RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 18/1971 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2019 op het verzet van [naam] te [plaats] , opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 februari
- Procesverloop Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van 3 juli 2018 van Waterschap De Dommel beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 februari 2019 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei
- Opposant is verschenen. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant verzuimd heeft om binnen de daarvoor geboden termijn beroepsgronden aan de rechtbank mede te delen.
- In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zitting-uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt de rechtbank eventueel pas toe als het verzet gegrond is.
- Opposant stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het beroep, gelet op artikel 2.4, derde lid, van het Procesreglement Bestuursrecht Rechtbank (Niet-Kei-zaken) 2017 (Procesreglement), niet niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden, omdat de brief van 15 augustus 2018, waarin de ontvangst van het beroep is bevestigd en aan opposant een herstel-verzuim-termijn is geboden, slechts per gewone post aan opposant is verzonden. Op de zitting heeft opposant – ter onderbouwing van zijn standpunt – verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018: 9272).
- De rechtbank concludeert dat opposant in verzet geen argumenten heeft aangevoerd die nopen tot het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte (kennelijk) niet-ontvankelijk heeft geacht. Zij overweegt daartoe het volgende.
- De verwijzing naar het Procesreglement treft geen doel. Opposant stelt weliswaar terecht dat uit artikel 2.4, derde lid, van het Procesreglement voortvloeit dat de niet-ontvankelijkverklaring slechts plaatsvindt als de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende post is verzonden, maar in dit geval staat genoegzaam vast dat de – per gewone post verzonden – brief van 15 augustus 2018 van de rechtbank door opposant is ontvangen. In zijn fax van 14 september 2018 noemt opposant namelijk het zaaknummer van deze procedure, dat hem bij voormelde brief van 15 augustus 2018 is medegedeeld, en schrijft hij dat hij het door hem op 14 augustus 2018 ingestelde beroep motiveert. Daarnaast kan ook uit de fax van 2 oktober 2018 van opposant worden afgeleid dat de brief van 15 augustus 2018 hem heeft bereikt, zij het dat dit niet op het woonadres van de gemachtigde van opposant was, maar op het door die gemachtigde in het beroepschrift genoemde zakelijke postadres. Voorts staat vast dat in die brief van 15 augustus 2018 aan opposant is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen aanleiding bestaat te oordelen dat artikel 2.4, derde lid, van het Procesreglement aan de niet-ontvankelijkverklaring in de weg staat. De achtergrond van het in deze bepaling neergelegde vereiste van aangetekende verzending is er immers in gelegen zoveel mogelijk te verzekeren dat een herstel-verzuim-brief de geadresseerde daadwerkelijk bereikt, wat past bij een zo vergaand oordeel als een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De rechtbank overweegt dat deze zaak op dit punt verschilt van de zaak die aan de uitspraak van de rechtbank Rotterdam ten grondslag ligt, waarnaar opposant heeft verwezen. Uit die uitspraak volgt namelijk niet dat de herstel-verzuim-brief de belanghebbende had bereikt. Het beroep op die uitspraak treft derhalve geen doel. Nu vaststaat dat de brief van 15 augustus 2018 opposant heeft bereikt, staat het gegeven dat die brief slechts per gewone post is verzonden, niet aan de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in de weg.
- In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de buiten-zitting-uitspraak van 13 februari
- Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid vanM.J.J.M.C. van Schaijk LLB, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op4 juli
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.