vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/334059 / KG ZA 18-254 Vonnis in kort geding van 27 juni 2018 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. D. Vong te Veghel, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. K.M. van Aken te Vught. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 mei 2018 met producties 1 tot en met 4; het verhoor voorafgaand aan de mondelinge behandeling, waarbij de voorzieningenrechter de minderjarige dochter van de man, [naam dochter] , heeft gehoord; de mondelinge behandeling van 18 juni 2018 te 10.30 uur. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk veertien dagen na de mondelinge behandeling. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad en uit deze relatie is hun thans nog minderjarige zoon, [naam zoon] (hierna te noemen: [naam zoon] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [naam zoon] . [naam zoon] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 2.
- De man heeft uit een eerdere relatie een thans nog minderjarige dochter; [naam dochter] (hierna te noemen: [naam dochter] ). [naam dochter] is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . [naam dochter] is tijdens de relatie van partijen op 3-jarige leeftijd bij hen komen wonen na een uithuisplaatsing bij haar biologische moeder en een ondertoezichtstelling. De man is belast met het eenhoofdig gezag over [naam dochter] . [naam dochter] heeft haar hoofdverblijf bij de man. 2.
- Partijen zijn met elkaar in overleg getreden na beëindiging van hun relatie, omtrent een zorgregeling tussen de man en [naam zoon] en een omgangsregeling tussen de vrouw en [naam dochter] . Daarover hebben partijen afspraken gemaakt. 2.
- Op 4 februari 2018 is [naam dochter] bij de man vertrokken en heeft ze haar intrek bij de vrouw genomen. 2.
- Nadat de man informatie had ingewonnen bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar en de politie, heeft hij op 4 april 2018 contact opgenomen met de vrouw en verzocht [naam dochter] terug naar de man sturen. [naam dochter] is na 4 februari 2018 niet meer teruggekeerd naar de man. 3Het geschil 3.
- De man vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis [naam dochter] terug te brengen naar de man en/of [naam dochter] de toegang tot de woning van de vrouw te ontzeggen buiten de contactregeling om, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat aan de veroordeling niet wordt voldaan, zulks tot een maximum van € 50.000,
- 3.
- De man legt hieraan het volgende ten grondslag. De vrouw handelt onrechtmatig jegens de man, danwel anderszins in strijd met de wet, door [naam dochter] bij haar in huis te nemen en haar niet terug te sturen naar de man, terwijl de man het eenhoofdig gezag over [naam dochter] heeft en zij het hoofdverblijf bij hem heeft. 3.
- De vrouw voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Vooropgesteld wordt dat de man het eenhoofdig gezag heeft over [naam dochter] en zij haar hoofdverblijf bij de man heeft, zodat de vordering van de man in beginsel toewijsbaar zou zijn. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat op grond van art. 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind beoordeeld moet worden of het treffen van een dergelijke voorziening in het belang van [naam dochter] is. 4.
- De voorzieningenrechter is het met de man eens dat [naam dochter] op dit moment nog niet zelf kan bepalen waar zij woont, maar acht het tegelijk van belang dat met haar ideeën hierover wel rekening wordt gehouden nu zij 17 jaar oud is - in maart 2019 wordt ze 18 jaar - en [naam dochter] tijdens het kinderverhoor goed in staat is gebleken haar gevoelens over deze kwestie te verwoorden en aan te geven waarom zij weerstand voelt tegen de situatie bij de man thuis. Wat de voorzieningenrechter tijdens het verhoor onmiskenbaar is gebleken is dat [naam dochter] ernstige weerstand voelt om terug te keren naar de man. Contact met de man wenst zij wel, maar zij wil daarbij graag ondersteund worden door hulpverlenende instanties. 4.
- De vrouw geeft aan dat de hulpverlenende instanties hebben geadviseerd onder begeleiding gesprekken te laten plaatsvinden tussen de man en [naam dochter] om zo tot contactherstel te komen en het weer bij de man te komen wonen nu even te laten rusten om te voorkomen dat [naam dochter] de man verder afstoot. De vrouw stimuleert [naam dochter] tot het onderhouden van contact met de man. 4.
- Partijen zijn het erover eens dat [naam dochter] in verband met haar verleden bij haar biologische moeder - die thans uit beeld is - zorg en begeleiding nodig heeft. [naam dochter] kampt met een hechtingsstoornis en overschat zichzelf en de man heeft benadrukt dat hij zorgen heeft over het moment waarop [naam dochter] meerderjarig wordt. Uit de toelichting van partijen ter zitting is gebleken dat zij [naam dochter] beiden de zorg en begeleiding wensen te bieden die zij nodig heeft, zij het wellicht op een iets andere wijze. De voorzieningenrechter heeft de indruk gekregen dat de man een strakkere manier van opvoeden heeft, maar de vrouw - nu zij reeds vanaf 3-jarige leeftijd van [naam dochter] bij haar opvoeding betrokken is geweest - zich ook zeer bewust is van de nodige zorg, begeleiding en structuur die voor [naam dochter] noodzakelijk is. 4.
- Rekening houdend met alle omstandigheden en de belangen van partijen én [naam dochter] tegen elkaar afgewogen, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat [naam dochter] voorlopig bij de vrouw zal kunnen blijven. Toewijzing van de vordering druist in tegen de ideeën hierover van [naam dochter] , hetgeen zou kunnen leiden tot onwenselijke situaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk niet de indruk dat [naam dochter] bij toewijzing van de vordering - dus door haar door de vrouw op straat te laten zetten - zal terugkeren naar de man. In de komende periode zal in samenspraak met de hulpverlenende instanties moeten worden bezien op welke manier zo snel mogelijk contactherstel tussen de man en [naam dochter] geregeld kan worden. 4.
- De slotsom luidt dat de vordering van de man wordt afgewezen. 4.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- wijst de vorderingen af, 5.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.