vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/865076-16 Datum uitspraak: 18 oktober 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 augustus 2016, 15 november 2016, 8 februari 2017, 12 april 2017, 5 juli 2017, 23 augustus 2017 en 4 oktober 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 augustus 2016. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 april 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. A. hij op of omstreeks 15 juni 2016 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
(6)jaar. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft ’s-avonds laat onverhoeds een jonge vrouw aangerand, gepoogd te verkrachten, haar daarbij bedreigd en voorts haar telefoon gestolen. Een andere jonge vrouw heeft hij diep in de nacht en op een afgelegen plaats met zijn scooter van haar fiets gereden, de berm in gesleurd en de keel dichtgeknepen. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze twee slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke misdrijven ondervinden daarvan nog vaak gedurende vele jaren, wellicht zelfs hun hele verdere leven, psychische problemen. De impact die de feiten op de slachtoffers heeft gehad is ook indringend verwoord in de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin voorts mee dat verdachte in 2012 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, ter zake van onder meer bedreiging en vrijheidsberoving. Kennelijk heeft deze eerdere veroordeling verdachte er niet van weerhouden thans opnieuw soortgelijke en andere ernstige strafbare feiten te plegen. Er is onderzoek gedaan naar de geestvermogens van verdachte. In een rapport van [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, [naam psychiater] , psychiater, en [naam forensisch milieu onderzoeker] , forensisch milieu-onderzoeker, van 19 september 2016 valt als conclusie te lezen dat verdachte weliswaar heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar dat door de gesloten en sociaal wenselijke opstelling van verdachte weinig zicht is verkregen op de aan- of afwezigheid van psychiatrische problematiek in engere zin en/of persoonlijkheidsproblematiek. Geadviseerd wordt tot een klinische observatie bij het Pieter Baan Centrum. Verdachte is vervolgens voor onderzoek in het Pieter Baan Centrum opgenomen. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum van 24 april 2017 blijkt dat verdachte consequent heeft geweigerd aan een onderzoek naar zijn geestvermogens mee te werken. De deskundigen zijn, gelet op deze weigering, niet in staat antwoord te geven op de vraag of verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en daarom tevens niet over de vraag naar de aanwezigheid van risico op recidive. Door het niet meewerken aan voornoemd onderzoek naar de geestvermogens door verdachte heeft de rechtbank geen zicht kunnen krijgen op eventuele achterliggende problematiek en het risico op recidive. De rechtbank is ook niet bekend met andere rapporten of documenten die inzicht geven in de geestvermogens van verdachte. De bewezenverklaarde feiten op zich, alsmede de verklaringen die verdachte heeft afgelegd in het vooronderzoek en ter terechtzitting bieden voorts onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en om meer gefundeerd te kunnen oordelen over de aanwezigheid van het risico op recidive. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het niet meewerken aan onderzoek naar de geestvermogens niet mag worden beloond. Het gevolg hiervan kan immers zijn dat de maatschappij niet naar behoren wordt beschermd tegen het risico op recidive. Dat sprake is van enig risico op recidive neemt de rechtbank overigens wel aan, gelet op de voornoemde eerdere onherroepelijke veroordeling en op de aard en ernst van de thans bewezenverklaarde feiten. Dit risico dient bij gebrek aan inzicht in andere mogelijkheden ter beteugeling hiervan, naar het oordeel van de rechtbank daarom feitelijk te worden beperkt door oplegging van een langere, mede tot beveiliging van de maatschappij strekkende gevangenisstraf. De rechtbank heeft tot slot meegewogen dat de onder 1A, 1C en 1D bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan. De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal wel een aanmerkelijk lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte van een groot deel van de aan hem tenlastegelegde feiten, waaronder enkele van de ernstigste verwijten die aan verdachte worden gemaakt, zal vrijspreken. Voor de wel bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank desalniettemin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur passend en geboden. De vorderingen van de benadeelde partijen. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie vordert de algehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging verzoekt de rechtbank, in het geval verdachte vrij wordt gesproken, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging de rechtbank kritisch te kijken naar de gevorderde immateriële schadevergoeding, de door benadeelde partij [naam 2] opgegeven inkomensderving, alsmede de vergoeding die reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is uitgekeerd in mindering te brengen. De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (feit 1). Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de bewezenverklaarde feiten, 15 juni 2016, tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 1.755,15 (immateriële schade, telefoon, ketting) en vanaf de datum van het indienen van de vordering, 9 februari 2017, tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 30,15 (reiskosten) en € 284,76 (inkomstenderving), . De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 15 juni 2017, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de volledige schade met uitzondering van de reiskosten en inkomstenderving en vanaf de datum van het indienen van de vordering, 9 februari 2017, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de schade ter zake reiskosten en inkomstenderving. De rechtbank zal, mede gelet op hetgeen doorgaans aan immateriële schadevergoeding in vergelijkbare zaken pleegt te worden toegewezen, de immateriële schadevergoeding op een hoger bedrag stellen dan door het slachtoffer als benadeelde partij is gevorderd, te weten op € 1.
- Dat verdachte wordt vrijgesproken van een deel van hetgeen hem ten aanzien van de benadeelde partij ten laste is gelegd, doet niet af aan de impact van hetgeen is bewezenverklaard en de daarbij passende immateriële schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (feit 2). Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 18 juni 2016, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de immateriële schade alsmede de materiele schadepost overige kosten (€ 251,74) en vanaf de datum van het indienen van de vordering, 6 juni 2017, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de materiële schadeposten reiskosten (€ 69,45) en inkomstenderving (€ 111,99). De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 18 juni 2016, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de immateriële schade alsmede de materiele schadepost overige kosten (€ 251,74) en vanaf de datum van het indienen van de vordering, 6 juni 2017, tot de dag der algehele voldoening wat betreft de materiële schadeposten reiskosten (€ 69,45) en inkomstenderving (€ 111,99). Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven een al uitgekeerd bedrag pleegt terug te vorderen indien uit andere hoofde schadevergoeding wordt toegekend. De rechtbank zal daarom het door het Schadefonds uitgekeerde bedrag niet in mindering brengen op de vordering van de benadeelde partij.. De vordering van de benadeelde partij [naam 3] (feit 3). Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank acht termen aanwezig om de kosten te compenseren. . Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 55, 57, 242, 246, 285, 302 en
- DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 onder B, feit 2 onder A voor wat betreft de tenlastegelegde poging tot doodslag, feit 2 onder B en feit 3 onder A en onder B ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor onder feit 1 onder A, C, D en E en feit 2 onder A is omschreven; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: T.a.v. feit 1: A. feitelijke aanranding van de eerbaarheid C. poging tot verkrachting D. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht al deze feiten in eendaadse samenloop begaan alsmede E. diefstal T.a.v. feit 2: A. poging tot zware mishandeling verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf en maatregelen: T.a.v. feit 1 onder A, C, D en E, feit 2 onder A:Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 1:Maatregel van schadevergoeding van € 2.889,91 subsidiair 38 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] van een bedrag van € 2.889,91 (zegge: tweeduizend achthonderdnegenentachtig euro en eenennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.750,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 1.139,91 aan materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 2.575,- (immateriële schade ad € 1.750,-; telefoon € 669,-; ketting € 156,-) en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 314,91 (reiskosten € 30,15; inkomstenderving € 284,76) Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1] : Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] , van een bedrag van € 2.039,91 (zegge: tweeduizend negenendertig euro en eenennegentig eurocent), te weten € 900,= aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 1.139,91 aan materiële schadevergoeding. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 2.052 (immateriële schade ad € 900,-; telefoon € 669,-; ketting € 156,-) en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 314,91 (reiskosten € 30,15; inkomstenderving € 284,76) Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 2.183,19 subsidiair 31 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] van een bedrag van € 2.183,19 (zegge: tweeduizend honderddrieëntachtig euro en negentien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.750,= ter zake immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 433,19 ter zake materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 2.001,74 (immateriële schade € 1.750,-; overige kosten € 251,74) en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 181,45 (reiskosten € 69,46; inkomstenderving € 111,99) . Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 2] : Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] , van een bedrag van € 2.183,19 (zegge: tweeduizend honderddrieëntachtig euro en negentien eurocent), te weten € 1.750,= immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 433,19 materiële schadevergoeding. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 2.001,74 (immateriële schade € 1.750,-; overige kosten € 251,74) en vanaf de datum van het indienen van de vordering tot de dag der algehele voldoening over een bedrag van € 181,45 (reiskosten € 69,46; inkomstenderving € 111,99) . Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. T.a.v. feit 3:Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [naam 3] in de vordering. Compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door: mr. W. Schoorlemmer, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. A.M.R. van Ginneken, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier, en is uitgesproken op 18 oktober
- Mr. Van Ginneken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Waar hierna naar paginanummers (“blz.”) wordt verwezen wordt bedoeld de pagina’s in het proces-verbaal van de Politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche Zeden, onderzoek [naam onderzoek 2] OB2R016052, afgesloten d.d. 9 november 2016, aantal doorgenummerde bladzijden:
- Waar hierna naar paginanummers (“FTO blz.”) wordt verwezen wordt bedoeld de pagina’s in het FTO proces-verbaal van de Politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, onderzoek [naam onderzoek 2] OB2R016052, afgesloten d.d. 11 oktober 2016, aantal doorgenummerde bladzijden:
- Aangifte door [naam 3] d.d. 18 juni 2016, p. 244 - 248 Stam proces-verbaal blz. 7 en 8 Aangifte door [naam 1] blz. 132-141 Verklaring getuige [naam 4] , blz. 166 e.v. Proces-verbaal sporenonderzoek FTO blz. 22 Verklaringen aangeefster (blz. 139 ), getuige [naam 4] (blz. 167) Verklaring verdachte ter zitting d.d. 4 oktober 2017 Aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA-deskundige, FTO blz. 207-209 Rapport NFI, FTO blz. 158 Proces-verbaal sporenonderzoek FTO blz. 125-126 Proces-verbaal sporenonderzoek FTO blz. 123-124 Proces-verbaal sporenonderzoek FTO blz. 126 Verklaring verdachte ter zitting d.d. 4 oktober 2017 Aangifte door [naam 2] , blz. 194, 196 en 200 Verklaring getuige [naam 5] blz. 216-217 Sporenonderzoek FTO blz. 37 Verklaring ter zitting d.d. 4 oktober 2017 Sporenonderzoek FTO blz. 37, 275-277 Proces-verbaal binnentreden woning blz. 37 en 42 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 oktober 2017 Proces-verbaal soucheonderzoek FTO blz. 163-176 Fotomap FTO blz. 42-46