← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2019:3920

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven zaak- en rolnummer C/01/337413 / HA ZA 18-556 Vonnis van 26 juni 2019 in de zaak van [eiser 1] en [eiser 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisers in de hoofdzaak in conventie, eisers in het incident in de hoofdzaak in conventie, verweerders in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie (hierna: [eisers]), advocaat mr. F.J. van Beek te Arnhem, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak in conventie, verweerster in het incident in de hoofdzaak in conventie, eiseres in de hoofdzaak in voorwaardelijke reconventie (hierna: [gedaagde]), advocaat mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam. 1De procedure 1.

  1. Deze blijkt uit: het tussenvonnis van 30 januari 2019; het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2019; de akte van [eisers] d.d. 22 mei 2019 en de akte van [gedaagde] d.d. 22 mei
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  4. Evenals in voormeld tussenvonnis wordt ook in dit vonnis onder “huis” verstaan: het onder architectuur gebouwd groot vrijstaand landhuis met oprijlaan, atelierruimte, buiten-zwembad, vrijstaande berging en grote parkachtige tuin, gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [letter] , nummers [kadastrale aanduiding 1] , [kadastrale aanduiding 2] , [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 4] , tezamen groot 23.618 m². in het incident in de hoofdzaak in conventie 2.
  5. [eisers] vordert bij dagvaarding ex artikel 223 Rv, kort gezegd, [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om met ingang van 1 september 2017 (de da-tum met ingang waarvan zij bij brief d.d. 28 augustus 2017 is gesommeerd om een gebruiks-vergoeding te betalen), althans met ingang van de datum van de dagvaarding (zijnde 14 au-gustus 2018), althans met ingang van de datum van dit vonnis, een gebruiksvergoeding aan [eisers] te betalen van € 1.416,66 per maand, telkenmale te betalen uiterlijk op de 1e dag van de maand waarop de betaling ziet tot het moment dat een einde komt aan de bewoning van het huis door [gedaagde] en de haren, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en na-kosten met rente. 2.
  6. [eisers] heeft hiertoe, kort gezegd, gesteld dat [gedaagde] aan [eisers] een vergoeding dient te betalen voor het exclusieve gebruik van het huis dat zij in het verleden heeft gehad en voor de duur dat de gemeenschap tussen partijen met betrekking tot het huis nog voortduurt, een en ander voor zover dat exclusieve gebruik haar aandeel in die gemeen-schap overtreft. [eisers] gaat bij de bepaling van de hoogte van deze gebruiks-vergoeding uit van het gemiddelde van de door [A] aangegeven huurwaarden van de beide gedeelten van het huis die exclusief in gebruik zijn van partijen. [eisers] stelt niet meer in staat te zijn om de lasten die behoren bij het handhaven van de gemeenschap te dragen, nu het inkomen van [eisers] is geslonken naar ongeveer € 3.500,00 per maand en het vermogen van [eisers] c.s. is afgenomen tot minder dan € 50.000,
  7. 2.
  8. [gedaagde] voert verweer. Zij concludeert, kort gezegd, tot afwijzing van deze vordering met veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident. 2.
  9. Zij voert daartoe, kort gezegd, onder meer aan dat haar exclusieve gebruik van het huis niet groter is dan haar aandeel daarin en dat, zo dit wel het geval zou zijn, zij ook dan geen gebruiksvergoeding aan [eisers] verschuldigd is, aangezien de indeling en het feitelijk gebruik van het huis zijn gebaseerd op afspraken die partijen daarover met elkaar hebben gemaakt ten tijde van de aankoop en de daaropvolgende verbouwing van het huis en van die afspraken een gebruiksvergoeding geen deel uitmaakt. Bij toewijzing van de incidentele vordering is volgens [gedaagde] , gelet op de eigen stellingen van [eisers] omtrent hun financiële situatie, sprake van een restitutierisico aan de zijde van [eisers] 2.
  10. De rechtbank zal de provisionele vordering afwijzen. Vooropgesteld wordt dat iedere partij ex artikel 223 Rv tijdens een aanhangig geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Zowel de (eventuele) voorziening als het oordeel waarop de toe- of afwijzing van deze vor-dering berust, is voorlopig; een incidenteel vonnis ex artikel 223 Rv bindt de rechter bij het geven van een beslissing in de hoofdzaak niet. De rechter is in het kader van een vordering ex artikel 223 Rv niet gehouden om bewijslevering te gelasten ter zake van betwiste stellingen van de eisende partij; evenals in kort geding is aannemelijkheid voldoende. In geschil is of het exclusieve gebruik van het huis door [gedaagde] groter is dan haar aandeel daarin. [gedaagde] heeft de stelling van [eisers] dat zulks het geval is, gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zij, anders dan [eisers] stelt, geen (exclusief) gebruik maakt van de zolder, het poolhouse, de galerieruimte en de fietsen-berging/het hondenverblijf van het huis. Dat het exclusieve gebruik van het huis door [gedaagde] de omvang heeft die [eisers] ter onderbouwing van de provisionele eis heeft gesteld, is onder deze omstandigheid voorshands onvoldoende aannemelijk. In geschil is of, zo het exclusieve gebruik van het huis door [gedaagde] al groter zou zijn dan haar aandeel daarin, [eisers] in dat geval jegens haar recht heeft op een gebruiks-vergoeding voor zover dat exclusieve gebruik haar aandeel in die gemeenschap overtreft. [gedaagde] heeft zulks gemotiveerd betwist; volgens haar zijn de indeling en het feitelijk gebruik van het huis gebaseerd op afspraken die partijen daarover destijds met elkaar hebben gemaakt en maakt van die afspraken een gebruiksvergoeding geen deel uit. Het ten deze toepasselijke artikel 3:168 BW bepaalt in lid 1 dat deelgenoten van een gemeenschappelijk goed het gebruik daarvan bij overeenkomst kunnen regelen. Dit artikel bepaalt in lid 2 dat alleen voor zover een overeenkomst daarover ontbreekt - hetgeen voorshands naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is, nu geen omstandigheden zijn gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat het gebruik van de ruimten in het huis op enig moment eenzijdig door [gedaagde] is gewijzigd - de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling kan treffen. Onder voormelde omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin is te verwachten dat de vordering van [eisers] tot betaling van een gebruiksvergoeding met een grote mate van waarschijnlijkheid in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Nu de vordering tot het beloop van het gevorderde niet voldoende vaststaat (en evenmin op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld) en verder, gelet op de eigen stellingen van [eisers] over de financiële situatie van [eisers] , voldoende aannemelijk is dat sprake is van een restitutierisico aan de zijde van [eisers] , zal de provisionele vordering worden afgewezen. 2.
  11. De rechtbank zal [eisers] als de in het incident in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.086,
  12. in de hoofdzaak 2.
  13. Het eerder aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. 2.
  14. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent de aan de deskundige voor te leggen vragen. Mede gelet daarop zullen aan de deskundige de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. 2.
  15. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. 2.
  16. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en ver-zoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de weder-partij te verstrekken. 2.
  17. De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vastgesteld op € 5.000,00 inclusief btw. Partijen hebben inmiddels ieder de helft van dit voorschot conform het bepaalde in dit tussenvonnis overgemaakt. De rechtbank zal de griffier opdragen om de deskundige hiervan in kennis te stellen. 3De beslissing De rechtbank in het incident in de hoofdzaak in conventie 3.
  18. wijst het gevorderde af; 3.
  19. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.086,00; in de hoofdzaak 3.
  20. beveelt een onderzoek door de in voormeld tussenvonnis in deze zaak al benoemde deskundige dhr. P. van Helvoort ter beantwoording van de volgende vragen: Wat is de vrije verkoopwaarde (leeg en ontruimd) van het gehele (onverdeelde) huis per heden?; Zijn er werkzaamheden die in uw visie aan het huis moeten worden verricht om het (in het geheel) goed verkoopbaar te maken?; Wat is uw prognose over de duur van het verkooptraject bij verkoop van het gehele huis?; Is het (technisch) mogelijk en commercieel verantwoord om het huis kadastraal te splitsen en welke concrete verdeling/verdelingen adviseert u daarbij aan te houden?; Zo ja, wat zijn de werkzaamheden die moeten worden verricht om tot die kadastrale splitsing te komen en wat zijn de geschatte kosten die daarvoor moeten worden gemaakt?; Wat is de vrije verkoopwaarde van de na splitsing verkregen gedeelten van het huis (onder andere rekening houdend met de verschillende bouwjaren van de gedeelten?); Is het mogelijk en commercieel verstandig om een kadastrale splitsing volledig voor te bereiden doch deze eerst uit te voeren als onderdeel van verkoop (van een gedeelte) aan een derde (zodat de kosten van splitsing zullen worden gedragen door [gedaagde] en de koper van het andere gedeelte)?; Wat is uw prognose over de duur van het verkooptraject van het niet aan [gedaagde] toe te scheiden gedeelte van het huis? Zijn er van de zijde van de gemeente [plaats] bezwaren te verwachten tegen de splitsing die de deskundige voorstelt?; Op welke wijze dienen volgens de deskundige nutsvoorzieningen als water, elektra en gas dusdanig te worden gesplitst zodat voor beide partijen eigen individuele meters ontstaan en partijen niets meer met elkaar van doen hebben?; a. Wat was de waarde van het door [gedaagde] bewoonde deel ten tijde van de aankoop?; b. Wat is de autonome waardestijging van het door [gedaagde] bewoonde deel van het huis sinds de aankoop in 1995?; Wat is de waarde van het door [gedaagde] bewoonde deel van het huis per heden?; Wat was de waarde van het door [eisers] bewoonde deel ten tijde van de aankoop?; Wat is de autonome waardestijging van het door [eisers] bewoonde deel van het huis sinds de aankoop in 1995?; Wat is de waarde van het door [eisers] bewoonde deel van het huis per heden?; Wat is de verkoopwaarde van het gehele huis per heden?; Wat is de verkoopwaarde van de gesplitste delen afzonderlijk per heden?; Hoeveel m² woonoppervlakte (met atelier) is toegevoegd aan het huis na aankoop in 1995?; Is de relatieve waarde van het huis in twee delen groter dan het geheel?;
  21. Is naar de mening van de deskundige de kans aanwezig dat twee separate delen sneller verkocht worden dan het huis in één geheel?;
  22. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?; het voorschot 3.
  23. draagt de griffier op om deze deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot door partijen; het onderzoek 3.
  24. bepaalt dat [eisers] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen; 3.
  25. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats; 3.
  26. wijst de deskundige er op dat: de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrij-gen bij de griffie); de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voor-schot dient aan te vangen; de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn; de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan; indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd; 3.
  27. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te ver-strekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek; het schriftelijk rapport 3.
  28. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie; 3.
  29. wijst de deskundige er op dat: uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd; de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden; 3.
  30. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren; overige bepalingen 3.
  31. bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 2 oktober 2019; 3.
  32. draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen: indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ont-vangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eisers] op een termijn van vier weken; 3.
  33. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.