vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/865171-16 en 01/860315-17 (ttz.gev) Datum uitspraak: 12 juli 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum 1] 1993, thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B). Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 april 2017 (in de zaak met parketnummer 01/865171-16) en 28 juni
(40)maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen, aldus de officier van justitie, telkens integraal te worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat, in het geval de rechtbank tot strafoplegging zou komen, wordt volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met kracht, gedurende enige tijd, dichtknijpen van de keel van [slachtoffer 1] . Het betreft een zeer ernstig feit, waarbij de kans bestond dat [slachtoffer 1] door verwurging om het leven zou komen. Het slachtoffer heeft van zich af moeten vechten om aan de greep van verdachte te ontkomen en ze heeft geluk gehad dat er op enig moment een auto voorbij reed, waardoor ze de verwurging heeft overleefd. Deze ervaring is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest en hiermee is een zeer grove inbreuk op haar persoonlijke integriteit gemaakt. Het is bekend dat dergelijke feiten tot psychische schade bij het slachtoffer kunnen leiden. Het slachtoffer heeft hiervan in haar slachtofferverklaring ook op indringende wijze blijk gegeven. De rechtbank betreurt het voorts dat er door verdachte geen enkel inzicht is gegeven in de beweegredenen voor zijn handelen. Dit klemt te meer nu in het over verdachte opgemaakte psychologisch rapport van 20 februari 2017 wordt geadviseerd, welk advies de rechtbank overneemt en tot het hare maakt, dat verdachte ten tijde van het delict volledig toerekeningsvatbaar was. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te noemen duur. Voor wat betreft de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op straffen die in zaken betreffende doodslag en poging tot doodslag plegen te worden opgelegd, rekening houdend met het gegeven dat voor poging de maximumhoofdstraf een derde lager is dan de maximumhoofdstraf voor het voltooide delict. Voor een voltooide doodslag wordt in Nederland in veel gevallen een gevangenisstraf opgelegd met een duur van zeven tot dertien jaar. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank grond om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en aan verdachte een zwaardere straf op te leggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (01/865171-16). De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte is weersproken, in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum delict tot de dag der algehele voldoening wat betreft de immateriële schade en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening wat betreft de materiële schade. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum delict tot de dag der algehele voldoening wat betreft de immateriële schade en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening wat betreft de materiële schade. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (01/860315-17). De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt. Voorlopige hechtenis De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Daarbij is aangevoerd dat zich thans de situatie voordoet als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede dat geen grond voor de voorlopige hechtenis bestaat. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Gelet op de aan verdachte op te leggen straf is de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering thans bepaald niet aan de orde. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank voorts de tot op heden aangenomen grond voor voorlopige hechtenis, kortweg: de grond van de geschokte rechtsorde, thans nog immer aan de orde. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45,
- DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/860315-17 en het onder parketnummer 01/865171-16 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het onder 01/865171-16 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf: T.a.v. 01/865171-16 subsidiair: poging tot doodslag verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op de volgende straf en maatregel: t.a.v. 01/865171-16 subsidiair: Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Maatregel van schadevergoeding van € 2.499,79 subsidiair 34 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.499,79 (zegge: tweeduizend vierhonderd negenennegentig euro en negenenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.475,- immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 1.024,79 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 26 december 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, 27 maart 2017, tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.499,79 (zegge: tweeduizend vierhonderd negenennegentig euro en negenenzeventig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.475,- aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 1.024,79 aan materiële schadevergoeding. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 26 december 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, 27 maart 2017, tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. T.a.v.01/860315-17: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering. Compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank wijst af het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door: mr. C.A. Mandemakers, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. C.P.C. Kuijs, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier, en is uitgesproken op 12 juli
- Waar hierna naar paginanummers wordt verwezen wordt bedoeld de pagina’s in het proces-verbaal van de Politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, onderzoek Erfstadt OB1R016130, afgesloten d.d. 9 maart 2016 (Rb leest 2017), aantal doorgenummerde bladzijden:
- Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juni 2017 Beelden op dvd “Erfstadt” d.d. 11 mei 2017 Verklaring aangeefster [slachtoffer 1] blz. 62-63 Noot verbalisant bij aangifte blz. 63 Proces-verbaal Sporenonderzoek blz. 124-125