vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/315410 / HA ZA 16-772 Vonnis van 10 januari 2018 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. A.B. Noordhof te Eindhoven, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. R. Teerink te Tilburg, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] , [land] , gedaagde in conventie, advocaat mr. M.M. van den Boomen te Herten. Partijen zullen hierna [eiser] , moeder en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 1 maart 2017 het proces-verbaal van comparitie van 12 juli 2017 de akte uitlaten van [gedaagde sub 2] de antwoordakte van [eiser] de antwoordakte van moeder. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde sub 2] zijn broers. Moeder is hun moeder. Hun vader, [vader] (hierna: vader) is op [overlijdensdatum] 2012 overleden. 2.2. [gedaagde sub 2] heeft in het verleden samen met zijn vader in maatschapsverband een agrarisch bedrijf gevoerd. In 1994 of 1995 heeft [gedaagde sub 2] dit bedrijf overgenomen. 2.3. In 2001 heeft [eiser] bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch een zaak aanhangig gemaakt tegen [gedaagde sub 2] , waarin hij inzage vorderde in – kort gezegd – de stukken waaruit blijkt op welke wijze de maatschap tussen [gedaagde sub 2] en vader (en moeder) is geëindigd en het vermogen van deze maatschap is verdeeld. Aan deze vordering legde [eiser] primair de redelijkheid en billijkheid ten grondslag en subsidiair artikel 843a Rv. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 september 2002 met zaaknummer 61014 / HA ZA 01-0098 de vordering van [eiser] afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe het volgende: “Eisers stelling dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat gedaagde inzage verstrekt in de door eiser gewenste gegevens vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat partijen mogelijk in de toekomst deelgenoten zullen zijn in een nalatenschap schept voor gedaagde geen enkele verplichting om thans inzage te verschaffen als door eiser gewenst, ook niet op grond van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid. … Artikel 843a Rv geeft hem die daarbij rechtmatig belang heeft het recht tot vordering van inzage in bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Nog daargelaten of eiser een rechtmatig belang heeft was hij geen partij in het onderhavige maatschapsverband. Artikel 843a Rv biedt derhalve geen rechtsgrond voor onderhavige vordering.” 2.4. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van 4 september 2002. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 december 2003 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.5. Moeder, [eiser] en [gedaagde sub 2] zijn erfgenamen van vader, naast nog twee andere erfgenamen. [eiser] heeft de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard. Vader heeft in zijn testament van 15 maart 2001 moeder benoemd tot executeur-testamentair. Verder heeft vader aan moeder de keuze gelaten tussen twee regelingen, waaronder een ouderlijke boedelverdeling. Moeder heeft daarvoor gekozen. Op grond hiervan hebben de overige erfgenamen een niet-opeisbare vordering op moeder. 2.6. Inmiddels heeft [eiser] beroep gedaan op zijn legitieme portie. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert samengevat – Moeder en [gedaagde sub 2] te bevelen inzage en afschriften te verstrekken van de gegevens zoals opgesomd in de dagvaarding, Moeder en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, voor zover zij in gebreke blijven binnen 4 weken na betekening van het vonnis aan het vonnis te voldoen, met veroordeling van moeder en [eiser] in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft sterke vermoedens dat er in het verleden sprake is geweest van (verkapte) schenkingen van vader aan [gedaagde sub 2] . Deze schenkingen kunnen op grond van artikel 4:67 BW van invloed zijn op de legitimaire massa. Tevens heeft vader aan [gedaagde sub 2] een aanzienlijke lening verstrekt om een eigen agrarisch bedrijf in [land] te kunnen starten, wat nadien ook gebeurd is. [eiser] baseert zijn vermoedens van gedane giften mede op het feit dat geen inzage wordt verschaft over de wijze waarop destijds de bedrijfsoverdracht van vader aan [gedaagde sub 2] heeft plaatsgevonden en over de wijze waarop deze overdracht financieel is afgewikkeld. [eiser] heeft beroep gedaan op zijn legitieme portie. Hij heeft er belang bij om nu duidelijkheid te verkrijgen over de omvang van de nalatenschap van vader en de legitimaire massa. Moeder en [gedaagde sub 2] zijn ondanks verzoek van [eiser] niet bereid om [gedaagde sub 2] de noodzakelijke informatie en stukken te verschaffen omtrent de omvang van de nalatenschap van vader en de legitimaire massa. [eiser] en de overige erfgenamen zijn tezamen de deelgenoten in een onverdeelde gemeenschap. De rechtsbetrekking tussen deelgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Mede op die grond is [eiser] van mening dat moeder en [gedaagde sub 2] dienen mee te werken aan zijn verzoek tot het verstrekken van de volgende bescheiden: de jaarstukken van de agrarische onderneming van vader en [gedaagde sub 2] over de jaren 1993 t/m 1996; het maatschapscontract met betrekking tot de agrarische onderneming tussen (moeder,) [gedaagde sub 2] en vader; alle relevante stukken die betrekking hebben op de bedrijfsoverdracht in 1995, te weten de beëindigingsovereenkomst, de verdelingsakte betreffende de maatschap, de accountantsverklaring en gegevens omtrent de financiële afwikkeling; e aangiften IB vanaf 1993 t/m heden; nadere stukken waaruit de inhoud en de voorwaarden van de lening(
- en)van vader aan [gedaagde sub 2] blijken alsmede het saldo van de thans nog openstaande lening(
- en)en de betaalde rente. 3.3. Moeder en [gedaagde sub 2] voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. Moeder vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 20.000,00, vermeerderd met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. 3.6. Moeder legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft een bedrag van € 20.000,00 geleend van vader en moeder. Afgesproken is dat hij jaarlijks een rentevergoeding van 4,5 % betaalt, te voldoen in maandelijkse termijnen. [eiser] heeft de rente betaald tot en met april 2012. Daarna heeft hij geen rente meer betaald. Moeder heeft [eiser] op 5 januari 2017 verzocht en gesommeerd om het geleende bedrag van € 20.000,00, vermeerderd met 4,5 % rente terug te betalen. [eiser] heeft hieraan niet voldaan. 3.7. [eiser] erkent het bestaan van de vordering, maar wil een deel van de vordering verrekenen met de kosten in verband met het opvragen van stukken bij de heer [A] van [bedrijf] B.V. (hierna: [A] ) 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. [gedaagde sub 2] doet een beroep op het gezag van gewijsde van het arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 december 2003.Volgens [gedaagde sub 2] betreft dat arrest dezelfde rechtsbetrekking als die in de onderhavige procedure. Het geschilpunt en de rechtsvraag die in deze procedure voorliggen zijn dezelfde als waarover het Hof zich in 2003 al heeft uitgelaten. Dat op dit moment vader niet meer in leven is maakt niet dat het oordeel van de rechtbank en het Hof van destijds nu anders ligt. Nu naar de mening van het Hof in 2003 de vordering van [eiser] zelfs in het geval de beide ouders zouden zijn overleden niet toewijsbaar is, is de thans voorliggende vordering, waarbij moeder nog in leven is, in ieder geval niet toewijsbaar, aldus [gedaagde sub 2] . 4.2. De rechtbank verwerpt het door [gedaagde sub 2] gedane beroep op gezag van gewijsde. In de overwegingen van het Hof valt niet te lezen dat de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is zelfs in het geval dat de beide ouders zijn overleden. Het Hof heeft overwogen (r.o. 4.5.2.): “Het staat nog geheel niet vast dat appellant ( [eiser] , rb.) en geïntimeerde ( [gedaagde sub 2] , rb.) op een nog onbekend, in de toekomst gelegen moment deelgenoten zullen zijn in de nalatenschap van hun thans nog levende ouders; de mogelijkheid bestaat immers dat appellant of geïntimeerde eerder dan de (laatste) ouder zal komen te overlijden. Een rechtsverhouding die thans niet bestaat en waarvan ook niet met zekerheid vaststaat dat die in de toekomst zal komen te bestaan kan geen grond bieden aan vorderingen van appellant zoals hier ingesteld.” Thans staat vast dat vader is overleden en dat [eiser] en [gedaagde sub 2] beiden nog in leven zijn, evenals moeder. Weliswaar is de vordering van [eiser] uit hoofde van de nalatenschap van vader nog niet opeisbaar, maar de rechtsverhoudingen zijn toch zodanig gewijzigd dat de vordering van [eiser] in een ander licht is komen te staan. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] er belang bij dat de omvang van de legitimaire massa van de nalatenschap van vader thans wordt vastgesteld. Hij heeft immers beroep gedaan op zijn legitieme portie. Daarom dient te zijner tijd, als moeder overlijdt, uit haar nalatenschap de vordering van [eiser] uit hoofde van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader worden voldaan, voordat kan worden toegekomen aan de verdeling van de rest van haar nalatenschap. 4.4. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 843a lid 1 Rv. Daarin is bepaald dat hij, die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Ter comparitie is de vraag ter sprake gekomen of artikel 4:16 lid 4 BW in dit geval van toepassing is. Daarin is bepaald dat de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven en dat de daartoe strekkende inlichtingen desverzocht door hen worden verstrekt. Ook zijn zij jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden. Moeder en [gedaagde sub 2] zijn van mening dat dit artikellid niet van toepassing is op de ouderlijke boedelverdeling, omdat die onder oud recht tot stand is gekomen. In het proces-verbaal van de comparitie is per abuis vermeld dat ook de advocaat van [eiser] deze mening is toegedaan. Uit de aantekeningen van de griffier blijkt echter niet dat mr. Noordhof iets dergelijks heeft gezegd. 4.5. De rechtbank is op grond van artikel 25 Rv gehouden ambtshalve de rechtsgrond van de vordering van [eiser] aan te vullen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 4:16 lid 4 BW van toepassing is, ook al is de ouderlijke boedelverdeling onder oud recht tot stand gekomen. Immers is artikel 4:16 lid 4 in werking getreden op 1 januari 2003, tegelijkertijd met de regeling van de wettelijke verdeling die is neergelegd in artikel 4:13 BW. Deze wettelijke verdeling is gebaseerd op de praktijk van de ouderlijke boedelverdeling van artikel 4:1167 BW (oud). In artikel 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de bepalingen van het Nieuw burgerlijk wetboek vanaf het tijdstip van haar inwerkingtreding van toepassing zijn. Voor artikel 4:16 BW is daarop geen uitzondering gemaakt. De regeling van artikel 4:16 lid 4 BW moet daarom geacht worden ook directe werking te hebben in die gevallen waarin sprake is van een ouderlijke boedelverdeling naar oud recht. 4.6. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit het rechtmatig belang dat [eiser] moet hebben op grond van artikel 843a lid 1 Rv voort uit artikel 4:16 lid 4 BW. Uit artikel 4:16 lid 4 BW vloeit verder voort dat moeder en [gedaagde sub 2] gehouden zijn afschrift te verstrekken van alle bescheiden die [eiser] nodig heeft voor het vaststellen van zijn aanspraken en dat zij ook gehouden zijn tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden, zoals in dit geval [A] . De bewoordingen “alle bescheiden … die zij behoeven” is ruimer dan de bewoordingen “bepaalde bescheiden” in artikel 843a Rv. Van een fishing expedition, waarvoor [gedaagde sub 2] waarschuwt, is dan ook niet snel sprake. De vordering van [eiser] met betrekking tot de inzage en afschriften is dan ook toewijsbaar met inachtneming van het volgende. 4.6.1. Moeder merkt terecht op dat uit de vordering van [eiser] niet blijkt wiens aangiften inkomstenbelasting hij bedoelt. De rechtbank is van oordeel dat de aangiften inkomstenbelasting van [gedaagde sub 2] , vader en moeder vanaf 1993 t/m 2012 (het jaar waarin vader is overleden) moeten worden overgelegd. Het mag zo zijn dat de lening aan [gedaagde sub 2] , waarover [eiser] spreekt, nog steeds loopt, maar na het overlijden van vader kan alleen moeder nog schenkingen doen. Voor zover zij dat doet, brengt dat geen wijziging in de omvang van de legitimaire massa van de nalatenschap van vader. 4.6.2. Moeder en [gedaagde sub 2] voeren aan dat de stukken met betrekking tot de afwikkeling van de maatschap zich bevinden bij de voormalig boekhouder van vader en moeder, [A] , die ook de bedrijfsovername heeft begeleid. De rechtbank is van oordeel dat moeder en [eiser] op grond van artikel 4:16 lid 4 BW hun medewerking dienen te verlenen aan het verstrekken van de stukken die zich bij [A] bevinden. 4.6.3. De advocaat van [gedaagde sub 2] heeft naar aanleiding van het verhandelde ter comparitie op 13 juli 2017 een e-mailbericht gestuurd aan [A] . Daarin heeft hij aan [A] verzocht hem binnen twee weken te berichten welke kosten gepaard zijn met het onderzoek naar de vraag of de betreffende stukken nog beschikbaar zijn alsmede welke kosten zijn gemoeid met het daadwerkelijk ter beschikking van die stukken aan partijen, voor zover aanwezig. [A] heeft hierop geantwoord dat hij bereid is na te gaan welke stukken hij nog boven water kan halen en dat hij eventueel ook nog kan getuigen aangezien de zaak hem nog vrij helder voor ogen staat. [A] deelt mee dat hij zijn tijd aan dit dossier wil besteden tegen zijn gebruikelijke basistarief van € 195,00 exclusief kantoortoeslag en BTW. Op grond van artikel 843a Rv dienen de kosten van de gevorderde inzage en afschriften te worden voldaan door [eiser] . De rechtbank verwerpt dan ook het standpunt van [eiser] dat [gedaagde sub 2] de kosten van het opvragen van de stukken bij [A] zou moeten voldoen. 4.6.4. Voor zover de stukken die [eiser] wil hebben dateren van na de beëindiging van de opdracht aan [A] (volgens [gedaagde sub 2] sinds 2004) dienen moeder en [gedaagde sub 2] ervoor zorg te dragen dat de stukken, waarover zij zelf niet (meer) beschikken, maar die wel onder derden berusten, op kosten van [eiser] tot zijn beschikking worden gesteld. Zij zijn daarvan slechts vrijgesteld, als die derden verklaren dat zij de stukken ook niet meer hebben of als [eiser] weigert de kosten te voldoen. 4.7. Aangezien moeder en [gedaagde sub 2] tot op heden niet bereid zijn gebleken om de door [eiser] verzochte informatie en stukken te verschaffen, zal de rechtbank de gevorderde dwangsom van € 500,-- per dag toewijzen. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom maximeren op € 30.000,--. 4.8. Gelet op de familierelatie die tussen partijen bestaat, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd zoals hierna te melden. 4.9. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. in reconventie 4.10. Nu [eiser] de vordering van moeder uit hoofde van de lening erkent, zal de vordering worden toegewezen, evenals de daarover gevorderde contractuele rente. 4.11. Gelet op de familierelatie die tussen partijen bestaat, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd zoals na te melden. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. beveelt moeder en [gedaagde sub 2] om inzage of afschriften te verstrekken, althans hun medewerking te verlenen aan de verstrekking daarvan door derden, van de volgende gegevens aan [eiser] : a.
- a)de jaarstukken van de agrarische onderneming van vader en [gedaagde sub 2] over de jaren 1993 t/m 1996,
- b)het maatschapscontract met betrekking tot de agrarische onderneming tussen vader (en moeder) en [gedaagde sub 2] ,
- c)alle relevante stukken die betrekking hebben op de bedrijfsoverdracht in 1995, te weten de beëindigingsovereenkomst, de verdelingsakte betreffende de maatschap, de accountantsverklaring en gegevens omtrent de financiële afwikkeling,
- d)de aangiften inkomstenbelasting van [gedaagde sub 2] , vader en moeder vanaf 1993 t/m 2012,
- e)nadere stukken waaruit de inhoud en de voorwaarden van de lening(
- en)van vader aan [gedaagde sub 2] blijken, alsmede het saldo van de thans nog openstaande lening(
- en)en de betaalde rente, 5.2. veroordeelt moeder en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 30.000,-- is bereikt, 5.3. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.4. veroordeelt [eiser] tot betaling aan moeder van een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro), vermeerderd met de contractuele rente van 4,5% per jaar vanaf 1 mei 2012 tot aan de dag der voldoening, 5.5. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, in conventie en in reconventie 5.6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder de eigen kosten draagt, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Hutten en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2018.