vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/849675-12 Datum uitspraak: 19 juli 2018 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1957] , wonende te [woonplaats] , [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 april 2014, 8 juli 2014, 21 juli 2014, 17 februari 2016, 6 september 2016, 25 juni 2018, 27 juni 2018, 28 juni 2018 en 5 juli 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 maart 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2012 tot en met 22 mei 2012 te [gemeente 1] , gemeente Veghel, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal/telkens) ongeveer 2451, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of een of meer ander(
(177)bestanden van de bestandskenmerken “created” of “modified” een datum van na de dag van inbeslagname (4 december 2012) te weten 8 of 9 januari 2013. Zoals hierboven reeds is overwogen betekent het feit dat deze bestanden na 4 december 2012 zijn toegevoegd of gewijzigd geenszins dat er ook een inhoudelijke wijziging van de gegevens op de Freecom HDD heeft plaatsgevonden. Hoewel dit volgens [deskundige 2] niet kan worden uitgesloten acht de rechtbank het, gelet op de verklaring van [verbalisant 5] en het feit dat verdachte niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat ook de door een persoon interpreteerbare inhoud van de gegevens op de bestanden is gewijzigd, aannemelijk dat alleen de binaire inhoud van het digitale materiaal is gewijzigd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de Freecom HDD, zoals door [verbalisant 4] en de Belastingdienst beschreven. Door mr. Boone en mr. Hoevers is, onder verwijzing naar een van de verdediging zelf afkomstige foto (“bewijsstuk 32” bij de pleitnota) aangevoerd dat blijkens het etiket op dit zakje de Freecom HDD is aangetroffen bij de doorzoeking van het bedrijfspand van [bedrijf 1] op [adres 4] te [gemeente 2] , en derhalve niet in de van woning verdachte. Volgens nadere toelichting van de verdediging is het op de foto afgebeelde zakje met inhoud op deze wijze aan verdachte teruggegeven. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, zouden deze goederen daadwerkelijk op deze wijze zijn geretourneerd, daaruit niets blijkt omtrent de wijze of de plaats van inbeslagname. De rechtbank acht het niet uitgesloten dat de Freecom HDD, nadat deze werd aangetroffen in eerder (onder IBN-code H01.WK.004) in de woning van verdachte in beslag was genomen die, niet in een zakje voorzien van een etiketje is gestopt maar later wel in een (ander) zakje aan verdachte is geretourneerd. De rechtbank merkt daarbij op dat hetgeen op het etiket van het zakje staat vermeld – te weten een USB-stick en een geheugenplaatje – niet correspondeert met de inhoud van het zakje zoals op de foto weergegeven. De rechtbank ziet hierin en ook overigens geen reden te twijfelen aan de bevindingen van [verbalisant 4] dat de Freecom HDD op 10 december 2012 is aangetroffen in de op 4 december 2012 in de woning van verdachte aangetroffen tas. Het alternatieve scenario. De rechtbank acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk en overweegt daartoe als volgt. [medeverdachte 3] , zijnde de zoon van verdachte, heeft door middel van een door zijn raadsman opgestelde brief d.d. 21 januari 2014 kenbaar gemaakt samen met [betrokkene 2] verantwoordelijk te zijn voor de oprichting van de hennepkwekerij aan de [adres 2] te [gemeente 1] alsmede voor het aldaar aanleggen van een extra stroomkabel. Naar eigen zeggen zou deze openbaring mede zijn ingegeven door de wijze waarop zijn vader (zijnde verdachte) te lijden had onder de tegen hem gerezen verdenking. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 januari 2015 heeft [medeverdachte 3] in dezelfde lijn verklaard. De rechtbank acht deze verklaringen van [medeverdachte 3] niet geloofwaardig. Allereerst zou het naar het oordeel van de rechtbank zonder meer voor de hand hebben gelegen dat [medeverdachte 3] zijn verklaring reeds in een veel eerder stadium naar buiten had gebracht, en niet pas ruim een jaar nadat zijn vader als verdachte in deze strafzaak was aangemerkt, mede in aanmerking genomen de zwaarwegende gevolgen die die verdenking op de verdachten en hun onderneming hebben gehad. Bovendien hecht de rechtbank er belang aan dat het procesdossier geen concrete aanknopingspunten biedt voor rechtstreekse betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij de ten laste gelegde hennepteelt en diefstal van stroom. Daartegenover staat dat het dossier wel wezenlijke aanknopingspunten biedt voor de betrokkenheid van medeverdachte bij deze feiten, zoals vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog dat voor het scenario dat [medeverdachte 3] verantwoordelijk zou zijn voor het plaatsen dan wel bewerken van bestanden op de Freecom HDD (vóór de inbeslagname van die gegevensdrager door de politie), zoals door de verdediging is aangevoerd, in het dossier geen enkele steun te vinden is. Noch in de brief van de raadsman van [medeverdachte 3] , noch in het verhoor van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris is in dit verband iets naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat dit scenario reeds om die reden als onaannemelijk terzijde geschoven dient te worden. De rechtbank verwerpt het verweer. Vrijspraakoverweging ten aanzien feit 2. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit. Verdachte zal daarom van feit 2 te worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het navolgende vast. Op 22 mei 2012 is in een loods gelegen op het perceel [adres 2] te [gemeente 1] een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Kort daarvoor had [betrokkene 2] , bewoner van een bijgebouw op voornoemd perceel, zichzelf van het leven beroofd. In een door [betrokkene 2] achtergelaten afscheidsbrief wordt verwezen naar [medeverdachte 1] , die ‘dit allemaal heeft opgezet met katvanger [medeverdachte 2] ’. Uit kadastrale gegevens volgt dat het perceel [adres 2] te [gemeente 1] op 14 januari 2011 door [medeverdachte 1] en [verdachte] in eigendom is verkregen. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat naast [betrokkene 2] ook [medeverdachte 2] op dat perceel woonachtig was, in de maanden voorafgaand aan 22 mei 2012. Zowel de partner van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , als de tuinman [betrokkene 4] verklaren te hebben gehoord (respectievelijk van [betrokkene 2] en van [medeverdachte 2] ) dat [medeverdachte 1] eigenaar is van de hennepkwekerij. De rechtbank hecht waarde aan deze verklaringen, in het bijzonder omdat deze steun vinden in de inhoud van de getapte telefoongesprekken van [medeverdachte 2] . In deze telefoongesprekken, die plaatsvinden rondom zijn politieverhoor, spreekt [medeverdachte 2] zijn twijfels uit over het afleggen van een verklaring tegen “die kampers”. In gesprekken met [betrokkene 4] komt de vraag ter sprake “wie er hier nu rijker van is geworden”, waarbij wordt gezegd dat [medeverdachte 2] niets heeft ontvangen van “ [medeverdachte 1] ”. [betrokkene 4] zegt over zijn verklaring bij de politie dat hij [medeverdachte 1] niet kon zwart maken. “Als ik eerlijk ben maakt [medeverdachte 1] mij dood”. Behalve in de getapte telefoongesprekken vinden de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ook steun in de Excel-bestanden “buitenplaats.xlxs” en “ [betrokkene 2] .xlxs”, welke zijn aangetroffen op de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen Freecom HDD. Immers de verklaring van [betrokkene 3] dat [betrokkene 2] van [medeverdachte 1] € 400,- per maand ontving, vindt bevestiging in de het kostenoverzicht in het Excel-bestand “ [betrokkene 2] .xlxs”. Datzelfde geldt voor de verklaring [betrokkene 4] , inhoudende dat [medeverdachte 2] zou hebben gezegd dat hij om de drie maanden € 10.000,- van [medeverdachte 1] kreeg als de oogst gelukt was. Immers in het aan de [adres 2] te [gemeente 1] te relateren bestand “buitenplaats.xlsx” staat driemaal de opmerking “jongen voor contract 10000” vermeld. Verder vindt de verklaring van [betrokkene 3] , inhoudende dat [medeverdachte 1] [betrokkene 2] betaald zou hebben voor de hypotheek die [betrokkene 2] zou hebben afgesloten voor een woning Neerpelt, bevestiging in het Excel-bestand “ [betrokkene 2] .xlxs”. Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] als eigenaar dient te worden aangemerkt van de hennepkwekerij die op 22 mei 2012 in de loods aan de [adres 2] te [gemeente 1] werd aangetroffen. Met betrekking tot de vraag of kan worden vastgesteld dat er in de ten laste gelegde periode (1 maart 2012 tot en met 22 mei 2012) ook daadwerkelijk hennep is geteeld, overweegt de rechtbank het navolgende. Uit de op de Freecom HDD aangetroffen Excel-bestanden getiteld “Verwerking 2011” en “Verwerking 2012”, alsmede de in verband hiermee door [verbalisant 4] gerelateerde bevindingen, volgt dat er in deze Excel-bestanden inkomsten staan vermeld met als omschrijving “Extra”, welke inkomsten – binnen het onderzoek als geheel – niet te relateren zijn aan de primaire bedrijfsactiviteiten van verdachte, te weten de handel in vrachtwagens. De genoemde Excel-overzichten vermelden de navolgende inkomsten met als omschrijving “Extra”: op 5 december 2011 een bedrag van 154.000,- euro, op 12 maart 2012 een bedrag van 134.200,- euro en op 9 juni 2012 een bedrag van 105.360,- euro. Verder worden in diezelfde Excel-overzichten onder meer de navolgende uitgaven vermeld: op 10 december 2011 een bedrag van 14.000,- euro (met omschrijving ‘Pa winst (1ste)’), op 12 maart 2012 een bedrag van 67.000,- euro (‘Pa’) en op 31 juli 2012 een bedrag van 52.500,- euro (‘Pa van extra’). De rechtbank stelt vast dat de twee laatstgenoemde geldbedragen steeds nagenoeg de helft bedragen van de op 12 maart 2012 en 9 juni 2012 geboekte “extra” inkomsten. De omstandigheid dat de tijdspanne tussen de als “extra” aangemerkte inkomsten, die telkens ongeveer drie maanden bedraagt, aansluit bij de gebruikelijke duur van een kweekcyclus (circa tien weken), en in aanmerking genomen de door [verbalisant 1] in de loods geconstateerde indicaties dat de hennepkwekerij al langere tijd in gebruik was, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam kan worden vastgesteld dat er in de hennepkwekerij drie voltooide kweekrondes hebben plaatsgevonden en dat de opbrengsten hieruit door [medeverdachte 1] en zijn vader (zijnde verdachte) zijn verdeeld. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat het Excel-bestand getiteld “Verwerking 2012”, dat tot en met oktober 2012 was bijgewerkt, na juni 2012 geen “extra” inkomsten meer vermeldt. Indien deze inkomsten geen betrekking zouden hebben op de hennepkwekerij in [gemeente 1] , zou het voor de hand hebben gelegen dat er in september 2012 wederom een post met “extra” inkomsten was geboekt. Op grond van bovenstaande omstandigheden, te weten dat verdachte mede-eigenaar is van het perceel waarop de hennepkwekerij werd aangetroffen en het feit dat door hem wordt meegedeeld in de met die hennepkwekerij verkregen inkomsten, staat de betrokkenheid van verdachte naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast. De rechtbank betrekt in haar overweging dat indien verdachte niet van de hennepkwekerij zou hebben geweten, niet valt in te zien dat de helft van de met de hennepteelt verkregen winst aan “pa” toekomt. Een andere, logische verklaring hiervoor hebben verdachte en zijn zoon, hoewel zij daartoe uitgebreid in de gelegenheid zijn gesteld, niet kunnen of willen geven. De gedraging van verdachte heeft er aldus in bestaan dat hij welbewust een of meer anderen in staat heeft gesteld hennep te telen in een loods waarvan hij de (mede-)eigenaar was. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging medeplichtigheid oplevert aan het opzettelijk telen van hennep en acht het subsidiaire feit derhalve bewezen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het navolgende vast. Op de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen Freecom HDD zijn onder meer Excel-bestanden aangetroffen. Onder de naam “Verwerking 2011”: - een overzicht van 632 vrachtwagens, inkoop, verkoop winst, zogenaamd winstoverzicht en - een overzicht ontvangsten en uitgaven vanaf november 2011. Onder de naam “Verwerking 2012”: - een overzicht met 673 vrachtwagens, inkoop, verkoop, winst; genaamd winstoverzicht - een overzicht ontvangsten en uitgaven tot en met november 2012. De inhoud van deze bestanden zijn door de Belastingdienst onderzocht en vergeleken met de (officiële) cijfers uit de boekhouding die in beslag is genomen bij [medeverdachte 1] , verdachte, hun bedrijf en hun accountant. Uit dit onderzoek volgt onder meer dat in de winstoverzichten, welke deel uitmaken van de Excel-bestanden “Verwerking 2011” en “Verwerking 2012”, vrachtwagentransacties worden vermeld die eveneens terugkomen in de officiële, “witte” administratie. Daarbij staat echter het merendeel van de verkooptransacties voor beduidend hogere bedragen in de winstoverzichten opgenomen dan de verkoopbedragen op de verantwoorde verkoopfacturen vermelden. Op grond van deze vergelijking wordt geconcludeerd dat over de periode van 1 januari 2011 tot en met november 2012 een substantieel deel van de door [bedrijf 1] met de handel in vrachtwagens gerealiseerde winst niet is verantwoord. Uit bovengenoemd onderzoek volgt verder dat de niet-verantwoorde meer-inkomsten rechtstreeks zijn terug te vinden in de overzichten “ontvangsten en uitgaven”, welke eveneens deel uitmaken van de Excel-bestanden “Verwerking 2011” en “Verwerking 2012”. Deze overzichten “ontvangsten en uitgaven” (hierna: de zwart-witte kas) duiden op een registratie van een gecombineerde witte en zwarte kas, die er kennelijk toe dient om het overzicht te bewaren in de reële geldstromen. Tevens blijkt uit het onderzoek dat in de zwart-witte kas sprake is van een uit onbekende bron afkomstige geldstroom die niet aan de officiële administratie kan worden gerelateerd. Van een gedeelte van deze geldbedragen, welke worden aangeduid als “Extra”, heeft de rechtbank hierboven reeds vastgesteld dat deze inkomsten gerelateerd kunnen worden aan de hennepteelt aan de [adres 2] te [gemeente 1] . De rechtbank concludeert dat met de buiten de boekhouding gelaten geldbedragen, alsmede met de in de zwart-witte kas genoemde niet-herleidbare geldbedragen, een substantieel zwart-geld-circuit is ontstaan waarover [medeverdachte 1] , maar ook verdachte (al dan niet middels hun gezamenlijke onderneming) de beschikking hadden. Voorts staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat [medeverdachte 1] en verdachte (middels hun gezamenlijke onderneming) ook legale inkomsten hebben verworven en “wit” geld voorhanden hebben gehad. De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van vermenging van de illegale en legale vermogensbestanddelen. Wanneer van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, op zo een wijze dat de vermogensbestanddelen met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laten individualiseren, kan het aldus vermengde vermogen – onder omstandigheden – in zijn geheel worden aangemerkt als “deels uit misdrijf afkomstig” in de zin van de witwasbepalingen. Bij de beantwoording van de vraag of dit aan de orde is, kan onder meer gekeken worden naar de waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel. Tevens kan in de beoordeling worden betrokken het tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft, alsmede het aantal veranderingen in dat vermogen in de tussentijd. Ook het al dan niet incidentele karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen kan hierbij een rol spelen. De voorgaande criteria in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van vermenging van, enerzijds, de (criminele) opbrengsten uit de hennepteelt en de buiten de boekhouding gelaten winsten en, anderzijds, de (legale) vermogensbestanddelen van [medeverdachte 1] en verdachte in privé alsmede de vermogensbestanddelen van [bedrijf 1] waarover zij samen feitelijke zeggenschap hadden. In het bijzonder slaat de rechtbank acht op de substantiële omvang van de buiten de boeken gehouden winst van [bedrijf 1] , ook ten opzichte van de wel verantwoorde winst, alsmede op de aanzienlijke omvang van de uit de hennepteelt afkomstige gelden. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de zwarte vermogenscomponenten (kennelijk) zakelijk zijn geherinvesteerd en dat er privé-uitgaven mee zijn bekostigd. De rechtbank concludeert aldus dat het gehele aan verdachte, diens zoon [medeverdachte 1] en hun onderneming ter beschikking staande vermogen besmet is geraakt en derhalve als gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – van misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet hebben geweten dat dit geld uit misdrijf afkomstig was. Alleen al omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat zijn uitgaven beduidend hoger lagen dan zijn legale inkomsten; hij deelde mee in de zwarte winst. Bovendien was hij intensief betrokken bij de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] . Aan verdachte is onder (
- a)ten laste gelegd dat hij – kort en feitelijk weergegeven – ten aanzien van een Lamborghini en een Viper speedboot heeft willen verhullen wie de rechthebbende op dat voorwerp was. Met betrekking tot de Lamborghini overweegt de rechtbank dat uit het dossier weliswaar volgt dat deze auto is aangetroffen in een bij de woning van verdachte behorende garage, maar dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft bijgedragen aan het ‘verhullen’ in vorenbedoelde zin. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens ten aanzien van de speedboot, zodat verdachte van het onder (
- a)ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Aan verdachte is onder (
- b)ten laste gelegd – kort samengevat – dat hij crimineel vermogen voorhanden heeft gehad dan wel heeft omgezet, waarmee sprake is van witwassen. De rechtbank zal de ten laste gelegde gedragingen hieronder puntsgewijs bespreken, waarbij de rechtbank vooropstelt dat verdachte, hoewel hij daartoe uitgebreid in de gelegenheid is gesteld, geen enkele uitleg heeft gegeven over de bedragen die in de Excel-bestanden op de Freecom HDD staan vermeld, noch over transacties zoals die uit de onderzochte administratie volgen of over de aangetroffen contante geldbedragen. Het eerste gedachtestreepje onder (
- b)heeft betrekking op de totale buiten de officiële administratie gehouden winst van [bedrijf 1] over 2011 en 2012. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte het geldbedrag van € 2.055.627- heeft omgezet, nu deze gelden kennelijk door verdachte en zijn zoon [medeverdachte 1] bij de handel in vrachtwagens zijn geherinvesteerd en tevens in privé door hen zijn uitgegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag ad € 2.622.592,- niet alleen winst van [bedrijf 1] betreft, maar ook de extra winst uit andere activiteiten waarbij [bedrijf 1] niet is betrokken, zoals inkomsten uit de hennepkwekerij en ijzerhandel. Het witwassen van deze extra winst van € 560.695,- komt hierna aan de orde. Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje onder (
- b)heeft de rechtbank hierboven reeds overwogen dat vast staat dat het hier genoemde geldbedrag van € 560.695,- (deels) afkomstig is uit de hennepteelt op de [adres 2] te [gemeente 1] . Mede in aanmerking genomen dat het ten laste gelegde geldbedrag niet als zodanig is aangetroffen, acht de rechtbank bewezen dat deze gelden zijn omgezet. Het derde gedachtestreepje onder (
- b)heeft betrekking op het op 4 december 2012 in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 5] te [gemeente 2] en de woning van verdachte aan de [adres 1] te [gemeente 2] aangetroffen contante geldbedragen, althans het gedeelte daarvan dat als onverklaarbaar is aan te merken. De rechtbank stelt voorop dat verdachte en zijn zoon, nu zij tezamen de verantwoordelijkheid dragen voor de inkomsten uit hennepteelt en de inkomsten uit de vrachtwagenhandel, ook gezamenlijk verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het totale inbeslaggenomen geldbedrag. De rechtbank overweegt dat bij de doorzoekingen op 4 december 2012 in totaal € 418.285,- aan contant geld is aangetroffen. Gelet op het tot en met 30 oktober 2012 bijgewerkte kasboek van [bedrijf 1] , alsmede de facturen van na die datum en de verklaring van de vader van verdachte over enkele laatste transacties, diende het kassaldo van de onderneming op 4 december 2012 (afgerond) € 159.280,- te bedragen. Derhalve is het verschil van € 259.005,- aan te merken als onverklaarbaar geld en is dit geldbedrag het voorwerp van witwassen. De rechtbank stelt vast dat het hier een situatie betreft waarin verdachte een onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen voorwerp voorhanden heeft. Nu dossier geen bewijs biedt dat verdachte de criminele herkomst van deze contant aangetroffen geldbedragen daadwerkelijk heeft verborgen of verhuld, zal de rechtbank verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging ontslaan van alle rechtsvervolging omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Het vierde gedachtestreepje onder (
- b)ziet op een lening die door [bedrijf 2] is verstrekt aan de partner van [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] . De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt van betrokkenheid van verdachte bij deze gedraging, zodat hij van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Met betrekking tot de onder het vijfde gedachtestreepje onder (
- b)ten laste gelegde omzetten van zwarte geldbedragen, stelt de rechtbank vast dat er in de periode tussen 4 februari 2011 en 10 mei 2012 in totaal € 73.440,- contant is gestort op de rekening van [medeverdachte 2] en er in dezelfde periode in totaal € 64.875,- van die rekening is overgeboekt naar de rekening [rekeningnummer] waarvan verdachte en zijn zoon beiden als rekeninghouder stonden vermeld. Gelet op onder meer de verklaringen van getuige [betrokkene 4] en medeverdachte [medeverdachte 2] , alsmede de huurovereenkomsten welke zowel door verdachte als door zijn zoon zijn ondertekend, acht de rechtbank bewezen dat deze “huur” een schijnconstructie vormde voor het omzetten van zwart geld. Hetgeen onder het zesde gedachtestreepje onder (
- b)is vermeld, heeft betrekking op een storting van geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 1] ten behoeve van de aanschaf van een Lamborghini. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt van betrokkenheid van verdachte bij deze gedraging, zodat hij van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Datzelfde geldt ten aanzien van het zevende gedachtestreepje, dat betrekking heeft op de aankoop van een speedboot merk Viper. Ten aanzien van het achtste en het negende gedachtestreepje onder (
- b)stelt de rechtbank voorop dat uit het onderzoek volgt dat het reguliere inkomen van zowel verdachte als zijn zoon onvoldoende was voor hun uitgaven. In dit verband is door de verdediging gewezen op een brief van de accountant van [bedrijf 1] , de [accountant] , waaruit volgt dat deze conclusie op basis van de voorhanden zijnde vermogensopstelling niet zonder meer kan worden getrokken (punt 127 van de pleitnota van mr. Knoops). De rechtbank acht dit bij pleidooi ingebrachte, niet onderbouwde stuk echter onvoldoende ter weerlegging van de bevindingen van de Belastingdienst. De rechtbank acht bewezen dat het onder het achtste gedachtestreepje genoemde bedrag ad € 153.610,- door [medeverdachte 1] is overgedragen aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt van betrokkenheid van verdachte bij de onder het negende gedachtestreepje onder (
- b)genoemde gedraging, zodat hij van dit gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Onder het tiende gedachtestreepje onder (
- b)is ten laste gelegd het omzetten uit misdrijf afkomstig geld ten behoeve van de aanschaf van een aantal specifiek genoemde zaken. Met betrekking tot het appartement in Spanje is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen biedt dat voor de aanschaf hiervan, behoudens legale financiering tevens gebruik is gemaakt van middelen met een criminele herkomst, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Ter zake van de Mercedes CLK 320 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] hiervan de eigenaar is. Over de wijze waarop deze personenauto is verkregen, heeft die [medeverdachte 1] geen verklaring willen geven. De verklaring van verdachte, inhoudende dat de Mercedes CLK 320 was inbegrepen bij de aankoop van het appartement, acht de rechtbank, gelet op de waarde van de Mercedes in verhouding tot de waarde van het appartement onaannemelijk. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat deze personenauto door verdachte en door diens zoon gezamenlijk is aangeschaft met crimineel geld. Ter zake van de Mercedes CL 63 AMG overweegt de rechtbank dat deze personenauto op 4 december 2012 onder de verdachte in beslag is genomen. Vastgesteld kan worden dat deze personenauto op 1 augustus 2012 voor een bedrag van € 45.000,- door [bedrijf 1] is gekocht van een Duitse autohandelaar, met de kennelijke bedoeling deze auto aan verdachte door te verkopen. Mede in aanmerking genomen dat in de zwart-witte kas op 3 augustus 2012 als inkomsten staat vermeld “pa CL63 ad EUR 33.000”, acht de rechtbank bewezen dat deze personenauto met crimineel geld door verdachte en zijn zoon is aangekocht met hun onderneming als tussenstation. Met betrekking tot de Porsche Panamera stelt de rechtbank vast dat deze personenauto op 6 september 2013 in beslag genomen is en dat is gebleken dat deze sedert 5 juli 2013 op naam van [bedrijf 1] stond. Aldus kan niet worden bewezen dat deze Porsche Panamera binnen de tenlastegelegde periode is aangeschaft. Ten aanzien van de genoemde Volkswagen Golf, de Audi A4 en het tweetal Vespa’s is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende informatie voorhanden is over de wijze waarop deze voorwerpen zijn verkregen om te kunnen concluderen dat deze voorwerpen het onderwerp zijn van witwassen. Verdachte zal dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Gelet op het aantal als witwassen aan te merken handelingen, de structurele aard daarvan alsmede de duur van de periode waarbinnen die witwashandelingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop van uit misdrijf afkomstige geldbedragen naar elkaar worden overdragen en de wijze van het administreren daarvan is aan te duiden als een nauwe en bewuste samenwerking, en dat er derhalve sprake is van medeplegen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4. De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat uit een vergelijking van de winstoverzichten, welke deel uitmaken van de Excel-bestanden “Verwerking 2011” en “Verwerking 2012”, met de officiële “witte” administratie volgt dat een substantieel deel van de door [bedrijf 1] met de handel in vrachtwagens gerealiseerde winst niet is verantwoord. Over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 betreft het een bedrag van € 351.407,-- en over de periode van 1 januari 2012 tot en met november 2012 gaat het om een bedrag van € 1.704.220,-. Ter zake van deze bedragen heeft de rechtbank overwogen dat deze bedragen, tezamen € 2.055.627,-, zijn omgezet nu deze gelden kennelijk door verdachte en zijn zoon bij de handel in vrachtwagens zijn geherinvesteerd en tevens in privé door hen zijn uitgegeven. Ten aanzien van het contant aangetroffen contante geldbedrag ad € 259.005,- kan niet worden bewezen dat verdachte dit geld, in de hoedanigheid van directeur van [bedrijf 1] , voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde gedragingen aan de rechtspersoon [bedrijf 1] zijn toe te rekenen, nu het gaat om een handelen door personen (te weten: verdachte en zijn zoon, [medeverdachte 1] ) die beiden, vanuit hun functie als indirect directeur en bestuurder, werkzaam waren binnen de rechtspersoon. De gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, te weten de handel in vrachtwagens. Verder waren de gedragingen de rechtspersoon dienstig, nu immers de buiten de boeken gehouden geldstroom meer financiële ruimte bood voor herinvesteringen, dan wanneer er over die geldstroom belasting zou zijn afgedragen. Daarnaast heeft de rechtspersoon over de gedragingen beschikt en deze aanvaard, nu de bestuurders op de hoogte waren van de gedragingen en hierin niet hebben ingegrepen. Het in dit verband door mr. Knoops gevoerde verweer, inhoudende dat de gedragingen niet aan [bedrijf 1] kunnen worden toegerekend, vindt zijn weerlegging in de andere visie van de rechtbank. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn zoon beiden (indirect) directeur en bestuurder zijn van [bedrijf 1] en dat beiden exclusief bevoegd zijn om namens die onderneming beslissingen te nemen en opdrachten te vertrekken. Bovendien moet verdachte vanuit zijn rol binnen het bedrijf hebben geweten dat [bedrijf 1] “wit” onvoldoende winst genereerde om de diverse kostbare in het dossier vermelde uitgaven te kunnen financieren. Als medebestuurder wordt hij immers geacht op de hoogte te zijn van de (werkelijke) resultaten van de berdrijfsvoering. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder feit 4 ten laste gelegde verboden gedragingen die zijn begaan door de genoemde rechtspersoon. Ook ten aanzien van dit feit is de rechtbank van oordeel dat het witwassen als gewoontewitwassen kan worden aangemerkt, gelet op de structurele aard ervan alsmede de duur van de periode waarbinnen die witwashandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en [medeverdachte 1] zijn aan te duiden als een nauwe en bewuste samenwerking, en dat er derhalve sprake is van medeplegen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 12 november 2012 bij het kantoor van de Kamer van Koophandel te [gemeente 2] is ingekomen een “Publicatierapport 2011” betreffende de rechtspersoon [bedrijf 1] , ondertekend door verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte en [medeverdachte 1] zijn, elk via hun eigen beheer-BV voor de helft aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] en gezamenlijk bevoegd. In die hoedanigheid zijn zij verantwoordelijk voor het goedkeuren en het deponeren van de jaarrekening van voormelde rechtspersoon. In aanmerking genomen hetgeen hierboven in het kader van feit 3 en feit 4 is overwogen, wijken de in de gedeponeerde “balans per 31 december 2011” genoemde bedragen sterk af van de op de Freecom HDD aangetroffen zwarte en zwart-witte kas betreffende [bedrijf 1] , waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat deze bedragen buiten de “witte” boekhouding zijn gehouden. Aldus acht de rechtbank bewezen dat verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] een onware balans opzettelijk heeft openbaar gemaakt. Gelet op de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 1] de balans gezamenlijk hebben vastgesteld en het publicatierapport gezamenlijk hebben geaccordeerd en ingediend, komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van medeplegen. Vrijspraakoverweging ten aanzien van feit 6. Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van de onder feit 6 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie, dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk samenwerkingsverband in de onderhavige zaak geen sprake is, en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank heeft hierboven reeds vastgesteld dat verdachte medeplichtig is aan het telen van hennep in een loods op het perceel [adres 2] te [gemeente 1] , door de loods ter beschikking te stellen en mee te delen in de uit de hennepteelt afkomstige winst. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan verder worden vastgesteld dat de zoon van verdachte, [medeverdachte 1] , aangemerkt moet worden als pleger van de hennepteelt. Van enige feitelijke betrokkenheid van [bedrijf 1] bij de hennepteelt is niet gebleken. Datzelfde geldt voor de natuurlijke personen [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] (die overigens niet bij naam in de tenlastelegging zijn vermeld), van wie slechts kan worden vastgesteld dat zij als katvangers op het genoemde perceel hebben verbleven. Evenmin is gebleken van betrokkenheid van [betrokkene 1] . Zoals hierboven door de rechtbank overwogen, is vast komen staan dat verdachte en [medeverdachte 1] geldbedragen en goederen hebben witgewassen, al dan niet als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] . Voorts staat vast dat een gedeelte van deze geldbedragen afkomstig is uit vorengenoemde hennepteelt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgen geen concrete aanwijzingen voor enige betrokkenheid van [betrokkene 2] of [betrokkene 1] bij dit witwassen. Op grond van het dossier wel kan worden opgemaakt dat medeverdachte [medeverdachte 2] een bijdrage aan dit witwassen heeft geleverd, door onder het mom van huurbetalingen geldbedragen naar [medeverdachte 1] (en verdachte) over te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze omstandigheid evenwel onvoldoende om een structureel (crimineel) samenwerkingsverband met deze [medeverdachte 2] aan te nemen. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat het door [medeverdachte 2] overgemaakte bedrag (ad € 64.875,-), afgezet tegen de achtergrond van het totale financiële belang van het verweten witwassen, beperkt te achten is. Gelet op de omstandigheid dat verdachte en zijn zoon beiden (indirect) bestuurder zijn van [bedrijf 1] en over exclusieve formele zeggenschap beschikken, en in aanmerking genomen dat het een bedrijf betreft dat zich in beginsel bezighoudt met de legale verkoop van vrachtwagens en opleggers, is de rechtbank van oordeel dat ook niet kan worden gesproken van een structureel samenwerkingsverband – als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht – tussen de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [bedrijf 1] . Concluderend zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte 1. subsidiair [medeverdachte 1] en andere personen of de periode van 01 maart 2012 tot en met 22 mei 2012 te [gemeente 1] , gemeente Veghel, met elkaar, opzettelijk hebben geteeld in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 maart 2012 tot en met 22 mei 2012 te [gemeente 1] , gemeente Veghel, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die personen voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen; 3. in de periode van 01 januari 2011 tot en met 04 december 2012, in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
- b)door de navolgende voorwerpen voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten, zulks terwijl zij wisten dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf: - geldbedragen tot een totaal van € 2.055.627,- (winst over 2011 en 2012 uit de activiteiten van [bedrijf 1] die niet in de officiële administratie en/of jaarrekening is verantwoord), en - geldbedragen tot een totaal van omstreeks € 566.965,- (bedragen die geen betrekking hebben op de activiteiten van [bedrijf 1] en die in de winstoverzichten en "zwart-witte kas" (onder meer) worden vermeld als "eerste/tweede winst" en/of "extra winst" en/of "extra kosten"), en - geldbedragen tot een totaal van € 259.005,- (tijdens de doorzoekingen op 4 december 2012 aangetroffen contanten), en - geldbedragen tot een totaal van € 64.875,- (overboekingen op rekening [rekeningnummer] van [medeverdachte 1] . en [verdachte] ), en - geldbedragen tot een totaal van € 153.610,- (contante ontvangsten door [verdachte] ), en - hoeveelheden geld ten behoeve van de aanschaf en de betaling van: * een voertuig, te weten een Mercedes CLK 320 ( [kenteken 1] ) en * een voertuig, te weten een Mercedes CL 63 AMG ( [kenteken 2] ); 4. de rechtspersoon [bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 01 januari 2013 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, [bedrijf 1] , hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer € 2.055.627,-, voorhanden gehad en omgezet: - over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 geldbedragen van in totaal € 351.407,- en - over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012 geldbedragen van in totaal € 1.704.220,- , zulks terwijl zij, [bedrijf 1] wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven; 5. als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] op 14 november 2012 te [gemeente 2] tezamen en in vereniging met een ander een onware balans met betrekking tot het boekjaar 2011 van de rechtspersoon [bedrijf 1] (te weten: "Publicatiegegevens 2011") opzettelijk openbaar heeft gemaakt (door deponering bij de Kamer van Koophandel), immers: - wijkt de balans sterk af van hetgeen blijkt uit de door verdachten gevoerde "zwarte en zwart-witte kas". De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Ten aanzien van het in de bewezenverklaring onder feit 3 genoemde geldbedrag ad € 259.005,- (het “onverklaarbare” aangetroffen contante geld) is enkel het voorhanden daarvan bewezen verklaard. Nu het een geldbedrag betreft dat uit eigen misdrijf afkomstig is en niet is gebleken dat verdachte gedragingen heeft verricht om de criminele herkomst van dit geldbedrag te verbergen of te verhullen, is de rechtbank van oordeel dat het voorhanden hebben van dit geldbedrag ad € 259.005,- niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Verdachte zal ten aanzien van dit gedeelte van de bewezenverklaring te worden ontslagen van alle rechtsvervolging Voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van het bedrag van € 2.836.597,- , zijnde het totaal van de niet-verantwoorde winst over 2011 en 2012 plus het “onverklaarbare” kasgeld dat bij de doorzoeking is aangetroffen. Subsidiair is de verbeurdverklaring gevorderd van de specifieke ten laste gelegde vermogensbestanddelen. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsman, die integrale vrijspraak heeft bepleit, heeft met betrekking tot de strafmaat opgemerkt dat hij de door de officier van justitie gevorderde straf volstrekt niet op zijn plaats vindt. Voorts is geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde verbeurdverklaringen. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdacht heeft op grote schaal en op professionele wijze hennep geteeld. Daarnaast heeft hij als directeur van [bedrijf 1] , een bedrijf waarin tweede hands vrachtwagens worden ingekocht en verkocht, een belangrijk deel van het resultaat van de onderneming onttrokken aan het zicht van de belastingdienst. Door herinvestering van het zwarte geld in het bedrijf en door middel van allerlei schimmige constructies heeft hij het geld dat hij met de hennepteelt en de zwarte omzet heeft verdiend witgewassen. Er ontstond een vermenging van de inkomsten uit de legale onderneming met de illegale/criminele inkomsten. Deze wijze van witwassen vormt een ernstige bedreiging voor en ondermijning van de legale economie en tast de integriteit aan van het financiële en economische verkeer aan. Naast de zichtbare en door de overheid controleerbare economische werkelijkheid ontstaat een parallelle economie waarin men zich onttrekt aan de voor iedereen geldende normen en waar het gebruik van geweld wordt niet geschuwd. De financiële belangen zijn groot en de vrees voor de gevolgen bij ontdekking leidt vaak tot bedreiging en intimidatie. Ook in deze zaak verklaren getuigen direct of indirect dat zij zijn bedreigd en onder druk gezet, zodanig dat zij daardoor bang waren om over de directeuren van de onderneming belastend te verklaren. Vanwege de geschetste ernst van de door verdachte gepleegde feiten acht de rechtbank geen andere straf passend dan een gevangenisstraf van enkele jaren. De rechtbank zal een kortere gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat een groot deel van het uit misdrijf verkregen geld door de ontnemingsvordering, de verbeurdverklaring en de navordering door de belastingdienst van verdachte zal worden afgenomen. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet worden afgerond zal de rechtbank op de op te leggen gevangenisstraf een korting van twee maanden toepassen. Verbeurdverklaring. De rechtbank stelt voorop dat uit de wet en uit de vaste rechtspraak volgt dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp waarop hetzij beslag ex artikel 94 Sv rust, hetzij dat door de verdachte kan worden uitgeleverd als er geen beslag op rust. Noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte het bedrag van € 2.836.597,- waarvan de officier van justitie de verbeurdverklaring vordert, thans nog – contant dan wel giraal – voorhanden heeft. Uitlevering ex artikel 34 van het wetboek van Strafrecht kan niet worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat voormeld geldbedrag niet voor verbeurdverklaring vatbaar is. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de in beslag genomen Mercedes CL 63 AMG [kenteken 2] een voorwerp is met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en dat dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde. De rechtbank acht dit voorwerp daarom eveneens vatbaar voor verbeurdverklaring. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken van voorwerpen die op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 23.591,40, uitgaande van drie gerealiseerde oogsten. Het standpunt van de verdediging. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak, dient te worden afgewezen. Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde feit, waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 48, 51, 336, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van den Opiumwet. DE UITSPRAAK De rechtbank: - verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 1. primair, 2. en 6. ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart het onder 1. subsidiair, 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; - verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij; Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: t.a.v. feit 1 subsidiair:medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbodt.a.v. feit 3:medeplegen van een gewoonte maken van witwassen t.a.v. feit 4:medeplegen van feitelijk leiding geven aan een gewoonte maken van witwassen, begaan door een rechtspersoon t.a.v. feit 5:medeplegen van het door een bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware balans-verklaart verdachte hiervoor strafbaar; - legt op de volgende straffen: t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 3, feit 4 en feit 5:Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; Verbeurdverklaring van de Mercedes CL 63 AMG [kenteken 2] . Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]: Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter, mr. I.L.A. Boer en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier, en is uitgesproken op 19 juli 2018. Zie in dit verband het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 juli 2014 in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 01/849324-12).