RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 19/409 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2019 in de zaak tussen [naam] , eiser(
- es)(gemachtigde: [naam] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder Procesverloop Eiser(
- es)heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 14 januari 2019 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb € 47,00. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. 3. De griffier heeft bij brief van 3 februari 2019 eiser(
- es)in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiser(
- es)heeft niet gereageerd op deze brief. Daarop heeft de rechtbank eiser(
- es)bij aangetekend verzonden brief van 4 maart 2019 nogmaals de gelegenheid geboden binnen vier weken het verschuldigde griffierecht te betalen. Daarbij is eiser(
- es)gewezen op het risico van niet-ontvankelijkheid verklaring. Uit de track and trace gegevens van PostNL is gebleken dat de brief op 6 maart 2019 op het door eiser(
- es)in het beroepschrift vermelde adres, is bezorgd, waarbij is getekend voor ontvangst. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de brief door eiser(
- es)is ontvangen. 4. Eiser(
- es)heeft het griffierecht niet betaald. Eiser(
- es)heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. 5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van R. Janssen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 mei 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.