vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Parketnummer: [01.855035.17] Strafrecht Parketnummer: 01/855035-17 Datum uitspraak: 30 april 2018 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [2000] , wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren ter terechtzitting van 16 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 november
- Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 24 september 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, de nek/keel van voornoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (gelijktijdig) meerdere vuistslagen in het gezicht/tegen het hoofd heeft gegeven, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 24 september 2017 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen de nek/keel van voornoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of (gelijktijdig) meerdere vuistslagen in het gezicht/tegen het hoofd heeft gegeven, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 24 september 2017 te Eindhoven [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld door die voornoemde [slachtoffer 1] de keel dicht te knijpen en/of (gelijktijdig) meerdere vuistslagen in het gezicht/ tegen het hoofd te geven; De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bewijs. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich hierbij op de aangifte van het slachtoffer en verschillende getuigenverklaringen. De officier van justitie stelt dat verdachte geprobeerd heeft, al dan niet met voorwaardelijk opzet, het slachtoffer van het leven te beroven door haar meermalen op het hoofd te slaan en haar keel dicht te knijpen. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat de aanleiding van het incident met [slachtoffer 1] niet door alle getuigen is waargenomen. Volgens de raadsvrouwe is er geen sprake geweest van boos opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijke letsel. De raadsvrouwe heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet op het intreden van de dood van [slachtoffer 1] . Mocht de rechtbank dit voorwaardelijk opzet niet aannemen, dan dient verdachte te worden vrijgesproken. In het geval van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde stelt de raadsvrouwe zich op het standpunt dat er sprake is van noodweer dan wel van noodweerexces, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit verweer zal ter sprake komen bij de beoordeling van de strafbaarheid van het feit en van de verdachte. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] , zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen als hierna te melden. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende – kort en zakelijk weergegeven – bewijsmiddelen: De verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] . Op 24 september 2017 bevond ik mij op de [adres 1] . Op een gegeven moment waren [persoon 1] en ik aan het stoeien en vervolgens wilde [verdachte] ook met mij stoeien. Dit ging in eerste instantie op een vriendschappelijke manier. Toen wij boven waren, voelde ik dat ik door [verdachte] aan mijn haren werd getrokken. Ik had mijn haren los. Ik weet dat [verdachte] dit deed, want hij liep als enige achter mij. Ik voelde dat hij echt hard trok, want het deed mij pijn. Mijn hoofd knikte achterover. Ik draaide om en duwde hem tegen zijn buik naar achteren toe. [verdachte] tackelde mij, ik weet niet meer hoe precies, en toen lag ik op de grond. Ik voelde dat [verdachte] mij in mijn linker zij trapte. Ik begon door te krijgen dat dit niet meer vriendschappelijk was. Ik probeerde op te staan. Dit lukte niet, want hij hield mij tegen. [verdachte] pakte mij bij mijn keel en riep: “Ik maak je kapot bitch!”. Met één hand kneep hij mijn keel dicht en met de andere hand begon hij mij in het gezicht te slaan. Ik kreeg geen lucht meer en voelde een stuk of 4 à 5 klappen in mijn gezicht. Dit deed erg veel pijn. Hierna ben ik out gegaan. Toen ik weer bijkwam, waren de anderen mij aan het helpen. Ik denk dat hij toch minimaal 10-15 seconden mijn keel heeft dichtgeknepen. In het ziekenhuis ben ik onderzocht. Zij vertelden mij dat ik waarschijnlijk bewusteloos ben geraakt doordat ik langere tijd geen lucht kreeg. Verslaglegging SEH-bezoek Catharinaziekenhuis. Samenvatting: 17-jarige patiënte met contusie van de orbita links en de nek na mishandeling. Diagnose: Contusie van ooglid en perioculair gebied. De verklaring van getuige [getuige 1] . Ik zag dat het meisje een duw van de jongen kreeg waardoor ze op de grond viel. Ik zag dat het meisje op haar hoofd en rug viel. Ik zag dat ze met haar linker en rechtervoet trapbewegingen maakte naar de jongen. Ik zag dat de jongen naar de grond ging toen het meisje op de grond lag. Ik zag dat de jongen het meisje 7 à 8 keer sloeg. Ik zag dat het meisje na de eerste klap tegen haar hoofd roerloos op de grond bleef liggen. Het meisje lag stil en ik zag dat ze niet meer bewoog. Ik hoorde dat de andere jongens zeiden dat hij moest stoppen. Dat was na de 2e of 3e klap. Ik zag dat één van de jongens uiteindelijk de jongen van het meisje aftrok. De verklaring van getuige [getuige 2] . Het begon als een onschuldige stoeipartij. Dat ging een paar minuten zo door, totdat ik op een gegeven moment geschreeuw hoorde. Ik zag dat [slachtoffer 1] aan het spartelen was omdat ze los wilde komen. Ik heb hem voor de laatste klap eraf kunnen halen. Nadat ik hem eraf had gehaald/geduwd ben ik met hem naar beneden gelopen. De stoeipartij was op de galerij. [slachtoffer 1] begon vanuit het niets te gillen. Ik keek toen om, ze waren achter mij aan het stoeien. Ik zag dat hij met zijn linker hand haar keel dichtkneep en met de rechter heeft geslagen. Ze lag met haar ogen dicht op de galerij. Ik heb gezien dat hij [slachtoffer 1] drie of vier keer geslagen heeft, een paar keer met de vuist. Ze werd geraakt op haar oog. [slachtoffer 1] schreeuwde toen en daarna was het verbazingwekkend doodstil. De verklaring van getuige [getuige 3] . Ik zag dat een paar jongens aan het stoeien waren voor de lol, en dat later [slachtoffer 1] met hun mee ging doen. Dit waren [getuige 2] , [persoon 1] , [slachtoffer 1] en [verdachte] . Ik hoorde op een gegeven moment de stem van [slachtoffer 1] , hulp roepen. Ik keek samen met [persoon 3] om de hoek en zag dat [verdachte] de keel van [slachtoffer 1] aan het dichtknijpen was. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] riep: ga van mij af, ga van mij af. Ik zag dat [slachtoffer 1] op haar rug op de grond lag en dat [verdachte] boven op haar zat. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar adem aan het happen was. Ik zag dat hij met een hand de keel dichtkneep van [slachtoffer 1] en dat hij met zijn andere hand een vuist gemaakt had en met kracht meerdere keren op het oog van [slachtoffer 1] sloeg. Ik hoorde dat [verdachte] riep: “ik maak je kapot”. [verdachte] had een uitdrukkingsloze blik in zijn ogen, dat maakte mij heel angstig. Ik geloofde echt dat hij het meende toen hij zei ik maak je kapot. Ik zag dat [getuige 2] [verdachte] van [slachtoffer 1] afduwde door [verdachte] bij zijn nek te pakken. Ik zag dat [getuige 2] samen met [verdachte] naar beneden liep. Ik ben samen met [persoon 1] naar [slachtoffer 1] gegaan. Ik zag dat [slachtoffer 1] bewusteloos was. [slachtoffer 1] is twee keer kort bij bewustzijn geweest maar viel dan weer weg. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 april
- We zaten op de afdeling [adres 1] van de GGzE te wachten op een tv programma. Er werd gestoeid en ik deed daaraan mee. Na een paar minuten was ik daarmee klaar. Toen gaf ik meerdere malen aan dat ik wilde stoppen, maar het stopte niet. Ik ben op [slachtoffer 1] gaan zitten en heb haar keel dichtgeknepen. Ik heb haar ook geslagen. Ik wilde haar hoofd naar beneden houden, maar ik heb dat zo hard gedaan dat ze stikte. Met één hand kneep ik haar keel dicht en met mijn andere hand heb ik haar in/tegen haar gezicht geslagen. Ik ben van haar af gegaan en [getuige 2] heeft mij mee naar beneden genomen. Ik voelde tijdens en na het voorval veel adrenaline vrijkomen bij mij. Ik heb te hard gereageerd. Ik vond wel dat ik mezelf op dat moment nog onder controle had. Bewijsoverweging ten aanzien van het voorwaardelijk opzet. Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank onder meer vast dat verdachte de keel van het slachtoffer krachtig heeft dichtgeknepen, zolang en zodanig dat het slachtoffer enige tijd het bewustzijn heeft verloren. In een dergelijk geval is er op zijn minst sprake van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van dit handelen van verdachte zal komen te overlijden. Verdachte heeft die kans ook welbewust aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf op het moment van het voorval met het slachtoffer volledig onder controle had. Daarbij komt dat uit het persoonlijkheidsonderzoek van verdachte geen omstandigheden naar voren zijn gekomen waardoor hieraan getwijfeld zou moeten worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 24 september 2017 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, de nek/keel van voornoemde [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en gelijktijdig vuistslagen in het gezicht/tegen het hoofd heeft gegeven, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte. Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen hij zich wel moest verdedigen en dat verdachte vervolgens in die verdediging te ver is gegaan. De verdediging beroept zich aldus op noodweer dan wel op noodweerexces. Als dat verweer slaagt, levert dat geen strafbaar feit op en dient verdachte ontslagen te worden van alle rechtsvervolging. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, waardoor het noodweer – en het noodweerexcesverweer – dienen te worden verworpen. Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft verklaard dat hij werd aangevallen door [slachtoffer 1] en dat hij zichzelf moest verdedigen. Hij heeft verklaard bang te zijn geweest, te meer nu er op enige afstand van hun beiden een schaar lag. Verdachte verklaart dat hij bang was dat [slachtoffer 1] deze schaar zou pakken en hem daarmee zou steken. Deze verklaring van verdachte vindt echter geen enkele steun in het dossier. Geen van de gehoorde getuigen heeft verklaard dat [slachtoffer 1] verdachte aanviel en geen van de getuigen heeft aangegeven een schaar te hebben zien liggen. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte zelf niet meteen na de vechtpartij heeft aangegeven te zijn aangevallen door [slachtoffer 1] . Dat sprake is geweest van een zodanige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich wel moest verweren, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdediging geen beroep toekomt op noodweer, en nu een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding eveneens vereist is voor het aannemen van noodweerexces, evenmin op noodweerexces. De rechtbank verwerpt deze verweren. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Verder zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom ook strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie vordert een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 203 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 6 april 2018, alsook de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat in navolging van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf kan worden opgelegd met de voorwaarden zoals de Raad voor de Kinderbescherming die heeft geadviseerd. De raadsvrouwe heeft vervolgens in strafmatigende zin naar voren gebracht dat verdachte kort voor het voorval met [slachtoffer 1] abrupt was gestopt met de inname van het middel Risperidon. Dat heeft mede invloed gehad op zijn handelen tijdens het voorval. De verdediging verzoekt hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft de keel van het slachtoffer dichtgeknepen waardoor zij geen lucht kreeg en hij heeft haar gelijktijdig tegen/op haar gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor vrij fors letsel aan haar hoofd opgelopen. Het gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat het door verdachte gepleegde strafbare feit, gelet op de persoon van verdachte zoals blijkt uit de over hem uitgebrachte rapportages, kennelijk gezien moet worden als een eenmalige misstap. Verder heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en hij heeft – zoals de rechtbank ter terechtzitting is gebleken – oprecht berouw getoond richting het slachtoffer. Hij heeft ook meegewerkt aan slachtofferbemiddeling en heeft het voorval in een gesprek met het slachtoffer nogmaals besproken. Het slachtoffer heeft in een brief naar verdachte aangegeven dat zij niet wenst dat verdachte een lange tijd in een justitiële inrichting voor jeugdigen wordt geplaatst. Ter zitting heeft zij dit nogmaals aangegeven. Daarbij komt dat verdachte het door hem gepleegde strafbare feit in een vroeg stadium van het onderzoek heeft toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend. Hij heeft meegewerkt aan de Pro Justitia-rapportages van drs. L. Berkens Molenaar, psychiater, d.d. 3 december 2017 en van drs. G.A. Ameling, GZ-psycholoog d.d. 4 december
- Ook heeft verdachte meegewerkt aan het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia op de observatieafdeling van ForCa te Teylingereind d.d. 12 maart
- Uit voornoemd observatieonderzoek is naar voren gekomen dat bij verdachte sprake is van een onrijpe ontwikkeling van zijn persoonlijkheid, maar dat dit niet leidt tot een vaststelling van een stoornis en in het verlengde daarvan ook niet van een verhoogd recidiverisico ten aanzien van (gewelds)misdrijven. Behandeling van verdachte in dat kader wordt dan ook niet geadviseerd. Wel heeft verdachte enige begeleiding en sturing nodig om zijn leven op de rit te krijgen en te houden. Uit het door de Raad voor de Kinderbescherming over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport d.d. 6 april 2018 blijkt onder meer, dat na het aan het licht komen van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig in positieve zin hebben gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert vervolgens tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke werkstraf met, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarde: begeleiding door de jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt meewerken aan systeemtherapie en/of individuele therapie. De raadsvrouwe heeft verzocht om, in navolging van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van een geheel voorwaardelijke werkstraf geen recht zou doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is naar het oordeel van de rechtbank daarom een te geringe straf. De raadsvrouwe heeft verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat verdachte kort voor het incident is gestopt met de inname van Risperidon en dat dit van invloed moet hebben gehad op het handelen van verdachte tijdens het ten laste gelegde. De rechtbank zal niet meegaan in het verzoek van de raadsvrouwe om hiermee rekening te houden in de straftoemeting. Het verzoek is in het geheel niet onderbouwd en (de gevolgen van) het gebruik van Risperidon door verdachte wordt op geen enkele wijze vermeld in de vele rapportages in het procesdossier van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte van 108 dagen voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal na te noemen bijzondere voorwaarde worden gekoppeld. De rechtbank ziet, gelet op het geschatte lage recidivegevaar op een nieuw geweldsdelict, geen aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en ook kan worden volstaan met een iets kleiner voorwaardelijk strafdeel. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht de gehele gevorderde schadevergoeding voor toewijzing vatbaar. Het standpunt van de verdediging. De raadsvrouwe stelt zich op het standpunt dat de reiskosten van de ouders niet voor toewijzing in aanmerking komen. Het slachtoffer kampte al met psychische problemen. Zij verblijft niet langer op ‘ [adres 1] ’, maar dat moet niet worden afgewenteld op verdachte. De raadsvrouwe verzoekt daarmee rekening te houden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2017 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 6:607 BW ook de door de ouders van het slachtoffer gemaakte reiskosten voor toewijzing vatbaar zijn. Bij het bepalen van de te vorderen immateriële schade is geen rekening gehouden met de psychische situatie van het slachtoffer, maar sec met de door haar ervaren gevolgen van de door verdachte begane onrechtmatige daad. De hoogte van de gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank niet bovenmatig en komt dus volledig voor vergoeding in aanmerking. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2017 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: T.a.v. primair:poging tot doodslag.verklaart verdachte hiervoor strafbaar. legt op de volgende straf en maatregel. T.a.v. primair:Jeugddetentie voor de duur van 270 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de Jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het medewerking verlenen aan systeemtherapie en/of individuele therapie; waarbij aan de gecertificeerde instelling, te weten Jeugdbescherming Brabant, afdeling Jeugdreclassering, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. T.a.v. primair:Maatregel van schadevergoeding van EUR 1.604,53 subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 1.604,53 (zegge: duizendzeshonderd en vier euro en drieënvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,-- immateriële schadevergoeding (post: smartengeld) en EUR 604,53 materiële schadevergoeding (posten: verlies aan verdienvermogen, extra rijlessen en reiskosten). De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 1.604,53 (zegge: duizendzeshonderd en vier euro en drieënvijftig eurocent), te weten EUR 1.000,-- immateriële schadevergoeding (post: smartengeld) en EUR 604,53 materiële schadevergoeding (posten: verlies aan verdienvermogen, extra rijlessen en reiskosten). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 6 maart 2018 reeds geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. H.A. van Gameren en mr. L.R.H. Koekoek, leden, in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier, en is uitgesproken op 30 april
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, district Eindhoven, genummerd PL2100-2017198155, aantal pagina’s:
- Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 6 en
- Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 1] , pagina
- Verslaglegging SEH-bezoek, pagina
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina’s 18 en
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina’s 21 tot en met
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina
- Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 april 2018.