← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2019:1670

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 19/408 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, verweerder (gemachtigden: H.J.M. Marcus en M.C.L. Walta). Procesverloop Bij besluit van 22 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarna per e-mail aan de rechtbank laten weten dat de gevraagde informatie inmiddels is verstrekt. Eiser heeft hierop een reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2019, gelijktijdig met de behandeling van zaken SHE 18/1540, SHE 18/3201, SHE 19/333, SHE 19/335 en SHE 19/

  1. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
  2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij brief van 8 oktober 2018 heeft eiser op grond van de Wob verzocht om digitale toezending van de logboeken van de wedstrijden van de autorallycrossvereniging en de motorcrossvereniging op het Eurocircuit in Valkenswaard vanaf 1 januari
  3. Eiser heeft daarbij toegelicht dat beide verenigingen op grond van hun milieuvergunningen de verplichting hebben om logboeken bij te houden.
  4. Bij brief van 7 januari 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek en verweerder verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen.
  5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Hierna heeft verweerder alsnog stukken aan eiser verstrekt.
  6. Eiser voert aan dat de verstrekte stukken niet compleet zijn en niet voldoen aan zijn verzoek. Verweerder stelt dat alle gevraagde informatie volledig is verstrekt.
  7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4084) dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder dit bestuursorgaan berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Verweerder heeft op de zitting medegedeeld dat hij alle informatie heeft verstrekt die hij van beide verenigingen heeft ontvangen in het kader van hun verplichting op grond van de milieuvergunningen om logboeken bij te houden van alle wedstrijden. De rechtbank acht deze mededeling niet ongeloofwaardig. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de gevraagde logboeken (deels) toch onder verweerder berusten. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Dat de verstrekte logboeken (deels) handgeschreven zijn en niet alle gegevens bevatten die in de milieuvergunningen zijn voorgeschreven, maakt niet dat de gevraagde logboeken (deels) toch onder verweerder berusten. De beroepsgrond faalt.
  8. Naar aanleiding van het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.
  9. Het beroep van eiser is ongegrond. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden, aangezien verweerder pas in de beroepsfase de gevraagde informatie heeft verstrekt. De rechtbank zal verweerder niet veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, omdat de gemachtigde van eiser de gemaakte proceskosten al in zaak SHE 18/3201 vergoed krijgt. Beslissing verklaart het beroep van eiser ongegrond; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G. Aarts en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart
  10. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.