vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/325412 / HA ZA 17-618 Vonnis van 27 juni 2018 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BERNHEZE, zetelend te Heesch, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M.J.A. Verhagen te Eindhoven, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MOOI WEER RECREATIE BV, gevestigd te Amsterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam. Partijen zullen hierna de gemeente en MWR genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - conclusie van antwoord tevens inhoudende verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, tevens houdende eis in reconventie - het tussenvonnis van 15 november 2017 - conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties - de aanvullende producties zijdens MWR - het proces-verbaal van comparitie van 12 april 2018. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. MWR heeft bij notariële akte van 11 december 2006 het recht van erfpacht, tot 31 december 2069, verkregen op de in die akte vermelde percelen grond (zie productie 1 bij dagvaarding), gelegen op recreatieoord De Wildhorst te Heeswijk-Dinther, tegen een koopprijs van € 678.975,00. De gemeente is eigenaar van deze percelen en van diverse andere percelen op recreatieoord De Wildhorst. Eind 2006 waren ook Stichting Recreanders (hierna: ‘Recreanders’) en Jusoma Holding B.V. (hierna: ‘Jusoma’) erfpachters van een aantal van die percelen. In de erfpachtvoorwaarden is bepaald dat voor de erfpachtrechten jaarlijks een canon is verschuldigd. 2.2. De gemeente maakte met ingang van 1 januari 2008 aanspraak op een verhoging van de canon, gebaseerd op de waarde van de kavels per die datum. MWR, Jusoma en Recreanders weigerden de canon over het jaar 2008 en de daarop volgende jaren aan de gemeente te betalen. Primair stelden zij zich op het standpunt dat zij geen canon aan de gemeente verschuldigd waren, onder meer omdat zij de canon tot het einde van het erfpachtrecht hadden afgekocht; subsidiair vonden zij dat de gemeente de canon niet mocht verhogen. Bij vonnis van 28 september 2011 (productie 3 bij dagvaarding) heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat MWR, Jusoma en Recreanders uit hoofde van de erfpachtovereenkomst de canon aan de gemeente verschuldigd waren en dat de gemeente de canon met ingang van 1 januari 2008 mocht verhogen, met veroordeling van de drie erfpachters tot betaling van de canon. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 mei 2015 (productie 4 bij dagvaarding) dat vonnis bekrachtigd voor wat betreft de verklaringen voor recht, maar heeft de canon anders vastgesteld. Het gerechtshof heeft de wijze waarop de canon moest worden berekenend voor recht verklaard en de drie erfpachters veroordeeld tot betaling van die canon. Tevens heeft het gerechtshof de gemeente opgedragen om binnen een maand na het arrest aangepaste facturen over de jaren 2008 tot en met 2014 aan MWR en de twee andere erfpachters te sturen. 2.3. Bij facturen d.d. 15 juni 2015 heeft de gemeente de canon over 2008 tot en met 2015 aan MWR in rekening gebracht. De factuur voor de canon over 2015 bedroeg € 138.549,99. Bij exploot van 23 juni 2015 is (onder meer) het arrest van 26 mei 2015 aan MWR betekend en is bevel gedaan om binnen twee dagen aan de gemeente een bedrag te betalen van € 719.729,75, zijnde de hoofdsom inclusief wettelijke rente tot en met 14 juni 2015. MWR heeft niets aan de gemeente betaald. De gemeente heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd op de rechten van erfpacht van MWR, maar de Coöperatieve Rabobank U.A. en Rabo Hypotheekbank, ten behoeve van wie een recht van hypotheek was gevestigd op het recht van erfpacht van MWR, gingen niet tot executie over. De gemeente heeft zich daarom tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gericht met een verzoekschrift ex artikel 545 Rv. 2.4. Op 1 februari 2016 heeft de gemeente een factuur ad € 139.688,25 voor de canon over 2016 naar MWR gestuurd. 2.5. Bij beschikking van 26 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de bank binnen zes maanden na betekening van de beschikking zou overgaan tot de openbare verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop van de in het verzoekschrift nader aangeduide erfpachtrechten. Deze beschikking is bij exploot van 2 maart 2016 aan de bank betekend. 2.6. Bij factuur d.d. 1 januari 2017 heeft de gemeente de canon over 2017 ten bedrage van € 140.601,25 in rekening gebracht. 2.7. De gemeente heeft bij exploot van 24 mei 2017 onder verwijzing naar artikel 5:87 lid 2 BW de erfpacht van MWR opgezegd tegen 1 januari 2018. MWR heeft aan de effectuering van die opzegging geen medewerking verleend. 3Het geschil in conventie 3.1. De gemeente vordert – samengevat – om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat de aan MWR toebehorende rechten van erfpacht aangaande de percelen die zijn gelegen op recreatieoord De Wildhorst en die zijn vermeld op de lijst die is overgelegd als productie 2 bij dagvaarding per 1 januari 2018 zijn beëindigd; 2. MWR te veroordelen tot betaling van de canon over 2015 ad € 138.549,99, over 2016 ad € 139.688,25 en over 2017 ad € 140.601,25, alsmede MWR te veroordelen tot vergoeding van de schade gelijk te stellen aan de per 1 januari 2018 verschuldigde canon ad € 140,601,25, een en ander te vermeerderen met rente; 3. te verklaren voor recht dat de gemeente het bedrag terzake de door MWR verschuldigde canon over de jaren 2008 tot en met 2017 aan hoofdsom en wettelijke rente tot 1 september 2017 ad € 1.196.173,70, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2017, alsmede de schadevergoeding per 1 januari 2018 zoals onder 2 gevorderd, mag verrekenen met hetgeen de gemeente aan MWR verschuldigd is terzake de vergoeding van de waarde van het resterende recht van erfpacht zoals door een door de rechtbank benoemde deskundige vast te stellen; 4. voorwaardelijk, voor het geval hetgeen MWR aan canon en schadevergoeding verschuldigd is het door de gemeente aan MWR verschuldigde bedrag terzake de restwaarde als bedoeld onder 3 overstijgt, MWR te veroordelen het meerdere binnen één week na betekening van het vonnis aan de gemeente te voldoen; 5. MWR te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis de percelen die zijn vermeld op de lijst met de rechten van erfpacht van MWR die is overgelegd als productie 2 bij dagvaarding, te ontruimen en geheel ter vrije beschikking van de gemeente te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat MWR hiermee in gebreke blijft; 6. te verklaren voor recht dat de kadastrale inschrijvingen van het recht van erfpacht met betrekking tot de percelen die zijn vermeld op de lijst met de rechten van erfpacht van MWR die is overgelegd als productie 2 bij dagvaarding, alle ten name van MWR, waardeloos zijn vanwege de beëindiging van het recht van erfpacht met ingang van 1 januari 2018 door opzegging en te bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in een wettige vorm opgemaakte verklaring van waardeloosheid als bedoeld in artikel 3:28 BW, met machtiging van de gemeente om dit vonnis als zodanig – zo nodig met tussenkomst van een notaris – ter inschrijving in de openbare registers aan de Dienst van het Kadaster aan te bieden; 7. MWR te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten. 3.2. MWR voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. MWR vordert samengevat - om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: A. de gemeente te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis alle benodigde medewerking te verlenen aan het opzetten van een mediationtraject – met als doel het vinden van een minnelijke oplossing van de erfpacht en exploitatie van de betreffende percelen – en haar te veroordelen om medewerking te verlenen aan de daartoe te benoemen mediator, alsmede haar te veroordelen medewerking te geven aan het organiseren van een eerste bijeenkomst door aldaar deugdelijk vertegenwoordigd te verschijnen; B. te verklaren voor recht dat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van de gemeente; C. de gemeente te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten. 3.5. De gemeente voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie Mediation 4.1. MWR voert in conventie als verweer en in reconventie als grondslag voor het onder A gevorderde aan dat de gemeente, Jusoma, Recreanders en MWR een mediationtraject zijn overeengekomen tijdens een bijeenkomst op 23 maart 2016. Volgens MWR moet de gemeente de overeenkomst tot mediation nakomen en is de opzegging van de erfpacht door de gemeente niet rechtsgeldig. 4.2. De gemeente betwist dat een overeenkomst tot mediation tot stand is gekomen. Volgens de gemeente was sprake van een vrijblijvend gesprek - waarbij alleen MWR aanwezig was - en heeft dat gesprek geen vervolg gehad, omdat MWR haar erfpachtrechten had verkocht. Haar verslag van die bespreking heeft de gemeente als productie 9 bij dagvaarding in het geding gebracht. De gemeente wijst erop dat de ambtenaren die bij dat gesprek aanwezig waren, niet bevoegd waren om namens de gemeente een overeenkomst te sluiten. 4.3. De rechtbank verwerpt de stelling van MWR over de overeenkomst tot mediation. Dat de wethouder van het gesprek van 23 maart 2016 op de hoogte was, maakt nog niet dat de ambtenaren bevoegd waren om de gemeente te vertegenwoordigen. De gemeente heeft in dit verband toegelicht dat er altijd teruggekoppeld moet worden met het bevoegde orgaan (het college/de verantwoordelijke portefeuillehouder), wat door MWR niet is weersproken. MWR heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de ambtenaren die bij de bespreking aanwezig waren niet bevoegd waren om de gemeente te vertegenwoordigen. Ook al zou tijdens dat gesprek onvoorwaardelijk zijn afgesproken dat partijen het mediationtraject zouden ingaan, dan nog moest voor (de advocaat van) MWR duidelijk zijn dat daarmee geen overeenkomst met de gemeente tot stand was gekomen. 4.4. Bovendien geldt gelet op de aard van het middel van mediation dat het partijen die hebben afgesproken om te pogen een minnelijke regeling langs mediation te bereiken, te allen tijde vrij staat hun medewerking daaraan alsnog te onthouden (Hoge Raad 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3724). Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat des te meer, nu de reden voor het niet voortzetten van het overleg over mediation door de gemeente bij MWR lag: MWR had immers haar erfpachtrechten verkocht. Daarbij komt dat de gemeente heeft gesteld – en dit is door MWR niet weersproken - dat zij aan MWR heeft kenbaar gemaakt dat de gemeente aan een eventuele mediation in ieder geval de voorwaarde verbond dat MWR een groot deel van de canonachterstand zou betalen en dat MWR daarop niet heeft gereageerd. Schuldeisersverzuim 4.5. MWR voert in conventie als verweer en in reconventie als grondslag voor het onder B gevorderde aan dat de gemeente zich schuldig heeft gemaakt aan schuldeisersverzuim en dat dat onder meer tot gevolg heeft dat de gemeente niet gerechtigd was om de erfpacht op grond van artikel 5:87 lid 2 BW op te zeggen. MWR licht dat als volgt toe. Sedert de overname van de percelen heeft de gemeente het MWR, Jusoma, Recreanders en de Beheercoöperatie (van overige eigenaars) vrijwel onmogelijk gemaakt om de gronden op een normale wijze (recreatie) te exploiteren dan wel te kunnen gebruiken. Voor een reguliere exploitatie was het nodig dat de gemeente het blote eigendom van de percelen aan de erfpachters zou overdragen en dat het bestemmingsplan zou worden aangepast. Ondanks afspraken daarover met voormalig burgemeester [A] , weigerde de gemeente om in te gaan op de door de erfpachters gepresenteerde exploitatieplannen, die alle waren gericht op het verkrijgen van het blote eigendom van de percelen. Het aanbod dat de gemeente heeft gedaan aan MWR, Jusoma, Recreanders en de Beheercoöperatie om voor een bedrag van € 10.000.000,00 het blote eigendom over te dragen, heeft zij niet gestand gedaan. Daarbij heeft onder meer een rol gespeeld dat de gemeente het eerste recht van koop aan Stichting Het Geleer had verleend. Doordat de gemeente jarenlang niet met voorstellen kwam en niet akkoord ging met concrete voorstellen van Jusoma en MWR, was het voor MWR niet mogelijk om de verder benodigde financiering aan te trekken om haar percelen op succesvolle wijze te exploiteren. Het park is daardoor verloederd en van vakantieverhuur is geen sprake meer. MWR heeft aanzienlijke kosten moeten maken, terwijl zij in de afgelopen 10 jaar geen positief exploitatieresultaat heeft gehad en de canon in die periode expansief is gestegen. Dit alles moet worden bezien tegen de achtergrond dat de gemeente er vanwege de voormalige inning van de canon door erfpachter [B] mede schuldig aan was dat er veel onduidelijkheid bestond over de (onder)erfpachtrechten. Deze problemen waren bij aankoop door MWR niet kenbaar, maar zijn wel van grote invloed geweest op het ongestoorde genot van de percelen, welk genot door de gemeente middels de erfpachtovereenkomst verschaft diende te worden. Er is sprake van schuldeisersverzuim, omdat de gemeente de verplichting om de gronden zodanig ter beschikking te stellen dat deze op reguliere wijze gebruikt kunnen worden – welke verplichting volgt uit de erfpachtovereenkomst - niet nakomt. De gemeente maakt het MWR daardoor onmogelijk haar percelen te exploiteren en daarmee inkomsten te genereren, terwijl de gemeente wel verwacht van MWR dat zij haar verplichtingen jegens de gemeente nakomt en de verschuldigde (verhoogde) canon betaalt, evenals de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.