VONNIS RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Zaaknummer: 7697136 CV EXPL 19-2707 Vonnis in kort geding van 29 mei 2019 in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. G.D. van der Heiden (CNV Vakmensen). tegen: Sligro Food Group Nederland B.V., gevestigd te Veghel , gedaagde, gemachtigde: mr. D.J.L. Siegers. Partijen worden hierna genoemd “ [eiser] ” en “Sligro”. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende: a. de inleidende dagvaarding in kort geding van 29 april 2019 met 9 producties; b. de brief van de gemachtigde van Sligro van 7 mei 2019 met 4 producties; c. de mondelinge behandeling, die op 9 mei 2019 heeft plaatsgevonden en waarbij beide partijen zijn verschenen en hun standpunt hebben toegelicht en de gemachtigden van beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is op 3 september 1987 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) Sligro. 2.2. De laatste functie die [eiser] vervulde, is die van “formulemanager speciale retailprojecten” met een salaris van € 4.850,00 bruto per maand exclusief emolumenten. 2.3. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Groothandel In Levensmiddelen (GIL) van toepassing. 2.4. Op 2 maart 2015 is [eiser] arbeidsongeschikt geworden. 2.5. Bij brief van 22 februari 2017 heeft Sligro aan [eiser] bevestigd dat op 2 maart 2017 haar loondoorbetalingsverplichting eindigt en dat zij de arbeidsovereenkomst met [eiser] in stand houdt. In de brief is aangegeven dat indien de belastbaarheid van [eiser] in de toekomst verbetert, Sligro [eiser] verzoekt om haar daarover te informeren zodat er kan worden gekeken naar mogelijkheden voor werkhervatting. 2.6. Vanaf 27 februari 2017 ontvangt [eiser] een WIA-uitkering (IVA). Het UWV heeft vastgesteld dat [eiser] voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat er geen of geringe kans op herstel is. 2.7. Bij e-mail van 14 januari 2019 en 28 februari 2019 heeft (de gemachtigde van) [eiser] Sligro verzocht om mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van de transitievergoeding. Bij e-mail van 21 januari 2019 en 11 maart 2019 heeft (de gemachtigde van) Sligro zulks geweigerd. 2.8. Op 28 juni 2019 zal [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Op grond van artikel 17a lid 10 van de cao GIL eindigt de arbeidsovereenkomst op die datum van rechtswege. 3Het verzoek en verweer 3.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - Sligro te bevelen om de arbeidsovereenkomst met [eiser] met onmiddellijke ingang, althans op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum doch ruimschoots vóór 27 juni 2019, op te zeggen op grond van artikel 7:671 lid 1 BW, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding van € 77.000,00 bruto, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Sligro in de kosten van de procedure. 3.2. Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan. Er is sprake van een slapend dienstverband met geen enkel zicht op hervatting van de werkzaamheden door [eiser] . Sinds februari 2017 is de arbeidsovereenkomst een lege huls. Gelet op het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd per 28 juni 2019 en het gegeven dat per die datum de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt, heeft [eiser] een spoedeisend belang om de arbeidsovereenkomst door middel van opzegging door Sligro beëindigd te krijgen en zijn aanspraak op een transitievergoeding geldend te maken. Ten tijde van het toekennen van de IVA-uitkering, eind februari 2017, heeft Sligro aan [eiser] toegezegd “als er een regeling vanuit de regering zou komen dat die transitievergoeding dan alsnog aan [eiser] zou worden uitbetaald.” [eiser] wijst op de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Wet van 11 juli 2018, Stb 2018, 234, hierna: de Wet compensatie transitievergoedingen ofwel WCT) en het nieuwe artikel 7:673e BW waarin wordt geregeld dat een werkgever die wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid door ontbinding, opzegging of met wederzijds goedvinden een transitievergoeding heeft betaald, daarvoor wordt gecompenseerd door het UWV vanuit het Werkloosheidsfonds. De WCT zal in werking treden op 1 april 2020 en artikel 7:673e BW is ook van toepassing op arbeidsovereenkomsten die voor de inwerkingtreding van de wet, maar na 1 juli 2015 zijn beëindigd. Gelet op de WCT, de “Regeling compensatie transitievergoeding” en de op de site van het UWV gepubliceerde uitvoeringsregels is thans sprake van een regeling zoals bedoeld in de toezegging van Sligro. [eiser] beroept zich dan ook op nakoming van de toezegging. Ten tweede beroept [eiser] zich op artikel 7:611 BW stellende dat Sligro handelt in strijd met goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst níet op te zeggen, zeker in het licht van de WCT. 3.3. Sligro voert - zakelijk weergegeven - het volgende verweer. Sligro betwist dat de in februari 2017 gesteld gedane toezegging aan [eiser] is gedaan. Sligro heeft als goed werkgever gehandeld door [eiser] gedurende de eerste twee ziektejaren ruim meer dan het wettelijk minimum te betalen en voor de periode daarna een aanvulling op de WIA-uitkering alsook door te investeren in een uitvoerig re-integratietraject. Het enkele feit dat Sligro kans heeft dat een aan [eiser] betaalde transitievergoeding in 2020 zal worden gecompenseerd op basis van de WCT, maakt niet dat Sligro tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is verplicht. De wetgever heeft met de compensatieregeling enkel beoogd (financiële) drempels weg te nemen voor werkgevers om tot beëindiging van “slapende dienstverbanden” over te gaan. Daaruit kan niet de verplichting worden afgeleid om daadwerkelijk tot beëindiging over te gaan, laat staan dat zo’n verplichting al moet worden aangenomen voordat de nieuwe wet van kracht is geworden. Sligro heeft nog geen definitief beleid vastgesteld hoe om te gaan met slapende dienstverbanden vanaf 1 januari 2020. Tot de inwerkingtredingsdatum onderneemt Sligro geen actie. Bij Sligro zijn inmiddels twee “slapende dienstverbanden” geëindigd wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zonder betaling van een transitievergoeding. Voorts voert Sligro aan dat de vóór 1 januari 2020 betaalde transitievergoedingen naar verwachting pas na oktober 2020 door het UWV zullen worden vergoed. Sligro heeft een financieel belang om niet nu al tot beëindiging over te gaan, omdat zij de transitievergoeding moet voorfinancieren terwijl onzekerheid bestaat over de vraag wanneer en hoeveel Sligro uiteindelijk terug zal krijgen. Sligro concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 4De beoordeling Formele procespartij gedaagde 4.1. Bij exploot van 29 april 2019 is gedagvaard Sligro Food Group N.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te Veghel. In de procedure is Sligro Food Group Nederland B.V. , statutair gevestigd te Veghel, verschenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van Sligro Food Group Nederland B.V. aangevoerd dat Sligro Food Group N.V., de moedermaatschappij waartoe Sligro Food Group Nederland B.V. behoort, geen werkgever is van [eiser] . Sligro Food Group Nederland B.V. is werkgever van alle medewerkers in dienst bij Sligro en zij dient daarom als procespartij te worden aangehouden. Dit wordt niet door [eiser] betwist. Om deze reden heeft de kantonrechter de formele aanduiding van de gedaagde partij in de aanhef van dit vonnis ambtshalve aangepast. Spoedeisendheid 4.2. De spoedeisendheid van de vordering is door [eiser] voldoende gesteld en door Sligro niet bestreden. De kantonrechter acht het belang van [eiser] voldoende spoedeisend, nu tussen partijen vast staat dat wanneer de arbeidsovereenkomst op 28 juni 2019 eindigt als gevolg van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, [eiser] geen aanspraak meer kan maken op de transitievergoeding. Met de gevorderde voorziening beoogt [eiser] te bewerkstelligen dat de arbeidsovereenkomst eerder dan 28 juni 2019 eindigt door opzegging van de kant van Sligro. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vordering. Inhoudelijke beoordeling 4.3. De kantonrechter stelt voorop dat in een procedure als de onderhavige, strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening, een vordering slechts kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de kantonrechter een overeenkomstige vordering in de bodemprocedure zal toewijzen, waarbij tevens de wederzijdse belangen van partijen, waaronder het belang bij onverwijlde toewijzing enerzijds en het restitutierisico anderzijds, dienen te worden afgewogen. 4.4. Tussen partijen is in geschil de vraag of Sligro, vóórdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zal eindigen op 28 juni 2019, is gehouden om tot opzegging van de arbeidsovereenkomst en betaling van de transitievergoeding over te gaan. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt zij als volgt. Mondelinge toezegging 4.5. [eiser] stelt dat Sligro (bij monde van [naam casemanager Sligro] , casemanager, en [naam medewerker P&O Sligro] , medewerker P&O) in februari 2017 een mondelinge toezegging heeft gedaan om hem een transitievergoeding te betalen indien er een wettelijke compensatieregeling zou komen, hetgeen volgens [eiser] door Sligro werd genoemd “de kers op de taart”. Een dergelijke mondelinge toezegging wordt door Sligro bij gebrek aan wetenschap betwist. Genoemde [naam casemanager Sligro] en [naam medewerker P&O Sligro] zijn niet meer werkzaam bij Sligro. Ter zitting heeft Sligro aangegeven dat zij tevergeefs heeft geprobeerd om voornoemde personen te bereiken, maar dat zij deze stelling van [eiser] niet heeft kunnen verifiëren. Sligro onderbouwt haar betwisting met een verwijzing naar de in r.ov. 2.5. genoemde brief van 22 februari 2017 welke brief een bevestiging is van het gesprek van 20 februari 2017 van [eiser] met [naam casemanager Sligro] en [naam medewerker P&O Sligro] over het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting en het in stand blijven van de arbeidsovereenkomst en waarin niet over (de mogelijkheid van) het ontvangen van een transitievergoeding wordt gesproken. In reactie op deze betwisting heeft [eiser] aangegeven dat Sligro de mondelinge toezegging destijds niet schriftelijk heeft willen bevestigen omdat het onzeker was of er een compensatieregeling kwam. [eiser] heeft evenmin naar aanleiding van deze procedure contact gehad met voornoemde personen. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het thans niet voldoende aannemelijk dat een mondelinge toezegging is gedaan. Deze toezegging kan dan ook geen grondslag vormen voor toewijzing van de vordering. Goed werkgeverschap 4.6. Over de vraag of de werkgever in geval van een slapend dienstverband waarbij de werknemer geen arbeid verricht en de werkgever geen loonbetalingsverplichting heeft, is gehouden de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zijn diverse procedures gevoerd met als rode lijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.