RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/2409 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2018 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder (gemachtigden: mr. J.P.L.M. van der Velden, M.N.L. van Lankveld en J.P.M. van Katwijk). Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder op een daartoe strekkende aanvraag omgevingsvergunning geweigerd voor de activiteit oprichten van een veehouderij met melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee, vleeskalveren, schapen, dekberen en vleesvarkens op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] . Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van op 27 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft een veehouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Verweerder heeft op 15 september 1998 een revisievergunning voor de veehouderij verleend. Per 1 januari 2013 valt de veehouderij onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). In de vergunde situatie mochten één fokstier, 86 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 55 stuks vrouwelijk jongvee worden gehouden. 1.2 Op 5 februari 2015 heeft eiser een melding op grond van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer (Wm) en het Activiteitenbesluit gedaan bij verweerder. Hierin worden de volgende aantallen dieren gemeld: 48 vleeskalveren tot circa acht maanden (in stallen 1en 2), 1.499 vleeskalkoenen (stal 2), 86 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar (in stallen 3 en 5), 44 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg (stal 4) en 55 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (stal 5). 1.3 De 1.499 vleeskalkoenen zijn nooit gehouden binnen de inrichting. 1.4 Op 4 november 2015 is de Geurgebiedsvisie en Geurverordening Boxmeer 2015 (Geurverordening) in werking getreden. 1.5 Op 25 november 2015 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor het oprichten van een inrichting (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verder Wabo). De aanvraag heeft betrekking op de volgende wijzigingen: - stal 2 wordt in gebruik genomen voor het huisvesten van 54 dekberen in strohokken; - ten noordwesten van stal 2 worden 20 vleeskalveren tot een leeftijd van acht maanden gehuisvest in iglo’s; - in stal 3 worden 840 vleesvarkens gehuisvest. Deze stal wordt voorzien van een biologisch luchtwassysteem; - de sleufsilo ten zuidwesten van stal 3 wordt overkapt en in gebruik genomen als stal (stal 6) voor het huisvesten van 700 vleesvarkens. Deze stal wordt aangesloten op het biologisch luchtwassysteem van stal 3; - stal 4 wordt in gebruik genomen voor het huisvesten van 44 schapen; - in stal 5 wordt het aantal melk- en kalfkoeien uitgebreid naar 27 stuks. Het aantal stuks vrouwelijk jongvee neemt af tot 52 dieren; - aan de noordzijde van stal 3 worden twee voedersilo’s en een spuitwatersilo geplaatst en een spoelplaats gerealiseerd. 1.6 In een brief van 19 juli 2016 heeft verweerder de melding van 5 februari 2015 ‘voor kennisgeving aangenomen’. In de brief heeft verweerder eiser medegedeeld dat de melding niet voldoet aan de eisen van artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit, omdat de geurbelasting op de woning aan de [adres] (het geurgevoelig object) hoger is dan toegelaten volgens de geurnorm in de Geurverordening. Ook wijst verweerder erop dat het perceel in het geldende bestemmingplan is bestemd tot ‘Agrarisch bedrijf’ zonder de toevoeging ‘IV’, die staat voor intensieve veehouderij. Volgens verweerder zijn de gemelde activiteiten in strijd met deze bestemming. 1.7 Het ontwerpbesluit tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning heeft zes weken - van 29 maart 2017 tot en met 9 mei 2017 - ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft eiser zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. 1.8 Op 14 september 2017 heeft eiser verweerder verzocht om op basis van artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen en de aanduiding ‘IV’ (Intensieve veehouderij) op te nemen. Op 12 december 2017 heeft verweerder besloten hieraan geen medewerking te verlenen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning uitsluitend geweigerd, omdat de geurbelasting op het geurgevoelige object hoger is dan de geurnorm in de Geurverordening en de aanvraag dus in strijd is met artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Verweerder heeft de omstandigheid dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, omdat hij eiser niet wilde belasten met een aanvulling van de aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan. 3. Eiser heeft zich in het beroepschrift nog alle rechten en weren voorbehouden met betrekking tot de vraag of de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Op de zitting heeft eiser echter aangegeven dat, wat hem betreft, het beroep uitsluitend gaat over de vraag of de aanvraag terecht is geweigerd vanwege strijd met de Wgv. De rechtbank laat daarom buiten beschouwing of verweerder de aanvraag buiten behandeling had moeten laten op grond van artikel 2.7 eerste lid, van de Wabo. 4.1 Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de op 5 februari 2015 gemelde uitbreiding van de inrichting buiten beschouwing heeft gelaten. In deze melding was een dierbezetting gemeld die op dat moment resulteerde in een geurbelasting van 19,2 OuE/m3 op het geurgevoelige object. Deze geurbelasting had verweerder als uitgangspunt moeten nemen bij de beoordeling van de aanvraag en de toetsing aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv. Volgens eiser wordt voldaan aan artikel 3, vierde lid van de Wvg. De aanvraag leidt tot een afname van de geurbelasting op het geurgevoelig object (van 19,2 ouE/m3 naar 15,4 ouE/m3) en er wordt een geurbelastingreducerende maatregel toegepast in stal 2 waar immers geen kalkoenen worden gehouden. Dat er nooit kalkoenen zijn gehouden doet hieraan niets af. 4.2 Verweerder houdt geen rekening met de melding van 5 februari 2015, omdat de dierenverblijven in stallen 2 en 4 nooit in gebruik zijn genomen. Verweerder is uitgegaan van de dieren die volgens de melding van 5 februari 2015 mogen worden gehouden (28 vleeskalveren in stal 1, 86 melk- en kalfkoeien in stal 5 en 55 stuks vrouwelijk jongvee in stal 5). Volgens verweerder kunnen aan de melding geen bestaande rechten worden ontleend, omdat de acceptatie van een melding op basis van het Activiteitenbesluit geen rechtsgevolg heeft en omdat aan de melding geen uitvoering is gegeven omdat stallen 2 en 4 niet zijn opgericht. 4.3 In deze zaak is niet in geschil dat de melding van 5 februari 2015 volledig is en op 5 februari 2015 voldeed aan de op dat moment geldende oude geurverordening van de gemeente Boxmeer. 4.4 Wanneer kun je rechten verkrijgen op basis van het Activiteitenbesluit? Het bestaan van deze rechten is van belang bij de toetsing aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv. Dit artikel biedt de mogelijkheid om in een overbelaste situatie (als niet wordt voldaan aan de geurnorm in de Wgv of een geurverordening op basis van de Wgv) toch een omgevingsvergunning te verlenen, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van de wijziging van het aantal dieren niet meer bedraagt, dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelasting reducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld, wanneer het recht om een bepaalde hoeveelheid vee te houden ontstaat in gevallen waarin de inrichting geheel valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Er zijn verschillende antwoorden mogelijk: de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van indiening van een volledige melding van een inrichting in overeenstemming met het Activiteitenbesluit; de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van aanvaarding van een dergelijke melding; de indiener ‘verkrijgt’ rechten op het moment van feitelijke uitvoering van een dergelijke melding. 4.5 Noch in de Wm, noch in het Activiteitenbesluit heeft de wetgever een expliciete keuze voor een van deze drie opties gemaakt. In artikel 8.41 van de Wm zijn uitsluitend de procedurele eisen voor het doen van een melding vermeld. Ook in afdeling 1.2 van het Activiteitenbesluit zijn slechts procedurele regels over de meldingsplicht gegeven en is daarin voorgeschreven welke stukken bij een melding moeten worden verstrekt. 4.6 Het is al meer dan 20 jaar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat tegen de mededeling over de aanvaardbaarheid van een melding op grond van artikel 8.41 van de Wm geen rechtsmiddelen openstaan, mede omdat deze mededeling geen rechtsgevolg heeft. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 1997 (ECLI:NL:RVS:1997:ZF2964) en de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:14). Optie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.