vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/331979 / KG ZA 18-143 Vonnis in kort geding van 16 april 2018 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] , wonende te [woonplaats] ,
- [eiseres sub 2], wonende te [woonplaats] , eiseressen, advocaat mr. A.W. van Dooren-Korenstra te Vught, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. B. Poort te Eindhoven. Partijen zullen hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 29 maart 2018 met 11 producties; de brief van mr. Poort van 12 april 2018 met 2 producties; de brief van mr. Van Dooren van 12 april 2018 met de producties 12 tot en met
- de mondelinge behandeling op 16 april 2018; de wijziging van eis, althans het aanvullen van het petitum; de pleitaantekeningen van [eiseressen] ; de pleitnota van [gedaagde] . 1.
- De voorzieningenrechter heeft terstond mondeling vonnis gewezen, door mededeling van de zakelijke inhoud ervan waarvan dit de schriftelijke en uitgewerkte neerslag vormt. 2De feiten 2.
- Voor een weergave van de feiten wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:
- 3De vorderingen 3.
- [eiseressen] vorderen na aanvulling van het petitum: I. de opheffing van de door [gedaagde] op 2 maart 2018 gelegde beslagen op: - de onroerende zaken; - op de bankrekeningen van [eiseressen] (moeder en [eiseres sub 2] ); - op de bankrekeningen van wijlen [naam overledene] ; II. [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen op basis van gronden die geraakt worden door de feiten waarover het Hof en de Hoge Raad in casu reeds onherroepelijk hebben geoordeeld; III. [gedaagde] bij gebreke van I. en II. te veroordelen tot voldoening van een dwangsom van € 10.000,00 per keer alsmede 2.500,00 voor iedere dag dat een dergelijk beslag voortduurt; IV. [gedaagde] te veroordelen in de werkelijk gemaakte (proces)kosten in deze procedure, begroot op € 6.500,
- 4De beoordeling 4.
- Omdat in art. 705 Rv het vereiste van spoedeisend belang niet wordt genoemd, is het spoedeisend belang van [eiseressen] bij hun vorderingen gegeven. Daar komt bij dat beslagen het persoonlijk in duurzaam gebruik nemen van het verhuurde door [eiseressen] onmogelijk (zullen) maken dan wel aanmerkelijk (zullen) bemoeilijken en hebben [eiseressen] spoedeisend belang bij hun vorderingen. 4.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiseressen] als erfgenamen van [naam overledene] (hierna: [naam overledene] ) zijn vermogen onder algemene titel hebben verkregen. Zij kunnen zich ex art. 6:142 BW beroepen op het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4542, dat als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2018 inmiddels gezag van gewijsde heeft. Dat ook de Hoge Raad meent dat [eiseressen] zich op het genoemde arrest van het Hof kunnen beroepen en dit arrest in de relatie tussen [eiseressen] enerzijds en [gedaagde] anderzijds de rechtspositie van partijen bindend heeft vastgesteld blijkt uit het feit dat de Hoge Raad in de kop van zijn arrest enerzijds spreekt over wijlen [naam overledene] en anderzijds in het dictum de datum waarop de huurovereenkomst eindigt op 1 mei 2018 heeft vastgesteld en het tijdstip van de ontruiming heeft vastgesteld op 30 april
- 4.
- Tussen partijen staat vast dat voor de vordering tot betaling van het in het arrest van het Hof genoemde bedrag van € 20.000 (tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten) inmiddels door [eiseressen] zekerheid is gesteld door overboeking op de kwaliteitsrekening van hun advocaat. Thans is nog geenszins zeker dat [eiseressen] ook de door het Hof vastgestelde bedragen van € 40.000 (aanvullende tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten) en € 220.530 (te betalen bedrag als de wil van de verhuurder om het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig blijkt zijn geweest) aan [gedaagde] dienen te betalen. Omdat enerzijds niet zeker is dat [eiseressen] ook de bedragen van € 40.000 en € 220.530 zullen moeten betalen en anderzijds de beslagen het persoonlijk in duurzaam gebruik nemen van het verhuurde onmogelijk zullen maken dan wel aanmerkelijk zullen bemoeilijken, dienen de door [gedaagde] ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen te worden opgeheven. 4.
- Dat [gedaagde] op 1 oktober 2015 ten laste van [naam overledene] beslag heeft gelegd, staat aan opheffing van de door hem ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen niet in de weg. Desgewenst kunnen [eiseressen] ook opheffing van de door [gedaagde] ten laste van [naam overledene] gelegde beslagen vorderen. 4.
- Een verbod om in de toekomst beslag te leggen, gaat de voorzieningenrechter te ver. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een veroordeling van [gedaagde] dit vonnis over te leggen als hij wederom om verlof voor conservatoir beslag zou verzoeken. 4.
- Wat de voorzieningenrechter betreft heeft [gedaagde] door het leggen van de beslagen geen misbruik van procesrecht gemaakt. Voor een veroordeling in de daadwerklelijke advocaatkosten, bestaat dan ook geen ruimte. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseressen] worden begroot op: - dagvaarding € 98,01 - griffierecht 291,00 - overige kosten 0,00 - salaris advocaat 816,00 Totaal € 1.205,01 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] de op 2 maart 2018 ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen op de onroerende zaken op te heffen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis; 5.
- veroordeelt [gedaagde] de op 2 maart 2018 gelegde bankbeslagen ten laste van [eiseressen] en ten laste van wijlen [naam overledene] op te heffen binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in het geval van een nieuw verzoek om verlof voor conservatoir beslag ten laste van [eiseressen] dit vonnis aan de voorzieningenrechter bij wie dat verzoek wordt ingediend over te leggen; 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseressen] een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1., 5.
- en 5.
- uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden begroot op € 1.205,01, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.