoording van vragen naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 19 juni 2015, opgemaakt en ondertekend door dr. J.H.A. Nagel, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Een NFI-briefrapport, met als onderwerp ‘Onderliggende stukken interne review NFI Dossier TGO Bosuil’, van 17 augustus 2015, opgemaakt en ondertekend door drs. J.A. de Koeijer, teamleider IDFO. Een NFI-rapport ‘Aanvullende rapportage naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in een bosperceel tussen Mierlo en Lierop op 22 november 1995’, van 12 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Koopman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Een rapport ‘DNA-onderzoek en criminalistische interpretatie naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] ’, van Independent Forensic Services (IFS), van 20 september 2015, opgemaakt en ondertekend door R. Eikelenboom en J. van der Meij, beiden forensisch wetenschappelijk onderzoeker, in totaal 92 pagina’s, met daarbij tabellen genummerd 1 tot en met 21a. Een e-mail van dr. M.W. Perlin, gericht aan Richard Eikelenboom, van 10 november 2015 (13:41 uur). Een rapport van het Institute of Environmental Science and Research Limited (ESR), van 15 april 2016, opgemaakt en ondertekend door J.S. Buckleton, principal scientist, en R. Wivell, authorising scientist, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan; Een rapport van het Institute of Environmental Science and Research Limited (ESR), van 3 juni 2016, opgemaakt en ondertekend door J.S. Buckleton en R. Wivell voornoemd, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan; Een aanvullend rapport/aanvullende verklaring van J.S. Buckleton voornoemd, van 5 augustus 2016, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan. Een beantwoording van schriftelijke vragen van het openbaar ministerie (d.d. 15 april 2016) en de verdediging (d.d. 17 mei 2016) aan deskundige Buckleton voornoemd, van 3 juni 2016, alsmede de Nederlandse vertaling daarvan (ordner 5 stukken rechter-commissaris). De Essenties van forensisch DNA-onderzoek. Hoofdstuk 10: Begrippen, NFI, versie 3, september 2007. “Bewijskracht van onderzoek naar biologische sporen en DNA”, deel 2. Bronniveau, auteurs B. Kokshoorn, B. Aarts, J. Nagel en J. Koopman, gepubliceerd in Expertise en Recht 2014-6. Een proces-verbaal van technisch onderzoek van het Korps Rijkspolitie, van 4 juni 1987, met nummer 641/87, met als bijlagen een briefrapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, van 21 mei 1987, met nummer 87.04.15.41, opgemaakt en ondertekend door drs. H. Logtenberg, bioloog. Een proces-verbaal verhoor van getuige/deskundige B. Kubat, ten overstaan van de rechter-commissaris, van 20 augustus 2014. Een proces-verbaal verhoor van getuige/deskundige T.J.P. de Blaeij, ten overstaan van de rechter-commissaris, van 9 september 2014. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , van 16 oktober 1995 (mutatienr. PL2207/95-284968). Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , van 16 oktober 1995 (mutatienr. PL2212/95-284968). Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , van 2 november 1995 (mutatienr. PL2207/95-284968). Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , van 7 november 1995 (mutatienr. PL2210/95-284968). Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] , van 2 december 1995 (mutatienr. PL2203/95-056282). Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] , van 21 april 2011 (proces-verbaalnummer AOULS78.G01.20340). Een proces-verbaal verhoor van [verdachte] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 28 september 2015. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 7] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 8] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 9] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 1 oktober 2015. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 10] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 5 februari 2016. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 11] , ten overstaan van de rechter-commissaris, van 5 februari 2016. De processen-verbaal van de terechtzittingen van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015 en 13 juni 2016. Een verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch, meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken, van 18 januari 2001, met parketnummer dagvaarding 01/035259/00 en parketnummer vordering 01/035273/99. Een entomologische rapport met betrekking tot sectienummer 1995-499, van 27 mei 2011, opgemaakt en ondertekend door drs. J. Huijbregts, entomoloog. De rechtbank benadrukt dat genoemde bronnen niet per definitie verwijzen naar bewijsmiddelen. Het betreffen ook (proces)stukken aan de hand waarvan de rechtbank (met name) de vergelijkende DNA-onderzoeken en de statistische berekeningen naar aanleiding van die onderzoeken, alsmede haar bijzondere overwegingen nader zal toelichten. In de voetnoten verwijst de rechtbank steeds naar relevante stukken en verschaft zij nadere toelichtingen, in de gevallen dat zij dat wenselijk of noodzakelijk acht. 4Inleiding De rechtbank zal bij wijze van inleiding eerst een korte schets geven van de onderhavige zaak en van de wijze waarop verdachte in beeld is gekomen. Op 6 oktober 1995, rond 05:10 uur, reed de vijftienjarige [slachtoffer] op haar fiets van het adres van haar oma aan de [adres 1] in Eindhoven naar haar bijbaan bij de [supermarkt] in het winkelcentrum Woensel in Eindhoven, alwaar zij om 06:00 uur zou moeten beginnen met werken. [slachtoffer] verscheen die ochtend niet op haar werk. Door personeel van de [supermarkt] werd de route die [slachtoffer] gereden moest hebben nagereden, maar [slachtoffer] werd niet aangetroffen. Door een personeelslid van de [supermarkt] werd om 07:40 uur de politie in Eindhoven op de hoogte gebracht van de vermissing van [slachtoffer] . Toen [slachtoffer] om 15:30 uur haar zusje niet van school ophaalde, zoals kennelijk was afgesproken, hebben haar ouders om 16:10 uur [slachtoffer] bij de politie in Eindhoven officieel als vermist opgegeven, waarna omstreeks 17:00 uur door personeel van diverse Eindhovense politieafdelingen een gezamenlijke zoekactie werd gestart. Op 6 oktober 1995, omstreeks 18:00 uur, werd de grijze damesfiets van [slachtoffer] , waarmee zij naar haar werk was vertrokken, aangetroffen in rivier De Dommel nabij het Wasvenpad in Eindhoven. Naar aanleiding van het aantreffen van de fiets van [slachtoffer] werd op 7 oktober 1995 een recherchebijstandsteam gevormd onder de naam [slachtoffer] ” met als doel onderzoek te doen naar haar verdwijning. Op 19 oktober 1995, omstreeks 18:15 uur, werd het rugzakje gevonden dat eigendom was van [slachtoffer] . Het rugzakje hing in een braamstruik in een sloot, gelegen naast het fietspad dat grenst aan het Eindhovens Kanaal, tegenwoordig bekend als de Kanaaldijk Zuid, honderdvijftig meter voorbij het viaduct van de Hugo van der Goeslaan in Eindhoven, in de richting van Geldrop. Op 22 november 1995, omstreeks 12:30 uur, werd het lichaam van [slachtoffer] na een melding van een voorbijganger aangetroffen in een bosperceel, gelegen aan de Mierloseweg in Lierop, gemeente Someren. Het lichaam was bedekt met conifeertakken en verkeerde in verregaande staat van ontbinding. Ze was geheel gekleed in onder andere een spijkerbroek, fleece-trui en jas. De ritssluiting van de jas was niet gesloten en de jas en fleece-trui waren omhoog geschoven. Dr. R. Visser, destijds als arts en patholoog verbonden aan het toenmalige Laboratorium van Gerechtelijke Pathologie in Rijswijk, heeft op 23 november 1995 sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , geboren op [1980] . Als conclusie heeft hij in zijn rapport opgenomen dat bij [slachtoffer] sprake was van sterk gevorderde ontbindingsverschijnselen en dat geweld de oorzaak van haar overlijden kan zijn geweest. De rechtbank zal hierna in paragraaf 7.1 nader ingaan op de vermoedelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] . Tijdens het politieonderzoek in 1995 werden diverse (biologische) sporen op en aan het stoffelijk overschot aangetroffen en veiliggesteld. Het betroffen onder meer een zedenbemonstering (uitstrijkjes vaginaal en anaal), sporen op delen van het kruis van haar slip, sporen op delen van het kruis van haar spijkerbroek, haren op haar jas en haren op haar slip en spijkerbroek. Ook werd op haar jas onder meer een haar aangetroffen (aangeduid als ALA045) die niet paste in het (schaam)haarpalet van [slachtoffer] . Een DNA-onderzoek van deze haar kon destijds, gezien de stand van de wetenschap, echter niet worden uitgevoerd. Van het materiaal in de uitstrijkjes van onder meer de vagina en anus, het materiaal in het kruis van het slipje en het kruis van de spijkerbroek van [slachtoffer] werden microscooppreparaten vervaardigd. Het Gerechtelijk Laboratorium zag daarin aanwijzingen voor sperma. Tijdens het onderzoek “ [slachtoffer] ” in 1995 en 1996 werden diverse scenario’s, onderzoeksrichtingen en tips nagegaan. Er werd een groot aantal personen uit de directe en indirecte omgeving van [slachtoffer] gehoord. Als verdachten zijn op respectievelijk 22 mei 1996 en 7 juni 1996 [stiefbroer] , haar stiefbroer, en [benadeelde partij 1] , haar (wettelijke) vader, aangehouden. [stiefbroer] is geboren als [stiefbroer] en hij heeft in 2000 zijn geslachtnaam weer terug laten veranderen in [achternaam] . Na onderzoek is niet gebleken van enige betrokkenheid van hen bij de dood van [slachtoffer] . De verdachten werden kort na hun aanhouding in vrijheid gesteld. Ondanks het omvangrijke politieonderzoek in 1995 en 1996 kon er op dat moment geen helderheid worden gebracht in deze zaak. Het onderzoek leidde niet tot een oplossing en het onderzoeksteam werd uiteindelijk ontbonden. Tussen januari 2001 en juni 2004 werd onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Team Kindermoorden (LTK) de zaak van [slachtoffer] onderzocht. Het onderzoeksteam heeft destijds met name een inventarisatie gemaakt van onderzoeksmateriaal en van de reeds ondernomen onderzoekshandelingen. Ook in 2001 heeft onderzoek van het celmateriaal van de aangetroffen haar geen DNA-profiel opgeleverd. Naar aanleiding van de aanbevelingen van het LTK werd in het najaar van 2004 en het voorjaar van 2005 het onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] opnieuw uitgevoerd door een cold case-team van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Het onderzoek heeft geen nieuwe inzichten opgeleverd. Op 8 maart 2011 werd bij de alarmcentrale van de Hertfordshire Police in Londen (Engeland) telefonisch melding gedaan door [stiefbroer] , dat hij zijn zus [slachtoffer] had vermoord. Als reactie op deze melding werd op 9 maart 2011 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam “Bosuil 1” (hierna verder te noemen: Bosuil). Naar aanleiding van de aanhouding van [stiefbroer] werd een gerechtelijk vooronderzoek geopend. [stiefbroer] werd als verdachte aangehouden en overgebracht naar Nederland. Enige betrokkenheid van hem bij het overlijden van zijn zus kon echter niet worden aangetoond en na onderzoek en verhoor werd hij op 5 april 2011 in vrijheid gesteld. Vanwege bovenstaande ontwikkelingen werd door de Regionale Stuurploeg Brabant Zuid-Oost in juni 2011 besloten het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] opnieuw als cold case te onderzoeken. Hierbij bleef de onderzoeksnaam Bosuil gehandhaafd. Inspanningen van dit cold case team, waaronder de exhumatie van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 9 september 2011 en nieuw entomologisch onderzoek, hebben weliswaar meer duidelijkheid gebracht over onder meer de mogelijke doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden, maar zij hebben niet geleid naar (een) dader(s). Het entomologisch onderzoek wees uit dat [slachtoffer] waarschijnlijk tussen 6 oktober 1995 en 19 oktober 1995 is overleden. Door het onderzoeksteam werd in 2011 contact gelegd met de dienst IPOL team ViCLAS (Violent Crime Linkage Analysis System). Met behulp van het computerprogramma ViCLAS kunnen gedetailleerde kenmerken van zeden- en moordzaken worden vastgesteld. Het doel van ViCLAS is om (on)opgeloste misdrijven te vergelijken en daarmee zaken te linken die door eenzelfde dader gepleegd kunnen zijn. De kenmerken die worden geregistreerd hebben voornamelijk betrekking op het gedrag van de dader en de modus operandi. Aan het team ViCLAS werd gevraagd om binnen de data van het systeem een lijst van personen samen te stellen die gelet op modus operandi en geografie in aanmerking zouden kunnen komen voor de gepleegde feiten. Alle personen op de lijst konden na onderzoek worden uitgesloten. In oktober 2012 vond er een overleg plaats tussen onder meer de forensisch officier van justitie - tevens zaaksofficier van justitie in het onderzoek Bosuil - en leden van genoemd cold case team. In dit overleg werd een aantal niet opgeloste zedenzaken besproken. Tevens werd een aantal zedendelinquenten en de door hen gevoerde werkwijze besproken, onder wie [verdachte] . Tijdens het onderzoek in 1995 was gebleken dat [slachtoffer] , een dag voor haar verdwijning, tegen een tante had gezegd dat een man had geprobeerd bij haar achterop de fiets te springen toen ze onderweg was naar haar bijbaantje bij de [supermarkt] . [verdachte] is op 18 januari 2001 veroordeeld voor een door hem gepleegde verkrachting op 23 september 2000 in Valkenswaard. Het bleek dat verdachte in deze zaak bij zijn slachtoffer op de fiets was gesprongen en daarbij had gedreigd het slachtoffer “lek te steken” als zij niet verder zou fietsen. Het handelen van verdachte in die zaak bleek overeenkomsten te vertonen met de wijze waarop [slachtoffer] een dag voor haar verdwijning door een man zou zijn benaderd. Naar aanleiding van de door verdachte gepleegde verkrachting op 23 september 2000 was van hem al een referentiemonster wangslijm afgenomen en is het daaruit verkregen DNA-profiel opgenomen in de landelijke DNA-databank. Gelet op de bovenomschreven modus operandi werd door de officier van justitie op 30 oktober 2012 een aanvraag gedaan bij het NFI om het DNA-profiel van verdachte te vergelijken met de eerder in het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] verkregen DNA-profielen. Op grond van de resultaten van dat vergelijkend DNA-onderzoek, opgenomen in het rapport van het NFI van 18 december 2012, werd geconcludeerd dat verdachte – kort gezegd – niet kon worden uitgesloten als één van de donoren van een deel van het aangetroffen sperma/celmateriaal in de bemonsteringen AWA059#04 en AWA059#06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje van [slachtoffer] . Op 1 oktober 2013 rapporteerde het NFI dat er sterk statistische bewijs was voor de veronderstelling dat deze bemonsteringen biologisch celmateriaal van verdachte bevatten. Verder werd, nadat dit bij een eerder onderzoek van het NFI van 11 december 2012 abusievelijk over het hoofd was gezien, op 6 november 2013 gerapporteerd dat er – kort gezegd – een match was gevonden tussen het mitochondriaal DNA-profiel (mtDNA) van [verdachte] en het mtDNA-profiel van het haarspoor ALA045. De rechtbank zal hierna in de paragrafen 7.2 tot en met 7.6 in dit vonnis uitgebreid ingaan op de vergelijkende DNA- en mtDNA-onderzoeken en de in dat kader uitgevoerde statistische berekeningen. Op 1 oktober 2013 werd [verdachte] op basis van het vorenstaande aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Op 14 januari 2014 werd hij op bevel van de officier van justitie op verdenking van moord dan wel doodslag op en verkrachting van [slachtoffer] buiten heterdaad aangehouden. 5Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de verkrachting van en de doodslag op [slachtoffer] . Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven. Op grond van onderzoeken en berekeningen door de deskundigen is vast komen te staan dat er voor de drie sporen (AUA106#02, AWA059#04 en AWA059#06) een zeer hoge likelihood ratio (LR) is gebleken als het gaat om een bijdrage van DNA door verdachte. Het is veel tot extreem veel waarschijnlijker dat verdachte heeft bijgedragen aan deze sporen dan dat een willekeurige derde zou hebben bijgedragen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de stelling dat aangetroffen DNA-sporen van het toenmalige vriendje van [slachtoffer] , [getuige 12] , en van een onbekende donor (derde) te beschouwen zijn als dadersporen. Ook het haarspoor ALA045 is aan te merken als een daderspoor, gelet op de locatie waar de haar is aangetroffen. De haar zat op de jas van [slachtoffer] toen zij werd gevonden, afgedekt met conifeertoppen. Door de deskundigen is geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat het haarspoor van verdachte of een in moederlijke lijn met verdachte verwant persoon afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van verdachte of een in moederlijke lijn met verdachte verwant persoon afkomstig is. De zoekslag binnen de EMPOP-database bevestigt de uniciteit van het aangetroffen mtDNA-spoor. Het is een belangrijk belastend bewijsmiddel, zeker bezien in onderlinge samenhang met de andere (autosomale) DNA-sporen. Er is verder geen begin van aannemelijkheid voor de door verdachte gepresenteerde alternatieve scenario’s. De betwisting aangaande zijn DNA is onderbouwd weerlegd door de bevindingen van de DNA-deskundigen met bijbehorende statistische bewijswaarden. Het alternatieve scenario dat sprake zou zijn geweest van vrijwillig seksueel contact wordt op geen enkele wijze ondersteund door stukken in het dossier, behoudens de eigen verklaring van verdachte. Daarbij is die verklaring eerst afgelegd na ontvangst en bestudering van het dossier. Om die reden is zijn verhaal reeds gekleurd en doet dit af aan de authenticiteit. Het is een ingestudeerde op het dossier afgestemde en geprepareerde verklaring, waaraan geen geloof gehecht behoeft te worden én die in het nadeel van verdachte uitgelegd mag worden bij de weging van het bewijs. De verklaring van verdachte is vaag en niet concreet en daarmee niet verifieerbaar gebleken. Het openbaar ministerie betwist de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van zijn verklaring. Verdachte heeft geen redelijke, ontzenuwende verklaring gegeven voor de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende redengevende feiten en omstandigheden. Het overlijden van het slachtoffer is te verklaren door onder meer inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek-/snijletsel), waarna (interne) verbloeding is opgetreden ten gevolge waarvan zij is overleden. Ook het zware letsel aan het hoofd zou een bijdrage hebben kunnen leveren aan het overlijden. Het slachtoffer is verkracht en het is zeer aannemelijk dat zij zeer korte tijd later is gedood. De haar (ALA045) is aangetroffen op de buitenzijde van haar jas. [slachtoffer] droeg een gladde jas op het moment dat zij werd aangetroffen. Het aantreffen van de haar maakt het zeer waarschijnlijk dat zij niet meer verplaatst is of dat zij niet in staat was zich te bewegen ten gevolge van het toegebrachte letsel, nadat zij was afgedekt met de takken. Onwaarschijnlijk is hiermee dat een ander dan verdachte, als zijnde de donor van de haar, verantwoordelijk is geweest voor het overlijden van [slachtoffer] . De haar is een daderspoor. Ook in literatuur en jurisprudentie wordt nadrukkelijk een koppeling gemaakt tussen een zedenmisdrijf bij jonge meisjes en moord/doodslag. Diverse rechterlijke colleges hebben bij bewezenverklaring en strafmotivering aangegeven dat het slachtoffer na seksueel misbruikt te zijn, ter voorkoming van ontdekking of het afleggen van een getuigenverklaring, gedood moest worden. De directe verbondenheid tussen deze twee feiten zou slechts doorbroken kunnen worden als er een plausibel ander scenario zou voorliggen. Door of namens verdachte is geen concreet alternatief scenario aangedragen met betrekking tot de ten laste gelegde doodslag. Verdachte heeft enkel in zijn alternatieve DNA-scenario op de mogelijkheid gewezen, dat hij vrijwillig seks met [slachtoffer] zou hebben gehad. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat verdachte verantwoordelijk is voor zowel de verkrachting van en doodslag op [slachtoffer] . Hij heeft op 6 oktober 1995 in Eindhoven geweldshandelingen gepleegd, waaronder handelingen met een mes, ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen. 6Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aangevoerd. Er bestaan meer verschillen dan overeenkomsten in de modus operandi die door verdachte is gehanteerd bij de eerdere delicten waarvoor hij is veroordeeld en de modus operandi die gebruikt zou zijn door degene die het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Gelet op verschillende factoren (bijvoorbeeld eerdere veroordelingen voor zedendelicten, het middelengebruik, het achter op de fiets springen, de intensiteit en duur van de verkrachtingen, het al dan niet ejaculeren en de houding van verdachte ten opzichte van de delicten waarvoor hij is veroordeeld) kan niet worden gesproken van een overeenkomstige modus operandi. Verdachte kan niet in verband worden gebracht met de plaatsen waar de fiets van het slachtoffer is aangetroffen en waar haar stoffelijk overschot is gevonden. Verder is ten onrechte teruggegrepen op informatie uit zaken waarvoor verdachte is vrijgesproken of zelfs nooit veroordeeld. Deze informatie mag niet in belastende zin tegen hem worden gebruikt. Voor zover de rechtbank oordeelt dat er sprake is van een (voor de zaak relevante) DNA-match uit 1987 heeft de verdediging verzocht ter zake een second opinion te doen verrichten. In deze zaak ontbreekt het aan een eenduidig en onbetwistbaar verband tussen verdachte en de ten laste gelegde misdrijven. Er zijn geen getuigen, de forensische sporen zijn in zeer beperkte mate aanwezig en bovendien wordt aan deze sporen steeds een verschillende betekenis en bewijswaarde toegekend door drie deskundigen. Niet buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan de talloze onderzochte sporen. Bij vele bemonsteringen hebben zowel het NFI als IFS gerapporteerd dat er geen overeenkomsten zijn met het DNA-profiel van verdachte of andere betrokkenen en dat er (dus) mogelijk een onbekende persoon/man DNA kan hebben bijgedragen aan de onderzochte extracten. Het betreft niet zelden sporen op verdachte locaties als het kruis van de spijkerbroek en de vagina- en anusstreek. Regelmatig gaat het zelfs om spermasporen. Deze onbekende derde(
  8. n)is/zijn daarom ook bepaald niet als dader(
  9. s)uit te sluiten. Verder moet de conclusie worden getrokken dat door alle onduidelijkheid geen van de uitgevoerde statistische methodes voor de berekening van de bewijswaarde van de betreffende sporen kan worden gevolgd. Er is onvoldoende duidelijke en betrouwbare statistiek in deze zaak om een houdbaar rechterlijk oordeel op te baseren. De uitkomsten van LRmix (NFI) en TrueAllele (IFS) zijn onverenigbaar met elkaar. De uitkomsten van STRmix (ESR) kunnen evenmin als betrouwbaar en onbetwist worden aangemerkt. Het mtDNA-profiel van de aangetroffen haar (ALA045) betreft een spoor dat wellicht een belastende aanwijzing ten aanzien van verdachte zou kunnen betreffen, maar gelet op de onbekende zeldzaamheidswaarde van het mtDNA-profiel, het weinig persoonsonderscheidende karakter van mtDNA en de vele (andere) mogelijkheden van wanneer en op welke wijze de haar op de jas van [slachtoffer] terecht zou kunnen zijn gekomen, heeft dit spoor bepaald onvoldoende bewijswaarde om bij te kunnen dragen aan de conclusie dat verdachte de dader zou zijn. De verdediging acht het statistisch en juridisch gezien onverantwoord om de in deze zaak gegenereerde DNA-resultaten ten laste van verdachte voor het bewijs te bezigen. Uit alles – niet in de laatste plaats de dagenlange verhoren van de DNA-deskundigen ter terechtzitting, de verhoren van deze deskundigen ten overstaan van de rechter-commissaris en de vele door hen uitgebrachte rapporten – blijkt dat de DNA-problematiek in deze zaak bijzonder complex is en dat het tot stand komen van de DNA-onderzoeksresultaten in deze zaak met veel onzekerheid en subjectiviteit gepaard is gegaan. De verdediging heeft hierbij gewezen op het gebruik van de LCN-techniek, de verhoogde kans op allelic drop-in, allelic drop-out, stotterpieken en de gehanteerde modellen bij het berekenen van de statistiek. Dat bovendien de resultaten van het NFI en IFS niet bij elkaar kunnen worden opgeteld of met elkaar kunnen worden gecombineerd, heeft zowel deskundige Buckleton in zijn rapport als deskundige Eikelenboom ter terechtzitting bevestigd. Er is eenvoudigweg niet één goede, stevige, houdbare match met het DNA-profiel van verdachte. Bovendien is onbekend wanneer de sporen zijn achtergelaten. In de visie van de verdediging is er geen begin van bewijs dat er zich een zedenmisdrijf (verkrachting) heeft voorgedaan. Indien al zou moeten worden aangenomen dat sporen van verdachte zijn aangetroffen, rechtvaardigt dat niet de conclusie dat er sprake is van een verkrachting. Ook niet als bekend is dat verdachte zich eerder aan dat soort feiten schuldig heeft gemaakt. In het forensisch sporenbeeld bestaan contra-indicaties voor een zedenmisdrijf. Het lijkt zelfs meer aannemelijk dat het slachtoffer door een geweldsmisdrijf met een ander motief om het leven is gekomen. Er zijn geen letsels waargenomen die duiden op een verkrachting. Ook de omstandigheid dat het slachtoffer geheel gekleed is aangetroffen, is een contra-indicatie voor de aanname van een verkrachting. In het geval toch sporen met verdachte in verband gebracht kunnen worden, stelt de verdediging zich op het standpunt dat bepaald niet valt uit te sluiten dat er sprake is geweest van een vrijwillig seksueel contact tussen [slachtoffer] en verdachte. Een dergelijk scenario past bij de personen van verdachte en het slachtoffer, maar ook is aannemelijk, gelet op de levenswijze van verdachte voordat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling werd opgelegd, dat hij niet meer precies weet waar en met wie hij seksueel contact had. De verdachte beschreef zijn leven totdat hij in de tbs terechtkwam als ruig en wild. De verdachte had een laag zelfbeeld. Drank en verdovende middelen moesten deze gevoelens dempen, maar hij gebruikte ook geweld en vrouwen om aanzien te verwerven. In zo een beneveld leven, tegen zo een achtergrond, is het niet vreemd dat verdachte na twintig jaren niet meer precies weet met wie en wanneer hij welke seksuele handelingen heeft verricht. Er is tot slot geen bewijs van (oog)getuigen die verdachte in verband brengen met de ten laste gelegde feiten. De getuigen die hebben verklaard dat verdachte tijdens hun gelijktijdige verblijf in een tbs-kliniek heeft gezegd dat hij een meisje heeft vermoord althans dat hij een moord heeft gepleegd, zijn onbetrouwbaar. Hun verklaringen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. 7Het oordeel van de rechtbank 7.1 De doodsoorzaak. Naar aanleiding van de sectie op het lichaam van [slachtoffer] heeft patholoog dr. R. Visser beschreven dat het lijk sterk gevorderde postmortale veranderingen (ontbinding) vertoonde, met name in de hoofd/hals- en borst organen. Daarnaast is gebleken van tamelijk scherprandige, ovale huidklievingen aan de linkerzijde van het voorhoofd en een dubbele kaakbreuk aan de rechterzijde van de onderkaak. Deze letsels worden beschreven als te zijn veroorzaakt door inwerking van uitwendig mechanische hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd. Indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht zouden deze van betekenis kunnen zijn geweest ten aanzien van het intreden van de dood. Een concrete doodsoorzaak kon niet worden vastgesteld. Op 9 september 2011 heeft een forensische exhumatie plaatsgevonden van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , teneinde een (nadere) gerechtelijke sectie te kunnen doen. Nader onderzoek door het NFI aan het lichaam heeft geleid tot de bevinding dat in de tiende rib van het slachtoffer een beschadiging is aangetroffen. Met betrekking tot die beschadiging heeft deskundige ing. I. Keereweer geconcludeerd dat het hier een zaagspoor betreft. Het zaagspoor is niet veroorzaakt door een eenmaal voorwaartse en achterwaartse beweging. Inclusief de valse starts (aanzetten van een zaag) wordt het aantal heen en weer gaande bewegingen geschat op minimaal vijf. Niet kon worden uitgesloten dat het zaagspoor is veroorzaakt bij de sectie in 1995. De conclusie van de deskundige Keereweer met betrekking tot de beschadiging van de rib is weersproken in het deskundigenrapport van de hand van de deskundigen drs. P.M.I. van Driessche en drs. R.R.R. Gerretsen, eveneens van het NFI. Zij stellen dat het letsel aan de rib met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgelopen door zaaghandelingen ten tijde van de sectie. Ten eerste omdat de beschadiging enkel aanwezig was op de tiende rib en op geen enkele andere rib. Ten tweede omdat de lokalisatie zijwaarts aan het lichaam en voet- tot rugwaarts aan de rib geheel niet past bij de zaaghandelingen zoals uitgevoerd kunnen worden ten tijde van sectie. Ten derde omdat door de verregaande ontbinding van het lichaam, voor het openen van de borstkas geen zaaghandelingen nodig waren. Het aspect van het letsel [de rechtbank begrijpt: de uiterlijke kenmerken] kan verder mogelijk verklaard worden door bewegingen van het veroorzakend voorwerp en/of de dader, hetzij van de ribben en/of het slachtoffer ten tijde van het oplopen van het letsel of een combinatie hiervan. Verder kan het aspect mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van een tenminste gedeeltelijk gekarteld of getand snijvlak aan het veroorzakend voorwerp. Deskundigen Van Driessche en Gerretsen concluderen bovendien dat het letsel aan de rib goed verklaard kan worden door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel). Ter terechtzitting van 10 november 2015 zijn deskundigen Keereweer en Gerretsen gehoord over onder meer het letsel aan de tiende rib en de vraag waardoor en hoe dit zou kunnen zijn veroorzaakt. Deskundige Keerweer heeft daarover onder meer het volgende verklaard: “Ik heb onderzoek gedaan aan de tiende rib naar aanleiding van een aantal vragen die ik had gekregen. Ik heb alleen naar het botmateriaal gekeken. (…) Ik heb het rapport van deskundige Gerretsen niet gezien. Ik heb gekeken of er in de sectieverslagen was vermeld of er bij de sectie delen uitgenomen zijn geweest en of er gezaagd is. Ik heb dit niet kunnen vinden. Ik heb ook niet de beschikking gehad over het sectierapport en het rapport van Van Driessche en Gerretsen. Ik heb puur naar de beschadiging van de tiende rib gekeken en ik heb geconstateerd dat die klassenkenmerken heeft die overeenkomen met een pathologiezaag. Echter als er in één rib is gezaagd, dan kan ik me voorstellen, afhankelijk van de soort zaag, dat ook andere ribben geraakt zouden worden en dat hebben we niet kunnen constateren. De valse starts zaten aan de binnenkant van de rib. Er zou dus gestoken moeten zijn met een zaagvoorwerp, waarbij achter de tiende rib is gekomen, en afhankelijk van de hoogte van dat voorwerp, zou dan ook een andere rib geraakt kunnen worden. Een van de mogelijkheden is dat er gestoken is met een heel spitse zaag. Ik vind het vreemd dat er met een voorwerp met tandjes gestoken zou zijn, terwijl er valse starts zijn geconstateerd die erop duiden dat er minstens een aantal keren heen en weer is gegaan met het voorwerp.” (…) “Kijkend naar het spoor, kan ik slechts zeggen dat het een zaagvoorwerp geweest moet zijn. Ik kan niet uitsluiten dat het een mes met een zaaggedeelte is geweest.” Deskundige Gerretsen heeft ter terechtzitting vastgehouden aan zijn conclusie uit het eerdergenoemde NFI-rapport dat de beschadiging niet veroorzaakt is tijdens een sectie op het lichaam. Deskundige Gerretsen heeft verklaard: “De term valse start is verraderlijk in deze. Een valse start is enkel dat het voorwerp niet meteen weer vastgrijpt in het materiaal. Of het hier een valse start betreft veroorzaakt door een lemmet, door een tandje of door een tandje op een lemmet, kan niet worden gezegd. Er kan daarin geen onderscheid worden gemaakt. Ik heb enkel waargenomen dat er iets overheen is gegaan. In overleg met Van Driessche ben ik tot de conclusie gekomen dat niet duidelijk is hoe groot die bewegingen zijn geweest. Het kan heel goed dat het een smalle zaag is geweest waarmee naar boven is gestoken, zoals deskundige Keereweer heeft verklaard. Ik sluit niet uit dat het een kleine zaag is geweest, zoals bijvoorbeeld een zakmes of een Leatherman. Die kunnen ook dergelijke sporen maken. (…) Ik zie ook de drie trappen, maar het zouden ook tanden kunnen zijn geweest van een zaag die net is getoond. Als een dergelijke zaag wordt teruggetrokken, dan gaat zo’n tand ook een stukje mee. Een bijkomend probleem was dat het bot in verregaande staat van ontbinding was. Om die reden ben ik heel voorzichtig met de interpretatie van het spoor. Ik denk sterk aan een gekarteld mesje dat dun genoeg was om tussen twee ribben heen te steken, maar een (gewoon) mes kan ik niet uitsluiten.” De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door deskundigen Gerretsen en Van Driessche aangevoerde argumenten, in samenhang met het gegeven dat Keereweer vanuit zijn expertise als deskundige op het gebied van forensische geneeskunde en kras-, indruk- en vormsporenonderzoek zich met name heeft gericht op de uiterlijke kenmerken van slechts het spoor aan de rib en niet het geheel heeft beschouwd, ervan uit moet worden gegaan dat de beschadiging aan de rib niet is veroorzaakt ten tijde van de sectie, maar door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel). Met betrekking tot de doodsoorzaak hebben Van Driessche en Gerretsen in hun voornoemde rapport geconcludeerd dat een zekere, sluitend bewezen doodsoorzaak niet kan worden gegeven. De inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld aan de linkerborstkashelft, links zijwaarts en achterwaarts aan het lichaam met schade aan de tiende rib en de daaronder gelegen bloedvaten kan volgens hen het overlijden mogelijk verklaren en anders hebben bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . Een geweldsinwerking met het letsel aan het hoofd als gevolg, kan mogelijk het overlijden verklaren door eventueel letsel aan de hersenen en/of eventuele bloeduitstortingen onder de hersenvliezen. Eveneens is een overlijden door verstikking, hoewel minder waarschijnlijk geacht, niet uit te sluiten. De rechtbank stelt vast dat niet eenduidig de doodsoorzaak van [slachtoffer] kan worden vastgesteld. Wel staat voor de rechtbank vast, gelet op de hiervoor besproken bevindingen van de deskundigen, dat zij door geweld om het leven is gekomen en dat haar lichaam sporen vertoonde van steek- en/of snijletsel in de linker borstkas en dat er ook sprake was van letsel aan het hoofd en de kaak. 7.2 Het verloop van het DNA-onderzoek 7.2.1 Inleiding. Bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting lag de kern van het door het openbaar ministerie gepresenteerde DNA-bewijs in een rapport van het NFI uit 2013 waarvan de strekking was dat er sterk statistisch bewijs was voor de veronderstelling dat twee bemonsteringen van de anus van het slachtoffer (AWA059#04 en AWA059#06) en één bemonstering van het kruis van de slip van het slachtoffer (AUA106#02) biologisch celmateriaal van verdachte bevatten. Het NFI kwam ten aanzien van de twee bemonsteringen van de anus tot de uitspraak dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonsteringen DNA van verdachte bevatten dan als de bemonsteringen geen celmateriaal van verdachte bevatten. Bij de bemonstering van de slip kwam het NFI tot de uitspraak extreem veel waarschijnlijker. Op verzoek van de verdediging heeft contra-onderzoek plaatsgevonden door R. Eikelenboom, forensisch wetenschappelijk onderzoeker bij het onderzoeksinstituut IFS (Independent Forensic Services). Deze werd benoemd als deskundige. Eikelenboom heeft de DNA-sporen die door het NFI waren veiliggesteld en onderzocht – en dat zijn er veel meer dan de eerder genoemde twee anale sporen en het spoor van het kruis van de slip – opnieuw onderzocht. Eikelenboom heeft zijn onderzoek niet rechtstreeks kunnen verrichten aan de stukken van overtuiging (bijvoorbeeld sigarettenpeuken, haren, stukken textiel en wattenstaafjes), omdat deze niet meer aanwezig bleken te zijn, maar op de DNA-extracten die het NFI jaren eerder van die stukken van overtuiging had vervaardigd. Naast het onderzoek aan de extracten, heeft Eikelenboom de resultaten van de diverse DNA-onderzoeken van het NFI tegen het licht gehouden en bekeken of het DNA van verdachte in de diverse sporen naar voren komt. Ten aanzien van de drie hiervoor genoemde sporen waarvan het NFI had aangegeven dat er sterk statistisch bewijs is dat verdachte biologisch celmateriaal daaraan had bijgedragen, heeft ook Eikelenboom statistische berekeningen laten maken. Hierna zullen de diverse onderzoeken die het NFI en Eikelenboom aan de bemonsteringen hebben verricht, worden besproken. Daarna zal worden ingegaan op het berekenen van de bewijswaarde (paragraaf 7.2.3) en tot slot op de waardering daarvan (paragraaf 7.3). 7.2.2 Het onderzoek aan de bemonsteringen. 7.2.2.1 Aard van de sporen: sperma? Hiervoor is beschreven dat bij de sectie in 1995 onder meer wattenstaafjes van uitstrijkjes van de vagina en de anus door de patholoog-anatoom zijn veiliggesteld en dat deze samen met het kruis van een slip en een spijkerbroek van het slachtoffer bij het Gerechtelijk Laboratorium aangeboden zijn voor onderzoek. Het Gerechtelijk Laboratorium concludeerde in 1996 dat van het materiaal uit de vagina, de anus en het slipje geen of geen betrouwbaar DNA-profiel kon worden verkregen. De technische DNA-ontwikkelingen namen in de jaren daaropvolgend een enorme vlucht en in 2011 heeft het NFI (voorheen het Gerechtelijk Laboratorium) geïnventariseerd welke sporen bij eerdere onderzoeken zijn veiliggesteld en bewaard gebleven. Het NFI rapporteerde in augustus 2011 dat een deel van de wattenstaafjes bij het DNA-onderzoek van 1995/1996 was verbruikt en dat het resterende deel, alsmede ook de nog niet eerder onderzochte bemonsteringen onderzocht zijn op de aanwezigheid van bloed, sperma en speeksel en dat tevens een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het onderzoek op de aanwezigheid van bloed, sperma en speeksel in de bemonsteringen die in 1995 zijn veiliggesteld betrekt het NFI hetgeen het Gerechtelijk Laboratorium in 1996 daarover rapporteerde: Van het materiaal in de uitstrijkjes van de vagina en de anus werden microscooppreparaten vervaardigd (…). In de microscooppreparaten van het materiaal in de vagina, het slipje werden geen spermatozoa aangetroffen. In het preparaat van het materiaal uit de anus werd slechts een enkele cel waargenomen die een sterke overeenkomst vertoonde met de zogenaamde kop van een spermatozoön. Bovendien vertoonde het materiaal uit dit uitstrijkje een zwak positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase. Dit is een bestanddeel van spermaplasma en komt in hoge concentratie in menselijk sperma voor. Het NFI stelde in 2011 vast dat ten aanzien van bemonsteringen van de vagina AWA059NL#02 en AWA059NL#05 er een positieve aanwijzing is voor de aanwezigheid van spermavloeistof, evenals voor bemonsteringen van het kruis van de slip AUA106#02 en AUA106#03 en het kruis van de spijkerbroek, te weten AUA107#09, AUA107#12 en AUA107#16. Voorts zijn spermacellen waargenomen in de bemonstering van de anus AWA059#04 en van het kruis van de slip AUA106#02 en AUA106#03. Vervolgens heeft het NFI een speciale techniek (differentiële lysistechniek genoemd) op de bemonsteringen toegepast. Door deze techniek worden spermacellen gescheiden van de overige typen cellen, zoals bijvoorbeeld epitheelcellen van de vagina, de penis of de anus. Aldus ontstaan twee delen (fracties genoemd): een stringente lysisfractie (aangeduid met SF), waarin zich het DNA van de spermacellen bevindt, en een milde lysisfractie (aangeduid met NF), waarin zich het DNA van de overige cellen bevindt. Uit beide delen wordt het DNA geïsoleerd, met als resultaat een heldere vloeistof die DNA-extract wordt genoemd. Het NFI heeft van de stringente lysisfracties AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen. 7.2.2.1.1 Tussenconclusie Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat in de vagina van het slachtoffer, het kruis van de slip en het kruis van de spijkerbroek spermavloeistof is aangetroffen en dat in de anus en het kruis van de slip van het slachtoffer sperma is aangetroffen. Dat betekent dat de drie sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02, zijn aan te merken als spermasporen. 7.2.2.2 DNA-onderzoeken van het NFI. Het NFI heeft uit de stukken van overtuiging het DNA geïsoleerd. De aldus verkregen DNA-extracten (heldere vloeistof) heeft zij geanalyseerd. DNA-analyse is een chemisch proces met als resultaat een DNA-profiel, ook wel piekenprofiel genoemd. Dat is een grafische weergave van het DNA. Omdat het NFI constateerde dat er weinig DNA was in de diverse sporen heeft het NFI DNA-onderzoek gedaan met de zogenoemde LCN-methode. LCN staat voor ‘Low Copy Number’. Met deze methode is voor het verkrijgen van een DNA-profiel slechts een gering aantal DNA-moleculen (dus een gering aantal cellen) nodig. Het NFI rapporteert vervolgens: Hoewel met deze extreem hoog gevoelige methode vaak meer DNA-kenmerken zichtbaar worden is een nadeel dat de resultaten minder goed reproduceerbaar en dus minder betrouwbaar kunnen zijn dan de resultaten die met de standaard DNA-analyse zijn verkregen. Een van de situaties die tot een mindere betrouwbaarheid van de resultaten kunnen leiden is een effect dat in het vakjargon van de DNA-deskundigen allele drop-out wordt genoemd (letterlijk te vertalen als: het uitvallen van een kenmerk). Doordat slechts van een zeer klein aantal cellen DNA aanwezig is, kan het voorkomen dat niet allebei de kenmerken van een bepaald locus worden vermeerderd (gekopieerd) maar slechts één of soms zelfs geen van beiden. Dit effect wordt door het toeval bepaald en heeft tot gevolg dat soms van een locus slechts één piek of helemaal geen piek zichtbaar is in het DNA-profiel. Om (onder andere) dit effect te herkennen wordt eenzelfde extract meerdere malen aan (LCN)-DNA-analyse onderworpen. Dan kan worden vastgesteld of een waargenomen piek ook bij een nieuwe analyse – en dus een nieuw vervaardigd piekenprofiel - zichtbaar is. In de woorden van DNA-deskundigen: of een eenmaal waargenomen piek reproduceerbaar is. NFI-deskundige Koopman heeft ter zitting verklaard dat van de twee sporen van de anus en het spoor van de slip om die reden steeds meerdere DNA-profielen zijn gemaakt. Er is dan van het extract steeds een deel genomen en ieder deel is apart geanalyseerd waardoor er van hetzelfde extract meerdere piekenprofielen verkregen zijn. De opvolgend verkregen piekenprofielen worden ‘replica’s’ genoemd. Het NFI heeft vele bemonsteringen onderzocht, maar van de meeste sporen zijn geen of geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen. Drie sporen bleken voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt: de eerder genoemde sporen AWA059#04 en AWA059#06 (beide van de anus) en AUA106#02 (van het kruis van de slip). Het NFI ziet in zijn rapport uit augustus 2011 ten aanzien van deze drie sporen aanwijzingen dat minimaal twee personen, waarvan minimaal één man celmateriaal aan die sporen hebben bijgedragen. In oktober 2011 heeft het NFI het DNA van [getuige 12] in het DNA-onderzoek betrokken. Hij was in de maanden voor haar overlijden het vriendje van [slachtoffer] . [getuige 12] heeft verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan de verdwijning van [slachtoffer] verkering met haar had en dat ze regelmatig seksueel contact hebben gehad, bestaande uit geslachtsgemeenschap en dat dat zonder condoom kan zijn geweest. Ook in de week voorafgaand aan de verdwijning van [slachtoffer] hadden ze dergelijk seksueel contact. Ten aanzien van twee sporen rapporteert het NFI dat [getuige 12] niet kan worden uitgesloten. In het rapport van 18 december 2012 wordt vervolgens het DNA van de in beeld gekomen verdachte betrokken in het vergelijkend DNA-onderzoek. Het NFI rapporteert dat in deze DNA-mengprofielen ten aanzien van dezelfde sporen verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen van de anusuitstrijkjes AWA059#04 en AWA059#06 en AUA106#02 van het slipje van het slachtoffer. Het NFI maakt daarbij wel de kanttekening dat in deze DNA-mengprofielen niet alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte zichtbaar zijn. In het herzien NFI-rapport van 1 oktober 2013 worden de DNA-profielen van verdachte, [getuige 12] en van [slachtoffer] betrokken bij een vergelijkend DNA-onderzoek. De DNA-profielen van de drie sporen worden beschouwd als complexe, onvolledige DNA-mengprofielen. Dat betekent dat: de sporen celmateriaal van meer dan één persoon bevatten (mengprofiel); niet alle kenmerken van de onderzochte loci te bepalen zijn (onvolledig); ze niet eenduidig zijn te herleiden tot afzonderlijke, enkelvoudige DNA-profielen (complex). Omdat het gaat om complexe onvolledige DNA-mengprofielen en dus niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn, is een ‘standaard’ statistische berekening niet mogelijk, aldus het NFI. In het rapport wordt door het NFI per spoor een verbale uitspraak gedaan over de bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek ten aanzien van [verdachte] , zoals hiervoor weergegeven. De uitspraak ‘extreem veel waarschijnlijker’ valt in de hoogste categorie en correspondeert met een likelihood ratio van meer dan een miljoen ( > 1.000.000). De uitspraak zeer veel waarschijnlijker valt in de categorie daaronder, namelijk 10.000-1.000.000. 7.2.2.3 Het onderzoek van deskundige Eikelenboom. Net als het NFI heeft ook Eikelenboom de DNA-extracten geanalyseerd. Het NFI in 2011, Eikelenboom in 2015. Het NFI heeft daarvoor een andere chemische methode gebruikt dan Eikelenboom. Beide methodes onderzoeken elk 15 persoonsonderscheidende plekken op het DNA. Zo’n plek wordt door DNA-wetenschappers een ‘locus’ genoemd (meervoud ‘loci’). De methodes hebben echter niet dezelfde 15 loci in het DNA onderzocht. Het komt erop neer dat tien dezelfde loci zijn onderzocht en daarnaast nog elk vijf verschillende loci per methode. Het resultaat van de analyse van de onderzochte persoonsonderscheidende loci is het DNA-profiel, ook wel piekenprofiel genoemd. Ieder mens heeft op elk locus twee kenmerken: één dat van de biologische vader is overgeërfd en één dat is overgeërfd van de biologische moeder. Eikelenboom heeft de piekenprofielen die hij verkreeg na DNA-analyse van de extracten vergeleken met de piekenprofielen die het NFI had verkregen uit de door haar uitgevoerde analyses van extracten en komt tot de conclusie dat die overeenkomen. Hij merkt daarover in zijn rapport op: De DNA-resultaten verkregen door het NFI en IFS komen overeen. Dit betekent niet dat in alle gevallen exact dezelfde resultaten zijn verkregen maar op grond van de uitslagen kan worden gesteld dat er geen aanwijzingen zijn op [de rechtbank leest: voor] verwisseling van extracten. Volgens Eikelenboom heeft zijn onderzoek aan de extracten echter veel minder informatie opgeleverd dan het onderzoek van het NFI aan de extracten. Anders gezegd, zijn onderzoek heeft piekenprofielen voortgebracht waarin (veel) minder kenmerken van een spoor zichtbaar waren dan in de piekenprofielen van het NFI. De verklaring die hij hiervoor heeft gegeven is dat de extracten ten tijde van zijn onderzoek (in 2015) weer meer waren verouderd dan toen het NFI zijn onderzoek (in 2011) deed, waardoor het DNA mogelijk meer was afgebroken. Deskundige Koopman van het NFI heeft bevestigd dat dit de oorzaak kan zijn. Eikelenboom heeft de resultaten van zijn DNA-onderzoeken van de extracten, maar ook die van alle NFI-onderzoeken van de extracten, in tabellen gezet. Zo’n tabel bevat een numerieke weergave van een DNA-profiel. Verder heeft Eikelenboom de kenmerken van DNA-profielen van personen die in het strafrechtelijk onderzoek relevant zijn (referentieprofielen), ook in tabellen gezet. 7.2.3 Het berekenen van de bewijswaarde: de likelihood ratio. Het NFI heeft zijn bevindingen dat er – kort gezegd – sprake was van sterk statistisch bewijs dat de drie sporen biologisch celmateriaal van verdachte bevatten gebaseerd op de likelihood ratio-methode. Deze methode berekent de kans op het waarnemen van het verkregen DNA-mengprofiel onder – meestal – twee elkaar uitsluitende hypothesen. Eén hypothese luidt dan dat de bemonstering (van het spoor) celmateriaal van verdachte bevat en de andere hypothese luidt dan dat de bemonstering geen celmateriaal van verdachte bevat. Een speciaal daarvoor ontworpen computerprogramma berekent hoe groot de kans is het verkregen DNA-mengprofiel waar te nemen in het geval de ene hypothese waar is en daarnaast berekent men die kans voor de andere hypothese. De verhouding tussen deze twee kansen krijgt men door ze op elkaar te delen. De uitkomst is de likelihood ratio (aannemelijkheidsquotiënt). Bij de berekening van de statistische bewijswaarden zijn ten aanzien van de sporen AUA106#02 en AWA059#04 de volgende twee sets van hypothesen door het NFI gehanteerd. 1e set hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte en van twee onbekende personen (AVA+2NN) versus hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen (3NN). 2e set hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte, [getuige 12] en van een onbekende persoon (AVA+RAAM+NN) versus hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van [getuige 12] en van twee onbekende personen (RAAM+2NN). Bij de berekening van spoor AWA059#06 is alleen gerekend met de eerste set. 7.2.3.1 De berekening van het NFI. Het NFI heeft dergelijke berekeningen voor alle drie sporen gemaakt met behulp van een door haar zelf ontworpen computerprogramma, genaamd LRMix. Het is op grond van de uitkomsten van dat computerprogramma dat het NFI sterk statistisch bewijs tegen de verdachte rapporteerde in oktober 2013, onder verantwoordelijkheid van deskundige Koopman. Het NFI komt ten aanzien van twee bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en AWA059#06) tot de uitspraak dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van de verdachte bevat dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte bevat en bij de bemonstering van het kruis van de slip (AUA106#02) tot de uitspraak extreem veel waarschijnlijker. 7.2.3.2 De berekening van Eikelenboom. Eikelenboom heeft het statistisch analyseren van de sporen uitbesteed aan het in de Verenigde Staten gevestigde Cybergenetics dat voor het analyseren van complexe DNA-mengprofielen een computermodel onder de naam TrueAllele heeft ontworpen. Eikelenboom heeft alleen de DNA-profielen die het NFI had verkregen aan een statistische analyse met TrueAllele onderworpen, niet de DNA-profielen die hij zelf uit de extracten had verkregen. Reden daarvoor was – zoals hiervoor besproken – dat bij zijn onderzoek minder kenmerken van de sporen zichtbaar waren geworden dan in de DNA-profielen van het NFI. Eikelenboom heeft aan de door Cybergenetics verkregen statistische resultaten de volgende conclusies verbonden: AWA059#04SF Op grond van de analyse met behulp van TrueAllele is er geen steun voor de hypohese dat verdachte DNA heeft bijgedragen. AWA059#06SF Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 58.600 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen. AUA106#02SF Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 342 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er enige steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen. 7.2.3.3 Een verklaring voor de verschillende uitkomsten. De uitkomsten van de statistische analyse met TrueAllele zijn duidelijk afwijkend van de uitkomsten van de statistische analyse die het NFI heeft verricht met zijn computermodel LRMix. De likelihood ratio’s die LRMix had berekend waren vele malen hoger dan de likelihood ratio’s die TrueAllele had berekend. Kort gezegd: volgens de berekening met LRMix was het bewijs tegen verdachte sterker dan volgens de berekening met TrueAllele. De rechtbank heeft op de terechtzitting van 9 en 10 november 2015 onderzocht hoe het mogelijk is dat het gebruik van de computermodellen, LRMix en TrueAllele tot zulke verschillende uitkomsten heeft geleid, terwijl toch in beide gevallen de DNA-profielen van het NFI voor die berekening zijn gebruikt. Ter terechtzitting zijn de deskundigen J. Koopman, DNA-deskundige werkzaam bij het NFI, en de hiervoor genoemde deskundige Eikelenboom, die het contra-onderzoek heeft verricht, gehoord. 7.2.3.3.1 Kritiek Eikelenboom: subjectieve inschattingen door het NFI. Deskundige Eikelenboom heeft ter zitting naar voren gebracht dat het computermodel TrueAllele allerlei parameters zelf bepaalt, maar dat er bij LRMix sprake is van subjectieve inschattingen door de deskundige. Dat geldt niet alleen ten aanzien van de inschatting van het aantal donoren, maar vooral ten aanzien van de inschatting van de kans op ‘allele drop-out’. Deskundige Eikelenboom heeft ter terechtzitting als verklaring geopperd dat het computermodel TrueAllele zelf berekent of en in hoeverre er rekening gehouden mag of moet worden met allele drop-out, terwijl bij de toepassing van het computermodel LRMix het de deskundige is die in de computer moet invoeren met welk percentage allele drop-out het programma rekening moet houden. Volgens hem is hiermee een subjectief element in de berekening geslopen en zijn de resultaten van LRMix om die reden minder betrouwbaar. Deskundige Koopman heeft bevestigd dat bij gebruik van het programma LRMix de deskundige zelf de hoeveelheid ‘allele drop-out’ moet inschatten en invoeren. Koopman heeft verklaard: “Wij schatten enkele parameters in. De eerste is het aantal donoren. Zoals al besproken zijn het NFI en IFS het niet oneens over het aantal donoren. De andere parameter is de allelic dropout waarde.” Bij het bezien van de DNA-profielen van de drie sporen is volgens Koopman buiten twijfel dát er sprake is van allele drop-out. Zij is van mening dat een DNA-deskundige heel goed in staat is om verantwoord in te schatten hoe groot het percentage allele drop-out is. Dát er sprake is van allele drop-out wordt ook niet door Eikelenboom betwist. Verder heeft Eikelenboom erkend dat ook TrueAllele subjectieve aannames doet. Bij de wijze waarop zij [de rechtbank: Cybergenetics] de kans op allelic drop-out inschatten komt wel enige subjectiviteit kijken. Wat de aannames zijn en hoe die meegewogen worden in de berekening kon Eikelenboom niet zeggen: “Ik weet niet wat het programma precies voor aannames doet. Het is een beetje een black box.” Eikelenboom heeft verder verklaard: “Cybergenetics screent alle losse profielen en vervolgens hebben zij de beste replica, waarin dus de meeste informatie zit, gebruikt en daarop heeft de analyse plaatsgevonden. (…) Hoe de selectie wordt gemaakt en hoe tot de likelihood ratio gekomen wordt, is mij niet helemaal duidelijk.” 7.2.3.3.2 Kritiek Koopman: TrueAllele heeft met één replica, het poolprofiel, gerekend. Deskundige Koopman heeft zich ter zitting positief uitgelaten over het computermodel TrueAllele. Anders dan LRMix (een binair model) ‘ziet’ TrueAllele (een continu-model) niet alleen of er een piek is op een locus, maar ook de hoogte van de piek waardoor TrueAllele in staat is meer informatie uit het DNA-profiel mee te nemen. Koopman heeft verklaard: “(…) De bewijskracht die TrueAllele kan leveren is dus hoger dan de bewijskracht die ons programma kan leveren maar alleen als de piekhoogte werkelijk iets zegt in het mengprofiel.” Een hoge piek betekent dan veel DNA en een lage piek weinig. Volgens Koopman geeft de piekhoogte in de van de drie sporen verkregen profielen echter in dit geval, nu feitelijk maar met slechts één replica is gerekend, niet zoveel informatie, omdat de profielen met de LCN-methode zijn verkregen. Bij deze methode, die wordt ingezet wordt als er zeer weinig DNA is aangetroffen, kan het dan voorkomen dat de ene keer een piek hoog is terwijl in een andere replica van het spoor de piek niet eens wordt waargenomen. De meerwaarde is om die verschillende replica’s samen te voegen, omdat je dan kan meenemen dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen. Juist dat is de informatie die waardevol is in deze analyse en die informatie mis je als je maar één replica bekijkt. Het samenvoegen [de rechtbank begrijpt: zoals in het poolprofiel is gebeurd] heeft weinig invloed op de piekhoogte, omdat het een LCN-techniek betreft. Als alle replica’s van een spoor in de berekening zouden worden betrokken, dan zou ze zich geen zorgen maken, want ze weet dat het een goed programma is, aldus Koopman. Samengevat zegt Koopman: “Mijn kritiek op TrueAllele is helder: één replica gebruiken in plaats van de hele dataset en daarnaast de piekhoogte meenemen, die wat mij betreft onbetrouwbaar is.” Op de kritiek van Koopman dat de piekhoogte-informatie bij de LCN-methode niet meer betrouwbaar is, omdat er zoveel vermeerderingsstappen hebben plaatsgevonden, heeft deskundige Eikelenboom ter terechtzitting geantwoord: “De piekhoogte speelt een rol, zeker bij LCN. TrueAllele houdt ook rekening met piekhoogte, maar het houdt rekening met zeven andere parameters. De computer kijkt hoe stabiel het profiel is.” Op de vraag hoe de computer dat dan weegt, kon de deskundige Eikelenboom geen antwoord geven. Eerder had Eikelenboom gezegd: “Deskundige Koopman heeft gelijk als zij stelt dat het in één profiel moeilijker is te zien of de piekhoogtes stabiel zijn, maar het programma doet meer dan alleen naar piekhoogtes kijken” , Daar komt bij, volgens Koopman, dat Eikelenboom het poolprofiel heeft gebruikt om met het computerprogramma TrueAllele de statistische bewijskracht te berekenen. Koopman heeft aangegeven hoe het NFI dit poolprofiel destijds had verkregen: na de isolatie van het DNA werden vier monsters uit het extract genomen, elk van deze monsters werden vermeerderd (gekopieerd) waarna deze producten werden samengevoegd. Dit chemisch samengevoegde extract is vervolgens geanalyseerd en daaruit is een profiel verkregen: het poolprofiel. Het poolprofiel is dus een samengevoegd (chemisch) extract van de verschillende individuele replica’s. Het is als het ware een samenvatting van alle replica’s bij elkaar, aldus Koopman. Het NFI heeft het poolprofiel niet gebruikt voor de berekening. Volgens Koopman echter leidt de berekening van alleen het poolprofiel tot een onbetrouwbaar resultaat. De data die uit poolprofielen blijken zijn niet onafhankelijk van de data van de replica’s (alle kenmerken uit de individuele replica’s komen terug in het poolprofiel) waardoor het computermodel de kans op drop-out ten onrechte als zeer klein inschat en dit de uitkomst van de berekening beïnvloedt, volgens Koopman. Eikelenboom heeft bevestigd dat het computermodel TrueAllele van slechts één replica gebruik heeft gemaakt. Hij heeft alle data van het NFI aangedragen en Cybergenetics heeft het poolprofiel uitgekozen. Eikelenboom acht de berekening echter wel degelijk betrouwbaar, omdat deze gebaseerd was op het profiel dat de meeste informatie bevatte. Te zien is dat alle kenmerken die bij elkaar worden geschraapt in alle individuele profielen, dat die ook weer terugkomen in het poolprofiel, aldus Eikelenboom. Koopman heeft daar als volgt op gereageerd: “Het gaat niet om het uitkiezen van de beste replica. Het gaat er juist om dat ze alle vier in de berekening worden betrokken”. 7.2.3.4 De benoeming en de berekening van deskundige Buckleton. De grote verschillen in de berekende likelihood ratio tussen het computermodel LRMix enerzijds en TrueAllele anderzijds, alsmede de discussies ter terechtzitting over de mogelijke oorza(a)k(
  10. en)daarvan, hebben de rechtbank er eind 2015 toe gebracht om een deskundige te (doen) benoemen aan wie zou worden opgedragen de statistische bewijswaarden van de DNA-profielen die het NFI had verkregen van de bemonsteringen AUA106#02SF, AWA059#04SF en #06SF te onderzoeken met behulp van een van de weinige andere in de forensische wereld beschikbare computermodellen. Omdat zowel het NFI als Eikelenboom in het deskundigenverhoor hadden aangegeven dat een continu model meer informatie uit DNA-profielen kan halen dan een binair model, bepaalde de rechtbank dat het moest gaan om een deskundige die werkt met het continue model STRmix. Zowel Eikelenboom als Koopman hadden ter terechtzitting hun vertrouwen in dit computermodel uitgesproken. Koopman heeft erover gezegd: “Star-Mix is een piekhoogtemodel dat vergelijkbaar is met TrueAllele, maar kan wel met verschillende replica's rekenen. Star-Mix wordt regulier gebruikt in onderzoeken in Australië en Nieuw-Zeeland”. Eikelenboom heeft verklaard dat: “zeker bij dit soort complexe profielen het goed is om verschillende programma’s naast elkaar te laten rekenen en de resultaten te vergelijken.” De rechter-commissaris heeft vervolgens J.S. Buckleton, hoofdwetenschapper bij het Institute of Environmental Science and Research (ESR) in Nieuw Zeeland tot deskundige benoemd. Deskundige Buckleton heeft met het computermodel STRMix de likelihood ratio’s berekend onder dezelfde hypothesen als de hypothesen die het NFI had opgesteld. Op de terechtzitting van 13 juni 2016 zijn de deskundigen Koopman, Eikelenboom en Buckleton gehoord. Over de werking van het computerprogramma STRMix heeft Buckleton op die terechtzitting verklaard dat het programma zelf vanuit het profiel berekent of en in hoeverre er rekening gehouden mag of moet worden met allele drop-out. Buckleton heeft in totaal drie rapporten uitgebracht. Na zijn eerste rapport van 16 april 2016 heeft Buckleton geconstateerd dat bij de berekeningen één kenmerk (allel) van het referentieprofiel van verdachte en één kenmerk van het referentieprofiel van [getuige 12] onjuist in het computerprogramma waren ingevoerd. Dit heeft geleid tot een nieuw rapport van 3 juni 2016. Voor twee van de vijf onderzochte hypothesen zijn de gepresenteerde likelihood ratio’s in dit nieuwe rapport hoger dan in het rapport van 16 april 2016. Tijdens het deskundigenverhoor op de terechtzitting is gebleken dat Buckleton bij elk van de onderzochte sporen één replica minder in zijn computerprogramma STRMix had ingevoerd dan het NFI had gedaan. Dit berustte op een miscommunicatie over de bruikbaarheid van die betreffende replica’s. Om een scherpere vergelijking mogelijk te maken tussen de resultaten van het programma LRMix en die van het programma STRMix heeft de rechtbank aan Buckleton opgedragen de berekeningen voor twee sporen (AWA059#04SF en AWA059#06SF) opnieuw te maken met gebruikmaking van de eerder buiten beschouwing gelaten replica. Aldus zou de berekening gaan berusten op dezelfde replica’s als die door het NFI waren gebruikt. Buckleton heeft vervolgens op 5 augustus 2016 nogmaals gerapporteerd. Uit dat rapport blijkt dat het herhalen van de berekeningen met gebruik van de eerder buiten beschouwing gelaten replica tot andere uitkomsten heeft geleid: de likelihood ratio wordt hoger. Anders gezegd: de waarschijnlijkheid dat het celmateriaal van verdachte in de sporen zit neemt toe. Ten aanzien van spoor AUA106#02SF presenteert STRMix likelihood ratio’s van 2,28 miljoen en 168 miljoen, ten aanzien van spoor AWA059#04SF is dat 5,4 miljoen en 2,08 miljard en tot slot ten aanzien van AWA059#06SF (waar met één set hypotheses was gerekend) een likelihood ratio van 23.900. De rechtbank heeft geconstateerd dat Buckleton met de eerder weggelaten replica niet enkel de sporen AWA059#04SF en AWA059#06SF heeft herberekend, maar ook spoor AUA106#02SF. Dit laatste was door de rechtbank niet opgedragen, omdat de niet gebruikte replica voor dat spoor volgens Koopman een mislukte replica betrof en zij zich uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld dat deze replica niet in de berekening betrokken moest worden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door Buckleton desondanks berekende hogere bewijswaarde voor spoor AUA106#02SF buiten beschouwing te laten. Niettegenstaande de verkeerde invoer van allelen en de miscommunicatie over replica’s, hebben Koopman en Eikelenboom ter terechtzitting hun vertrouwen in de deskundigheid van Buckleton uitgesproken. Koopman heeft verklaard: “Buckleton heeft fouten gemaakt in zijn eerste rapport. Het zijn ook ernstige en vervelende fouten. Buckleton is echter wel een van de meest vooraanstaande DNA-statistici die met deze modellen werken. Ik heb veel waardering voor zijn rapport, de wijze waarop hij zijn resultaten heeft gepresenteerd en dat hij duidelijk heeft aangegeven waar hij twijfels over heeft.” Eikelenboom heeft verklaard: “De deskundigheid van Buckleton staat zeker niet ter discussie. Met Mark Perlin [rechtbank: de ontwerper van TrueAllele] is hij één van de weinige mensen in de wereld die een welgefundeerde mening over dit soort onderwerpen hebben.” Ook de rechtbank ziet in de verkeerde invoer van allelen en de miscommunicatie over replica’s geen reden om de resultaten van de berekeningen die Buckleton met het programma STRMix heeft gemaakt in twijfel te trekken. De foutieve invoer van allelen is door Buckleton zelf ontdekt en weer hersteld, hij is daarover volledig transparant geweest en hij heeft daarover uitleg gegeven (dat het een foutieve handmatige invoer betrof). 7.2.3.5 Vergelijking van de resultaten van de drie computermodellen LRMix, TrueAllele en STRMix. Na het verhoor van de deskundigen ter terechtzitting van 13 juni 2016, heeft Buckleton – zoals hiervoor vermeld – op 5 augustus 2016 nieuwe puntschattingen gerapporteerd, nadat hij nieuwe berekeningen had gemaakt met de eerder buiten beschouwing gelaten replica’s. Ook Koopman heeft een nieuw (NFI-)rapport uitgebracht. In het NFI-rapport van 12 juli 2016 zijn nieuwe berekeningen gepresenteerd met het programma MixCal, volgens Koopman een verbeterde computerversie van LRMix. In plaats van een schaal van getallen werden nu puntschattingen (concrete getallen) gepresenteerd. De rechtbank stelt vast – uitlatingen van de deskundigen ter terechtzitting over de orde van grootte van de likelihood ratio’s indachtig – dat na de laatste berekeningen door Buckleton en Koopman, gepresenteerd in hun aanvullende rapporten, de uitkomsten van hun berekeningen ten aanzien van de statistische bewijswaarden, in dezelfde orde van grootte liggen. Van de resultaten van TrueAllele (Eikelenboom) kan niet gezegd worden dat ze in dezelfde orde van grootte liggen als die van LRMix en/of STRMix. De vraag rijst wat dit nu betekent voor de uitkomsten van de berekeningen die Eikelenboom heeft gerapporteerd. De rechtbank heeft de drie deskundigen op die terechtzitting bevraagd over deze uiteenlopende resultaten en de betrouwbaarheid van de gebruikte computermodellen. De deskundigen zoeken de oorzaak van die uiteenlopende resultaten niet in de onbetrouwbaarheid van één van de computermodellen. Eikelenboom heeft verklaard: “De drie programma’s werken op verschillende wijzen. Ik heb vertrouwen in alle drie programma's. Hun berekeningen zijn correct (mits geen invoerfouten). De verschillen zijn verklaarbaar door de opbouw van de verschillende software en door hun gebruik van profielen. Alle profielen bevatten verschillende informatie. Als de programma’s verschillende informatie gebruiken, dan zullen ze ook verschillende getallen geven.” Volgens Koopman is STRMix van Buckleton, net als TrueAllele waarvan Eikelenboom gebruik maakt, een piekhoogtemodel. Dat model neemt naast de aanwezigheid van pieken ook de piekhoogte mee in de berekening van de statistische bewijswaarde. Echter, bij LCN-DNA-onderzoek (waarbij sprake is van weinig DNA en veel vermeerderingsstappen), is de piekhoogte weinig betrouwbaar, omdat deze nogal grillig is per replica. Het model van Buckleton leest al die verschillende replica’s in. Dat is het voordeel ten opzichte van TrueAllele, dat maar met één replica tegelijk werkt, aldus Koopman. Eikelenboom heeft ter terechtzitting wederom benadrukt dat hij aan het poolprofiel heeft laten rekenen, omdat dit profiel het meeste informatie bevatte. Hij is het met Koopman eens dat bij LCN-DNA-onderzoek de piekhoogte minder informatief is, maar volgens hem gebruiken de continue modellen (zoals TrueAllele) veel meer informatie dan alleen de piekhoogte. Er wordt naar meer gekeken dan alleen de piekhoogte. Buckleton heeft bevestigd dat het mogelijk is dat de verschillen tussen TrueAllele en STRmix verklaard zouden kunnen worden doordat TrueAllele maar met één replica werkt en STRmix met meerdere. Buckleton heeft verklaard: “Koopman benadrukt het belang van replica’s en daarin heeft ze gelijk. Replica’s zijn zeer waardevol bij low template DNA.” Aan de deskundige Buckleton is gevraagd hoe hij de volgende uitgangspunten van de beide deskundige beoordeelt: Koopman heeft verklaard dat piekhoogte niet zo belangrijk is, maar dat het relevant is om aan verschillende replica’s te rekenen; Eikelenboom heeft verklaard dat het poolprofiel het meest informatief is. Deskundige Buckleton heeft dienaangaande verklaard: “Alles in aanmerking genomen denk ik dat het standpunt van Koopman correcter is aangaande het benadrukken van het belang van replica's.” Buckleton heeft verder nog verklaard: “Ik begrijp TrueAllele niet. Ik vertrouw niet op het resultaat van TrueAllele. De voorzitter vraagt mij wat er gebeurd zou kunnen zijn. Ik begrijp TrueAllele niet, dus ik kan deze vraag niet beantwoorden. (…) Ik weet niet waarom TrueAllele zo’n significant lager getal krijgt dan STRmix”. (…) “Het feit dat TrueAllele wel alleen aan het poolprofiel heeft gerekend, zou het verschil in getallen mogelijk kunnen verklaren”. 7.2.3.6 De keuze van de rechtbank voor het NFI en Buckleton. De rechtbank stelt vast dat de deskundigheid van Buckleton en de betrouwbaarheid van zijn gebruikte computermodel STRmix niet ter discussie staan. Buckleton heeft met een computermodel gerekend dat net als TrueAllele van Cybergenetics (door Eikelenboom ingeschakeld) een continu-model is dat zelf vanuit het profiel de drop-out ratio bepaalt. Daarmee is aan één van de kritiekpunten van Eikelenboom op de uitkomsten van de NFI-berekeningen, te weten dat het NFI subjectieve aannames heeft gedaan, tegemoet gekomen. De rechtbank stelt verder vast dat het computermodel van Buckleton gerekend heeft met meerdere replica’s per spoor. De uitkomsten uit zijn laatste rapport zijn verkregen door bij de berekening van de statistische bewijswaarde dezelfde replica’s te betrekken als waarmee het NFI heeft gerekend. Daarmee is tegemoet gekomen aan het voornaamste bezwaar dat Koopman had tegen de berekeningen van Eikelenboom, te weten dat slechts met één replica is gerekend. De rechtbank stelt bovendien vast dat Buckleton ter terechtzitting Koopman heeft ondersteund in haar visie dat het van belang is te rekenen met meerdere replica’s en dat het rekenen aan slechts het poolprofiel het verschil in getallen zou kunnen verklaren. De rechtbank kan Koopman volgen in haar stellingname dat één replica te weinig is om de stabiliteit van het profiel in relatie tot de betrouwbaarheid van de piekhoogten te toetsen en verder dat daarvoor zeker niet het poolprofiel moet worden gebruikt omdat het model dan de allele drop-out te laag zal inschatten. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de uitkomsten van berekeningen van Buckleton ten aanzien van de statistische bewijswaarden, de bevindingen van het NFI uit het rapport van 1 oktober 2013 bevestigen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe NFI-berekeningen met het programma MixCal: de resultaten liggen in dezelfde orde van grootte. De resultaten van TrueAllele (Eikelenboom) wijzen weliswaar naar verdachte als degene die celmateriaal aan twee sporen heeft bijgedragen, maar niet kan worden gezegd dat ze in dezelfde orde van grootte liggen als die van LRMix en/of STRMix. 7.2.3.7 Tussenconclusie Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat – niettegenstaande de betrouwbaarheid van het computermodel TrueAllele op zichzelf beschouwd – de likelihood ratio’s die met dit programma zijn berekend als onvoldoende betrouwbaar moeten worden beschouwd. De rechtbank acht de likelihood ratio’s zoals het NFI en Buckleton die hebben berekend, voldoende betrouwbaar. 7.2.4 Intermezzo. Hiervoor is verwoord dat de DNA-profielen van de sporen van de anus (AWA059#04SF en #06SF) en de slip (AUA106#02SF) complexe, onvolledige DNA-mengprofielen betreffen: in geen enkel DNA-profiel zijn alle kenmerken van de onderzochte loci te bepalen (onvolledig) en de sporen zijn niet eenduidig te herleiden tot afzonderlijke, enkelvoudige DNA-profielen (complex), in dit geval van verdachte. De deskundige Eikelenboom heeft er in zijn rapport en ter terechtzitting voortdurend op gewezen dat men voorzichtig moet zijn om aan te nemen dat allele-drop-out de reden is dat die kenmerken van verdachte niet in het spoor terugkomen, zeker als het om DNA-mengprofielen gaat, waaraan tenminste drie personen hebben bijgedragen. Eikelenboom heeft daarbij het volgende standpunt ingenomen: om aan te nemen dat het verdachte is die DNA heeft bijgedragen heeft aan het spoor, is het bij complexe moordzaken wenselijk dat én een miljardenstatistiek wordt verkregen [de rechtbank begrijpt: een likelihood ratio hoger dan 1 miljard] én dat uit tenminste één van de sporen een volledige DNA-match met verdachte wordt verkregen [de rechtbank begrijpt: 30 kenmerken op de 15 loci]. De rechtbank onderkent het risico van het aannemen van allele-drop-out. Ook Koopman onderschrijft dit risico. Dát er sprake is van allele-drop-out is voor de deskundigen en ook voor de rechtbank een gegeven. Tegen die achtergrond dient het volgende. Omdat de rechtbank aan de hand van de door Eikelenboom vervaardigde tabellen geconstateerd had dat in de DNA-profielen die het NFI had vervaardigd andere kenmerken van het spoor zichtbaar waren geworden dan in de DNA-profielen die Eikelenboom had vervaardigd, heeft zij aan de deskundigen gevraagd of de resultaten van de beide onderzoeken samengevoegd kunnen worden. Koopman heeft geantwoord dat dat kan indien de DNA-profielen van Eikelenboom geschikt zijn voor vergelijkend DNA-onderzoek. Eikelenboom heeft geantwoord dat de door hem vervaardigde profielen daar absoluut geschikt voor zijn. Meer specifiek heeft de rechtbank aan de deskundigen gevraagd of DNA-kenmerken die verdachte wel bezit, maar die niet zichtbaar zijn in het DNA-profiel dat het NFI van het spoor heeft gemaakt, mogen worden aangevuld dan wel ingelezen indien die ontbrekende kenmerken wel zichtbaar zijn in de DNA-profielen die Eikelenboom van het spoor had vervaardigd. De deskundigen hebben geantwoord dat zo’n samenvoeging mogelijk is. Vervolgens heeft de rechtbank aan de hand van de door Eikelenboom gemaakte tabellen het volgende geconstateerd: I. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AUA106#02SF is op locus VWA kenmerk 18 niet aanwezig. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen is kenmerk 18 wél aanwezig. Verdachte heeft kenmerk 18 op dit locus. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan 29 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft. II. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AWA059#04SF is op locus D2S1338 kenmerk 26 niet aanwezig. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen is kenmerk 26 wél aanwezig. Verdachte heeft kenmerk 26 op dit locus. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan 28 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft. III. In het DNA-mengprofiel dat het NFI heeft verkregen van AWA059#06SF is op locus D2S1338 kenmerk 26 niet aanwezig. Ook is op locus D8S1179 kenmerk 12 niet aanwezig en op locus TH01 is kenmerk 9 niet aanwezig. Dit zijn kenmerken die verdachte op die loci heeft. In het DNA-profiel dat IFS heeft verkregen zijn op de genoemde loci die kenmerken wél aanwezig. Op 15 loci zijn in het mengprofiel dan alle 30 kenmerken aanwezig die verdachte ook heeft. Ten aanzien van de constatering onder III heeft de rechtbank aan de deskundigen gevraagd of dit invloed heeft op hun bevindingen. Koopman heeft geantwoord: “Het heeft zeker invloed op de bevindingen. Het bewijs op grond van het NFI-profiel is een zware steen op de weegschaal en de data van IFS voegt er nog wat aan toe. Hoeveel de weegschaal doorslaat moet echter worden berekend.” Eikelenboom heeft geantwoord: “Onder die aanname is het profiel compleet en dan ontstaat een volledige match en dan wordt het bewijs een stuk sterker dan wanneer de profielen los van elkaar gezien worden.” Ondanks het feit dat het samenvoegen van de onderzoeken die het NFI en Eikelenboom (IFS) hadden verricht, niet tot een andere berekening van de likelihood ratio’s heeft geleid, constateert de rechtbank dat aan de wens van de deskundige Eikelenboom – wat daar ook van zij – dat uit tenminste één van de sporen (te weten spoor AWA059#06SF) een volledige DNA-match met verdachte wordt verkregen (30 kenmerken op de 15 loci), voldaan is. 7.2.5 Tussenconclusie. Voor het antwoord op de vraag of zich in de sporen van de anus (AWA059#04SF en AWA059#06SF) en de slip (AUA106#02SF) celmateriaal van verdachte bevindt, acht de rechtbank de likelihood ratio’s zoals het NFI (Koopman) en Buckleton die met gebruik van de computermodellen LRMix/MixCal en STRMix hebben berekend voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de waardering van het statistisch bewijs. De likelihood ratio’s die zijn berekend met gebruik van het computermodel TrueAllele acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar. 7.3 De waardering van de likelihood ratio’s. 7.3.1 Weergave van de likelihood ratio’s. Na hiervoor te hebben overwogen en beslist welke likelihood ratio’s van de verschillende computermodellen als betrouwbare uitkomst kunnen gelden voor de waardering van het statistisch bewijs, zal de rechtbank in de hierna volgende tabel deze uitkomsten opsommen. In de tabel zijn afkortingen gebruikt voor het weergeven van de hypothesen waaronder de likelihood ratio is berekend. Dit zijn de volgende sets hypothesen: LR LR LR Spoor Hypothese 1 (Hp) Hypothese 2 (Hd) NFI 1 oktober 2013 Interval LRmix Puntschatting MixCal Puntschatting STRMix #02 Slip AVA+2NN 3NN Extreem veel waarschijnlijker (> 1 miljoen) Tussen 9 miljoen - 26 miljoen 50 miljoen 2,28 miljoen #02 Slip RAAM+ AVA+NN RAAM+ 2NN Extreem veel waarschijnlijker Tussen 1 miljard - 6 miljard 180 miljard 168 biljoen #04 Anus AVA+2NN 3NN Zeer veel waarschijnlijker (10.000 - 1 miljoen) Tussen 14.000-150.000 72 duizend 5,4 miljoen #04 Anus RAAM+ AVA+NN RAAM+ 2NN Zeer veel waarschijnlijker Tussen 120.000 – 1,7 miljoen 1 miljoen 2,08 miljard #06 Anus AVA+2NN 3NN Zeer veel waarschijnlijker Tussen 130.000 -470.000 1,2 miljoen 23.900 Hp = hypothese prosecutor; Hd = hypothese defence; AVA = AVA293 (DNA-profiel van verdachte zoals opgenomen in de landelijke DNA-databank); RAAM = RAAM5867NL (DNA-profiel van [getuige 12] ). NN = naam onbekend 7.3.2 De bewijswaarde van de likelihood ratio’s. De rechtbank stelt voorop dat de conclusie dat het DNA in de sporen afkomstig is van verdachte alleen dan gerechtvaardigd is indien de gevonden likelihood ratio’s daar in redelijkheid geen twijfel over laten bestaan. Voor spoor AUA106#02SF, afkomstig van de slip van het slachtoffer, hebben de deskundigen Koopman en Buckleton ieder met een ander computermodel een likelihood ratio berekend die (veel) hoger is dan 1 miljard. Dat betekent dat de resultaten van het DNA-onderzoek (het DNA-profiel van het spoor) meer dan een miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer het DNA in het spoor afkomstig is van verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurig gekozen onbekend persoon. Voor spoor AWA059#04SF, afkomstig van de anus van het slachtoffer, heeft deskundige Buckleton met het computermodel STRMix ook een likelihood ratio van (veel) meer dan 1 miljard berekend. Het NFI komt blijkens de tabel tot 1 miljoen. De likelihood ratio’s die in de puntschattingen worden genoemd door Buckleton (onder meer 168 biljoen; 2,08 miljard) en het NFI (onder meer 180 miljard; 1 miljoen) leiden tot getallen die vergelijkbaar zijn met frequentieberekeningen die bij enkelvoudige DNA-profielen met een match worden aangetroffen. Bij deze onderzoeken van enkelvoudige DNA-profielen wordt tegenwoordig door het NFI veelal het getal van 1 miljard genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze berekende likelihood ratio’s er in redelijkheid geen twijfel meer over bestaan dat verdachte niet alleen statistisch bezien, maar ook in werkelijkheid een bijdrage heeft geleverd aan de sporen aangetroffen in de anus en de slip. De rechtbank beoordeelt de uitkomsten van de statistische rekenmodellen van het NFI (LRMix) en van de deskundige Buckleton (STRMix) als betrouwbaar en bovendien zodanig dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal) van verdachte bevatten. 7.3.3 Eindconclusie. De drie sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 zijn aan te merken als spermasporen. Er zijn geen aanwijzingen voor verwisseling van extracten. Het NFI en deskundigen Eikelenboom en Buckleton hebben bij de berekening van de statistische bewijswaarden ten aanzien van de drie sporen de beschikking gehad over dezelfde DNA-profielen die door het NFI zijn verkregen. NFI en Buckleton hebben met dezelfde profielen gerekend. De uitkomsten van die berekeningen ten aanzien van de statistische bewijswaarden, liggen in dezelfde orde van grootte. De likelihood ratio’s die Eikelenboom heeft laten berekenen zijn onvoldoende betrouwbaar. De likelihood ratio’s zoals het NFI en Buckleton die met gebruik van de computermodellen LRMix/MixCal en STRMix hebben berekend zijn voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt te dienen voor de waardering van het statistisch bewijs en bovendien zodanig dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal) van verdachte bevatten. In het licht van het voorgaande stelt de rechtbank aldus vast dat de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF DNA (biologisch celmateriaal, te weten sperma) van verdachte bevatten. 7.4 Contaminatie of daderspoor? 7.4.1 DNA-kenmerken van een derde persoon. In de rapporten van het NFI wordt ervan uitgegaan dat een derde persoon DNA heeft bijgedragen aan de sporen van de slip en de anus. Het NFI rapporteerde in oktober 2013: Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon (niet zijnde [verdachte] , [getuige 12] of [slachtoffer] ). Vanwege de complexiteit van de DNA-mengprofielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn. Bij het berekenen van de statistische bewijswaarden van die bemonsteringen is het NFI er vervolgens steeds van uitgegaan dat de bemonsteringen DNA van drie personen bevatten. Ook Eikelenboom rapporteert over een derde onbekende die aan de bemonsteringen heeft bijgedragen, volgens hem een man: Een aantal DNA-kenmerken die zijn verkregen uit spermafracties van de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) matchen niet met de [verdachte] , de betrokkene [getuige 12] of het slachtoffer. Dit betekent dat waarschijnlijk een derde onbekende man DNA (sperma) aan deze bemonstering heeft bijgedragen. Zowel Koopman als Eikelenboom hebben hun bevindingen dat er DNA van een derde onbekende persoon in de sporen aanwezig is, aan de rechtbank toegelicht door er op te wijzen dat in de DNA-profielen van de sporen op meerdere loci 5 allelen/kenmerken zichtbaar zijn. Koopman heeft naar aanleiding daarvan naar voren gebracht dat bij het bepalen van het aantal donoren naar alle allelen wordt gekeken; het totaalbeeld. Zij heeft in dit kader verklaard: “Er wordt nu enorm gefocust op de vijf allelen die we in één replica hebben gezien. Als we verschillende replica’s maken, dan kunnen we ook het totale aantal allelen zien. Dan zien we op meerdere plaatsen vijf verschillende allelen op een locus. Die zijn niet allemaal in één replica, maar verspreid over meerdere replica's. Er zijn dus wel meer sterke aanwijzingen dat het een driepersoonsmengsel betreft dan alleen dit ene locus.” Deskundige Eikelenboom heeft zich daarbij aangesloten en verklaard dat hij en deskundige Koopman geen twijfel over het aantal donoren hebben en dat zij beiden uitgaan van drie donoren: “In ons onderzoek hebben we andere DNA-kits gebruikt. Als we de delen die overeen komen over elkaar leggen, dan zien we ook op meerdere locaties vijf kenmerken. (…). Nogmaals, over het aantal donoren twijfelen Koopman en ik niet.” Ten slotte heeft ook Buckleton aangenomen dat de DNA-profielen van de hiervoor bedoelde bemonsteringen van de anus en de slip erop wijzen dat drie personen DNA hebben bijgedragen. De rechtbank stelt vast dat de kenmerken van die derde persoon: zijn aangetroffen in de spermafractie – en niet de nucleaire fractie – van de diverse bemonsteringen; niet allemaal passen in het DNA-profiel van het slachtoffer. Ter toelichting het volgende. Bij het isoleren van het DNA uit de sporen waarvan werd vermoed dat deze sperma bevatten, is het DNA gescheiden in een spermafractie (de spermacellen) en een nucleaire fractie (overige cellen, waartoe ook epitheelcellen van het slachtoffer kunnen behoren). Het komt voor dat die scheiding niet geheel lukt waardoor er toch nog andere cellen dan spermacellen in de spermafractie aanwezig blijven. Om die reden lag het voor de hand om te bezien of de aangetroffen kenmerken die niet in het DNA-profiel van verdachte of [getuige 12] zouden passen, wellicht in het DNA-profiel van het slachtoffer passen. Dat bleek echter niet het geval. Een aanzienlijk deel van die kenmerken past niet in het profiel van het slachtoffer. Hiervoor heeft de rechtbank aan de hand van de statistische analyses van de DNA-profielen geconcludeerd dat verdachte en [getuige 12] sperma (en daarmee DNA) hebben bijgedragen aan de sporen. De constatering dat ook DNA van een derde persoon in de sporen aanwezig is, roept de vraag op of hieraan in bewijsrechtelijke zin gevolgen moeten worden verbonden. Wanneer is dat DNA bijgedragen en wat is het karakter van die bijdrage geweest? Ter beantwoording van die vraag heeft de rechtbank gezocht naar een verklaring voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon. 7.4.2 Contaminatie als mogelijke verklaring. Zowel Koopman als Eikelenboom hebben verklaard dat contaminatie een reële verklaring is voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon. De rechtbank begrijpt dat met contaminatie wordt bedoeld dat de sporen of de bemonsteringen besmet zijn geraakt met bijvoorbeeld het DNA van forensisch onderzoekers. Over hoe, waar en wanneer die contaminatie dan zou zijn ontstaan, hebben zij opmerkingen gemaakt waaruit de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat bij de mogelijkheid van contaminatie ook kanttekeningen kunnen worden geplaatst. Dit zijn de volgende kanttekeningen: a. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de wattenstaafjes die voor het veiligstellen van sporen zijn gebruikt met spermacellen zouden zijn besmet. Er moet daarom worden uitgegaan van contaminatie met andere cellen dan spermacellen. Hoewel bekend is dat niet-spermacellen kunnen doorlekken in de spermafractie, zullen bij een goed uitgevoerde stringente lysisfractie (scheiding van het DNA in een spermafractie en een nucleaire fractie) in een spermafractie alleen spermacellen te vinden zijn en geen andere cellen. De rechtbank heeft kunnen constateren – en ook Eikelenboom heeft daarop gewezen – dat niet alleen de eerder genoemde bemonsteringen van de anus (AWA059#04SF en #06SF) en de slip (AUA106#02SF) kenmerken van een derde persoon bevatten, maar ook een bemonstering van het kruis van de spijkerbroek (AUA107#11SF). Dit zijn alle spermafracties. Indien contaminatie de reden is van het aantreffen van kenmerken van een derde persoon, zou dit betekenen dat een aanzienlijk aantal van de extracten in het onderzoek besmet is geraakt. 7.4.3 Sperma van een derde man als mogelijke verklaring. De rechtbank stelt vast dat voor de deskundigen Koopman en Eikelenboom niet duidelijk is of de derde persoon die DNA-kenmerken heeft bijgedragen een man of een vrouw is. Evenmin is duidelijk of het in de diverse sporen/bemonsteringen steeds kenmerken van één en dezelfde persoon betreffen of juist van verschillende personen. Voorts kent de rechtbank gewicht toe aan de vaststelling dat ten aanzien van spoor AWA059#06 wordt uitgegaan van een mengprofiel van verdachte en twee onbekenden. Dat wijst er immers op dat er meer dan (louter) enkele kenmerken aan een derde persoon moeten worden toegeschreven, zoals wel het geval is bij de twee andere sporen waarin wordt uitgegaan van de aanwezigheid van DNA-materiaal van verdachte en [getuige 12] . De rechtbank is zich er van bewust dat [getuige 12] niet als donor aan spoor AWA059#06 is uitgesloten, maar het laat minst genomen de mogelijkheid open dat zelfs twéé andere personen naast verdachte (en niet een van hen zijnde [getuige 12] ) DNA-materiaal aan dat spoor hebben bijgedragen. Het kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden uitgesloten dat de (extra) DNA-kenmerken in de drie sporen, gelet op de locatie van de bemonsteringen en nu het de stringente lysisfractie betreft, afkomstig zijn van sperma dat door een derde persoon is bijgedragen bij een seksueel contact met het slachtoffer. 7.4.4 Conclusie. Er zijn meerdere mogelijke oorzaken voor het aantreffen van DNA-kenmerken van een derde persoon. Contaminatie van de sporen of van de bemonsteringen met DNA van personen die bij het opsporingsonderzoek betrokken waren is een mogelijke oorzaak. Een andere mogelijke oorzaak is dat een derde persoon sperma aan de sporen heeft bijgedragen door seksueel contact met het slachtoffer. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de ene of de andere oorzaak als meer waarschijnlijk aan te merken. 7.5 Locatie van de sporen. 7.5.1 De sporen AWA059#04 en AWA059#06. Hiervoor is aangegeven dat het spoor AUA106#02 was verkregen uit de bemonstering op het kruis van de slip en dat de sporen AWA059#04 en AWA059#06 waren verkregen uit de bemonstering van de anus. Gelet op de vergevorderde staat van ontbinding waarin het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen en onduidelijkheid over de wijze van bemonstering destijds door de patholoog, dringt zich de vraag op, zoals ook verschillende malen ter terechtzitting is besproken, of de sporen AWA059#04 en AWA059#06 wel echt afkomstig zijn uit de anus. Was er destijds zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen de bemonstering van de vagina en die van de anus? En zou het zo kunnen zijn dat sporen die aanvankelijk in de vagina waren achtergelaten op een later moment ten gevolge van de ontbinding van het lichaam terechtgekomen waren in de anus? Het belang van de precieze afbakening tussen een vaginaal spoor en een anaal spoor is erin gelegen dat deze sporen een verband leggen met de seksuele activiteit: een anaal spoor duidt immers op seksueel binnendringen in de anus. Patholoog dr. R. Visser die op 23 november 1995 de uit- en inwendige schouwing van het stoffelijk overschot heeft verricht, heeft beschreven dat hij geen duidelijke defecten heeft aangetroffen aan de geslachtsorganen. Hij heeft vermeld dat er een uitstrijkje is vervaardigd voor onderzoek op aanwezigheid van sperma. Verder heeft de patholoog aangegeven dat de baarmoeder normaal groot was, het slijmvlies smal en de eierstokken beiderzijds geen bijzondere afwijkingen vertoonden. De deskundigen Gerretsen en Van Driessche verwijzen in hun rapport uit 2013 naar de conclusies van de patholoog Kubat die vaststelt dat zij op het beeldmateriaal van de sectie niets ziet dat afwijkt van de bevindingen van de patholoog Visser. Kubat gaat ervan uit, nu er geen melding van wordt gemaakt in het sectieverslag van Visser, dat er geen beschadigingen in en rondom de anus zijn gevonden. Het zou in 1995 gebruikelijk zijn dat zo’n bevinding wel werd gemeld, volgens Kubat. Zij herhaalt dat bij het verhoor bij de rechter-commissaris en voegt er aan toe dat het onderscheid tussen anus en vagina te zien is op de foto. Deskundige Gerretsen heeft ter terechtzitting op basis van de foto’s van de sectie verklaard dat bijvoorbeeld de vaginabemonstering niet ingewikkeld lijkt. De weefsels daaromheen waren niet ver vergaan, waardoor het hem geen moeilijke opdracht leek. Hij acht het zeer onaannemelijk dat bij een dergelijke bemonstering structuren worden aangeraakt die niet mogen worden aangeraakt. De rechtbank is gelet op bovenstaande rapporten en verklaringen van de deskundigen – pathologen/artsen – van oordeel dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat ervan moet worden uitgegaan dat de sporen AWA059#04 en AWA059#06 daadwerkelijk uit de anus afkomstig zijn en daarmee zijn aan te merken als anale sporen. 7.5.1.1 Conclusie. In de anus van het slachtoffer werd sperma van verdachte aangetroffen. 7.5.2 Secondary transfer. [getuige 12] heeft verklaard dat hij op de dinsdag in de week van de verdwijning van [slachtoffer] gemeenschap met haar heeft gehad en dat dat zonder condoom kan zijn geweest. Ook heeft hij verklaard dat hij geen anale seks met haar had. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat desondanks in elk geval in een van de sporen uit de anus DNA van [getuige 12] is aangetroffen. De rechtbank heeft aan deskundige Eikelenboom de kwestie voorgelegd of als een persoon met het slachtoffer vaginale seks heeft gehad, diens sperma nadien in de anus terecht kan komen door secondary transfer, doordat een ander later vaginaal en daarna anaal seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer. De deskundige heeft daarop geantwoord dat secondary transfer met name ziet op aanraaksporen. Sporen van de ene persoon worden overgedragen op een andere persoon via een derde persoon of een object. “Dat secondary transfer kan plaatsvinden, daarover bestaat in de literatuur geen twijfel, maar de vraag is hoe waarschijnlijk het is. Het type celmateriaal speelt een grote rol. Bloed kan heel makkelijk worden overdragen. Sperma is weliswaar ook makkelijk over te dragen, zeker als het vloeibaar is, maar als het door een tweede persoon gebeurt, dan verwacht je in de DNA-profielen die tweede persoon terug te vinden. Seksueel contact beschouw ik in die zin ook als een aanraakspoor.” De rechtbank acht mede gezien deze uitleg van Eikelenboom geenszins denkbeeldig dat sperma van [getuige 12] is overgebracht, doordat verdachte eerst in de vagina van het slachtoffer is binnengedrongen en daarna in de anus. De rechtbank betrekt daarbij dat ook daadwerkelijk sporen van de tweede persoon – in dit geval verdachte – in de anus zijn aangetroffen en dat is vastgesteld dat er positieve aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van spermavocht in de vagina. Voorts past de levensduur van spermasporen in het lichaam binnen de periode waarin [getuige 12] gemeenschap met het slachtoffer heeft gehad. 7.6 Het haarspoor. Op de jas van [slachtoffer] is één lichaamshaar/schaamhaar aangetroffen die niet paste in haar schaamhaarpalet. De haar (ALA045) op het jack dat zij droeg is op 23 november 1995 veiliggesteld en had een lengte van circa 3,5 cm. Van de haarwortel en haarschacht van het haarspoor (respectievelijk ALA045#01 en ALA045#02) zijn bij mitochondriaal DNA-onderzoek mtDNA-profielen verkregen. Deze mtDNA-profielen matchen met elkaar. Deze haarsporen zijn immers afkomstig van dezelfde haar. Hierna zal aan het haarspoor worden gerefereerd als ALA045. Het mtDNA-profiel is vergeleken met dat van verdachte. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt door het NFI geconcludeerd dat het mtDNA-profiel van verdachte matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 en bovendien dat haarspoor ALA045 afkomstig kan zijn van verdachte of van iemand die in de moederlijke lijn aan verdachte verwant is. Ook kan haarspoor ALA045 afkomstig zijn van iemand die op basis van toeval hetzelfde mtDNA-profiel heeft. Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match tussen het mtDNA-profiel van de haarspoor ALA045 en verdachte is, zo schrijft het NFI in haar rapport, van belang om te weten hoe zeldzaam dit profiel is. Om daarin inzicht te krijgen is op 30 oktober 2013 het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 vergeleken met mtDNA profielen die zijn opgenomen in de EMPOP databank. Deze databank bevatte op dat moment 26.230 mtDNA-profielen. Bij deze vergelijking is gebleken dat het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 niet in deze databank voorkomt. Het NFI komt vervolgens tot de conclusie dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van verdachte afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van verdachte afkomstig is. In een aanvulling op genoemd rapport wordt deze conclusie als volgt (preciezer) geherformuleerd: “dit betekent dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van verdachte afkomstig is of van een in de moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon, dan wanneer het haarspoor niet van de verdachte afkomstig is, maar van een willekeurige niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon.” Deskundige J.L.W. Dieltjes, opsteller van voormeld rapport, is ter terechtzitting van 9 november 2015 gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij – met betrekking tot de bewijswaarde van het spoor – uit was gekomen op een likelihood ratio van boven de 10.000, wat zou betekenen dat de uitkomst in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ lag. Hij plaatste daarbij de kanttekening dat de EMPOP-database nog niet groot is en dat hij rekening moest houden met het geringe persoonsonderscheidende vermogen van mitochondriaal DNA. Dit was, aldus de deskundige, reden om te kiezen voor de schaal ‘veel waarschijnlijker’. Ingeval van een numerieke weergave van de bewijswaarde moest gedacht worden aan een getal boven de 10.000, dus hoog in de schaal ‘veel waarschijnlijker’ en laag in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’. Deskundige Dieltjes heeft verklaard voorzichtigheidshalve een lagere schaal te hebben aangehouden. De rechtbank heeft hiervoor in paragraaf 7.3.4 geconcludeerd dat verdachte DNA heeft bijgedragen aan de sporen AWA059#04 en AWA059#06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van de slip. In samenhang hiermee komt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op uitkomsten van het mtDNA-onderzoek door het NFI naar het haarspoor ALA045 en de daarop gegeven toelichting door deskundige Dieltjes, dit haarspoor en daarmee de haar aangetroffen op de jas van het slachtoffer afkomstig is van verdachte. De rechtbank merkt overigens op dat van deze haar niet is vastgesteld of dit een schaamhaar of een lichaamshaar betrof. 7.6.1 Conclusie. De haar die werd aangetroffen op de jas van het slachtoffer is afkomstig van verdachte. 7.7 Verkrachting. 7.7.1 Bewijs voor verkrachting. Op grond van al het voorgaande kan de rechtbank in het kader van de ten laste gelegde verkrachting de volgende feiten en omstandigheden vaststellen.
  11. i)Op 6 oktober 1995 om 05.10 uur vertrok [slachtoffer] op de fiets vanuit de woning van haar oma naar haar bijbaantje.
  12. ii)De fiets werd in de avond aangetroffen in de rivier De Dommel nabij de route die [slachtoffer] gewoonlijk fietste als ze naar haar werk ging. iii) Ruim zes weken na de verdwijning van [slachtoffer] werd haar levenloze lichaam aangetroffen in een bosperceel. Zij was door geweld om het leven gekomen en haar lichaam vertoonde sporen van steek- en/of snijletsel in de linker borstkas en letsel aan het hoofd en de kaak. Het lichaam was afgedekt met conifeertakken.
  13. iv)In de anus van het slachtoffer en in de slip die zij droeg, is het sperma van verdachte aangetroffen.
  14. v)Op de jas van [slachtoffer] werd een haar van verdachte gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze feiten en omstandigheden op zichzelf genomen redengevend voor het bewijs van verkrachting. Vooral is relevant dat sperma in de anus en in het kruis van de door het slachtoffer gedragen slip onmiskenbaar wijst op seksuele activiteit en in het bijzonder op seksueel binnendringen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bewijs ontoereikend is nu er geen aanwijzingen zijn voor een zedenmisdrijf. De verdediging ziet in het forensisch sporenbeeld juist contra-indicaties voor een zedenmisdrijf en verwijst naar de bevindingen van de diverse gerechtelijke deskundigen (pathologen-anatoom) waaruit naar voren komt dat van beschadigingen in de schaamstreek niet is gebleken. Voorts wijst de verdediging erop dat het slachtoffer volledig gekleed in vrijwel ongeschonden kleding werd aangetroffen. Dit zou niet getuigen van het toepassen van geweld. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van geweldssporen aan het onderlichaam geenszins in de weg staat aan een bewezenverklaring van verkrachting. Geweld dat in verband met de verkrachting is toegepast kan evengoed op andere delen van het lichaam zijn uitgeoefend. In dit verband wijst de rechtbank op de gerechtelijke rapporten waaruit blijkt dat op diverse plekken op het lichaam van [slachtoffer] sporen van geweld aanwezig waren. Of die sporen in relatie staan tot de verkrachting kan niet worden vastgesteld - maar ook niet worden uitgesloten - omdat zij na de verkrachting kunnen zijn toegebracht. Bovendien levert ook de dreiging met geweld verkrachting op. Met dreigende woorden en/of een wapen kan de dader zodanig imponeren dat een slachtoffer geen verzet durft te plegen. [slachtoffer] was in fysiek opzicht geen partij voor verdachte waardoor gebruikmaking van geweld mogelijk niet eens nodig is geweest. Ook het gegeven dat het slachtoffer volledig gekleed was en dat haar kleding niet kapot was staat niet aan het bewijs van verkrachting in de weg. In dit verband acht de rechtbank relevant dat [slachtoffer] na haar verdwijning is gevonden op ruim 12 kilometer hemelsbreed van de plaats waar haar fiets werd gevonden. Dat maakt het geenszins ondenkbaar, dat zij zich na de verkrachting zelf heeft aangekleed. De onder (
  15. i)tot en met (
  16. v)genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank derhalve op zichzelf genomen redengevend voor de bewezenverklaring van verkrachting. Verdachte heeft echter een scenario geschetst waarin hij [slachtoffer] desondanks – dus ondanks de redengevendheid van die feiten en omstandigheden – niet heeft verkracht. 7.7.2 Het alternatieve scenario van verdachte. Verdachte heeft aangevoerd dat, áls zou komen vast te staan dat zijn sperma in of op het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen, dat sperma er door vrijwillig seksueel contact moet zijn terechtgekomen. Dit scenario heeft verdachte voor het eerst bij de rechter-commissaris op 28 september 2015 toegelicht. Hij heeft toen verklaard dat hij in de periode 1990-1995 veel uitging in Eindhoven en omgeving en dat hij dan veel losse seksuele contacten met vrouwen had. Hij ging op stap op het Stratumseind, de Leenderweg, de Woenselsemarkt en heeft de uitgaansgelegenheden die hij bezocht met naam genoemd. Volgens verdachte leidde hij in die tijd ‘een wild en ruig leven’. De vrouwen met wie hij seksueel contact had waren verschillende types: bruin of zwart haar, slank, dik, klein, groot, ook prostituees, en zijn voorkeur was blond, aldus verdachte. Verder had hij in die tijd op allerlei plekken seksueel contact. Dat kon bijvoorbeeld in zijn auto zijn, in een steegje of bij iemand thuis. Eén van die contacten zou dan moeten zijn geweest met [slachtoffer] . Het enige wat hij kan bedenken als verklaring voor het aantreffen van zijn DNA is dat hij haar mogelijk in het Eindhovense uitgaansleven is tegengekomen en dat hij dan mogelijk seksueel contact heeft gehad, aldus verdachte bij de rechter-commissaris. Maar concreet zegt verdachte geen enkele herinnering te hebben aan seksueel contact met [slachtoffer] of een jong meisje tijdens een uitgaansavond en evenmin aan de wijze waarop en de plek waar dit seksueel contact dan zou hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van dit scenario zijn, naast verwijzing

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.