vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/311473 / HA ZA 16-536 Vonnis in incident van 29 november 2017 in de zaak van de rechtspersoon naar Braziliaans recht CEMAZ INDÚSTRIA ELETRÔNICA DA AMAZONIA S.A., gevestigd te Manaus, Amazonas, Brazilië, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in de incidenten tot onbevoegdheid, advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam, tegen 1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE PHILIPS N.V., gevestigd te Eindhoven, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam, 2. de rechtspersoon naar Braziliaans recht PHILIPS DO BRASIL LTDA., gevestigd te Barueri, São Paulo, Brazilië, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam, 3. MR. L. DETERINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van LP DISPLAYS INTERNATIONAL B.V., kantoorhoudende te Eindhoven, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 4. de rechtspersoon naar Braziliaans recht SSC DISPLAYS LTDA., gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 5. de rechtspersoon naar Braziliaans recht LP DISPLAYS AMAZÔNIA LTDA., gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 6. de rechtspersoon naar Koreaans recht LG ELECTRONICS INC., gevestigd te Seoul, Zuid-Korea, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam, 7. de rechtspersoon naar Braziliaans recht LG ELECTRONICS DO BRASIL LTDA., gevestigd te Taubaté, São Paulo, Brazilië, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident tot onbevoegdheid, advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam, 8. de rechtspersoon naar Koreaans recht SAMSUNG SDI CO. LTD., gevestigd te Gyeonggi-do, Zuid-Korea, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam, 9. de rechtspersoon naar Braziliaans recht SAMSUNG SDI BRASIL LTDA., gevestigd te Manaus, Amazonia, Brazilië, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. C.E. Schillemans te Amsterdam, 10. de rechtspersoon naar Frans recht TECHNICOLOR S.A., gevestigd te Issy-les-Moulineaux, Frankrijk, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam, 11. de rechtspersoon naar Frans recht TTD INTERNATIONAL S.A.S., gevestigd te Boulogne-Billancourt, Frankrijk, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 12. de rechtspersoon naar Amerikaans recht TECHNICOLOR USA INC., gevestigd te Indianapolis, Verenigde Staten, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident tot onbevoegdheid, advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam. Gedaagden in de hoofdzaak sub 7 en sub 12, tevens eiseressen in de incidenten, zullen hierna ‘LGE Brasil’ en ‘Technicolor USA’ genoemd worden. Eiseres in de hoofdzaak/verweerster in de incidenten zal hierna ‘Cemaz’ worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met producties, het proces-verbaal van de regiezitting, gehouden op 21 december 2016, met de daarin vermelde stukken, de gezamenlijke beperkte conclusie van antwoord van gedaagden in de hoofdzaak, met producties, de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van LGE Brasil, de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Technicolor USA, de incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring, tevens houdende beperkte antwoordconclusie ter zake stelplicht en verjaring van Cemaz, met producties, het proces-verbaal van de pleidooizitting, gehouden op 5 oktober 2017, met de daarin vermelde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten. 2De beoordeling in de incidenten Het geschil 2.1. Cemaz vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door Cemaz geleden schade als gevolg van het CPT-Kartel; gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van BRL 669 miljoen als hoofdsom met betrekking tot de geleden directe schade als gevolg van de cartel overcharge, althans de tegenwaarde in Euro omgerekend tegen de hoogste koers op de dag van betaling, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede inflatiecorrectie en wettelijke rente over dit bedrag tot en met de datum van betaling; gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van enige andere schade als gevolg van het CPT-Kartel, nader op te maken bij staat inclusief inflatiecorrectie en wettelijke rente; gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten. 2.2. Cemaz legt aan de vorderingen in de hoofdzaak – kort gezegd – het volgende ten grondslag. 2.2.1. Bij besluit van 5 december 2012 (hierna: het Besluit) heeft de Europese Commissie twee afzonderlijke inbreuken op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector voor kathodestraalbuizen vastgesteld. Volgens de Europese Commissie is er sprake geweest van een wereldwijd kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor computerschermen, ook wel genoemd Colour Display Tubes (hierna: CDT en het CDT-kartel). Daarnaast is er sprake geweest van een kartel met betrekking tot kathodestraalbuizen voor televisieschermen, ook wel genoemd Colour Picture Tubes (hierna: CPT en het CPT-kartel). Beide kartels zijn ook onderwerp van onderzoek van de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Econômica (hierna: CADE). 2.2.2. Cemaz stelt tijdens de kartelperiode CPT’s te hebben afgenomen van (onder meer) gedaagden en andere karteldeelnemers voor de productie van televisietoestellen. Volgens Cemaz hebben alle gedaagden direct of indirect deelgenomen aan het CPT-kartel. Daarmee hebben zij – kort gezegd – (ook naar Braziliaans recht) onrechtmatig gehandeld ten opzichte van Cemaz als afnemer van CPT’s. Cemaz heeft daardoor schade geleden, omdat zij vanwege de door het kartel veroorzaakte prijsverhoging teveel voor de CPT’s heeft betaald. Gedaagden zijn gehouden de door Cemaz geleden schade te vergoeden. Op de tweede plaats stelt Cemaz dat de karteldeelnemers in staat waren om lagere prijzen te vragen voor hun eigen rechtstreekse televisieverkopen in Brazilië tijdens de kartelperiode. Cemaz, als producent van televisietoestellen voor hoofdzakelijk de Braziliaanse markt, kon daarmee moeilijk, zo niet onmogelijk concurreren. Uiteindelijk is Cemaz door de deelnemers aan het CPT-kartel uit de markt verdreven. Ook de als gevolg daarvan door Cemaz geleden schade moet door gedaagden worden vergoed. 2.2.3. Cemaz stelt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 99 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) juncto artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die tegen Koninklijke Philips N.V. aanhangig zijn gemaakt. De bevoegdheid van de rechtbank inzake het geschil tegen de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden vloeit dan volgens Cemaz voort uit artikel 6 EEX-Vo, vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van Cemaz op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V. Voor wat betreft de buiten de Europese Unie gevestigde gedaagden is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 Rv, wederom vanwege de nauwe band tussen de vorderingen van Cemaz op die gedaagden en de vorderingen op Koninklijke Philips N.V. 2.3. In het incident vorderen LGE Brasil en Technicolor USA – beide gevestigd buiten de Europese Unie – dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij voeren daartoe ieder afzonderlijk aan dat de op grond van artikel 7 Rv vereiste samenhang tussen de vorderingen die enerzijds tegen hen en anderzijds tegen Koninklijke Philips N.V. zijn ingesteld ontbreekt. Cemaz voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Het juridisch kader 2.4. Bij de beantwoording van de vraag of hij rechtsmacht heeft, dient de rechter zich niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet hij ook acht slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde. Hieruit volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering. De rechter kan zijn internationale bevoegdheid toetsen aan alle ter beschikking staande gegevens, daaronder begrepen de betwistingen van de gedaagde (zie HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449). 2.5. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7 lid 1 Rv, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, aan de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 2.6. Ten aanzien van de binnen de Europese Unie gevestigde gedaagden moet de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank niet worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, zoals door Cemaz is aangevoerd, maar aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (hierna: Herschikte EEX-Vo). De vorderingen van Cemaz zijn ingesteld bij dagvaarding van 22 december 2015 en vallen binnen het materiële toepassingsgebied van de Herschikte EEX-Vo. 2.7. Ingevolge de hoofdregel van artikel 4 lid 2 Herschikte EEX-Vo is de rechtbank bevoegd om van het geschil tussen Cemaz en Koninklijke Philips N.V. kennis te nemen, omdat Koninklijke Philips N.V. woonplaats in Nederland heeft. Aan de orde is dan de vraag of de vorderingen van Cemaz tegen LGE Brasil en Technicolor USA voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen Koninklijke Philips N.V. 2.8. De wetgever (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108) heeft met artikel 7 Rv willen aansluiten bij de maatstaf zoals die ook is gegeven in artikel 6, onderdeel 1 EEX-Vo (thans: artikel 8, onderdeel 1 Herschikte EEX-Vo) en bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) daarover. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand ook in gevallen waarop de (Herschikte) EEX-Vo niet van toepassing is, artikel 7 Rv uit te leggen in overeenstemming met de jurisprudentie van het HvJEU met betrekking tot artikel 6 lid 1 EEX-Vo. In het navolgende zal de rechtbank daarom voor beide incidenteel eiseressen dit toetsingskader hanteren. 2.9. Artikel 6 EEX-Vo / artikel 8 Herschikte EEX-Vo, aanhef en sub 1 bepaalt dat indien er in dezelfde procedure meer dan een gedaagde is, die gedaagden kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Aan de rechtspraak van het HvJEU betreffende artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo kan het volgende worden ontleend. 2.10. De bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de ‘verweerder’ zijn woonplaats heeft is het algemene beginsel en slechts bij wijze van uitzondering op dit beginsel voorziet de EEX-Vo in bijzondere bevoegdheidsregels voor limitatief opgesomde gevallen waarin de ‘verweerder’, al naar gelang het geval, kan of moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat. Aan de bijzondere bevoegdheidsregels moet een restrictieve uitleg worden gegeven. 2.11. Een noodzakelijke voorwaarde voor bevoegdheid op grond van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo is dat er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dit het geval is. Daarbij dient hij rekening te houden met alle noodzakelijke elementen uit het dossier, waartoe hij in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de bij hem ingestelde vorderingen in de beschouwing zal moeten betrekken (HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)). 2.12. Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (HvJEG 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus); HvJEG 11 oktober 2007, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport); HvJEU 12 juli 2012, ECLI:EU:C:2012:445 (Solvay)). Het gegeven dat tegen meerdere ‘verweerders’ gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben, behoeft echter niet aan de toepassing van artikel 6, aanhef en sub 1, EEX-Vo in de weg te staan, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een medeverweerder woonplaats had (HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer)). Bevoegdheidsincident LGE Brasil 2.13. Met betrekking tot de vorderingen tegen LGE Brasil is de rechtbank van oordeel dat de door artikel 7 Rv vereiste samenhang met de vorderingen tegen ankergedaagde Koninklijke Philips N.V. aanwezig is. Hiertoe wordt het volgende overwogen. 2.14. Cemaz stelt dat LGE Brasil en Koninklijke Philips N.V. hebben deelgenomen aan een wereldwijd kartel met als doel de markt voor CPT’s, ook in Brazilië, te beïnvloeden. Cemaz verwijst daarbij in de eerste plaats naar het Besluit. De rechtbank constateert dat LGE Brasil echter geen geadresseerde is van het Besluit, noch wordt zij daarin genoemd als ‘undertaking subject to proceedings’. Het Besluit ondersteunt het standpunt van Cemaz dus niet. 2.15. Cemaz verwijst ter onderbouwing van haar standpunt ook naar de schikkingen die zijn getroffen naar aanleiding van het onderzoek door CADE. Zowel Koninklijke Philips N.V. als LGE Brasil hebben een schikking getroffen met CADE, waarmee zij hun deelname aan de kartelafspraken hebben erkend, aldus Cemaz. Technical Note 23/2017 van CADE luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “(…) 139. On February 4, 2015 CADE received a proposal of consent decree. (…) 140. The consent decree was approved by CADE’s Administrative Court (…). The consent decree was signed between CADE and the following companies: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.